Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/10.3.8
10.3.8 Maximering van het beslag
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS492251:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Op grond van artikel 27 voorstel Europees bankbeslag is de bank verplicht om binnen drie dagen na ontvangst van het EAPO (hetgeen in de praktijk een uiterst korte termijn is: MM) de bevoegde autoriteit (in Nederland zal dit waarschijnlijk de gerechtsdeurwaarder zijn) en de eiser te berichten of en in welke mate conservatoir beslag is gelegd op tegoeden op rekeningen van de verweerder.
Zie ook paragraaf 5.3.3.2.
Het Groenboek bankbeslag vermeldt (al) dat door het beslag te beperken tot een specifiek bedrag, en dus niet de volledige door de schuldenaar aangehouden tegoeden op de in beslag genomen rekening(en) te blokkeren, misbruik zou worden tegengegaan en tevens het evenredigheidsbeginsel wordt geëerbiedigd, p. 7.
Ook het Europees Parlement legt verband tussen bescherming van de beslagene en beperking van het beslag tot een specifiek bedrag: tekst Europees Parlement n.a.v. het Groenboek bankbeslag, onder punt 18.
Zie ook paragraaf 3.4.3.
Men kan zich voorstellen dat hiervoor (verdergaand) onderzoek moet worden verricht.
Een tweede in beginsel interessante bepaling inzake proportionaliteit is dat van artikel 28.2 voorstel Europees bankbeslag. De achtergrond van deze bepaling is (net als voor artikel 28.1 voorstel Europees bankbeslag, waarover hierna) het uitgangspunt dat beslag voor een hoger bedrag dan dat van de vordering plus rente en kosten niet gerechtvaardigd is. Dit lijkt a prima vista een goede waarborg voor de beslagene die tot gevolg heeft dat een disproportioneel beslag, zonder dat hiervoor een gerecht behoeft te worden geadieerd, wordt teruggebracht tot een niveau dat overeenkomt met de omvang van de vordering plus rente en kosten. Artikel 28.2 regelt hoe in geval van uitvaardiging van een of meer EAPO's of gelijkwaardige bewarende maatregelen op grond van nationaal recht, die betrekking hebben op dezelfde vordering en op diverse rekeningen van de verweerder bij verschillende banken, hetzij in dezelfde lidstaat, hetzij in verschillende lidstaten, moet worden voorkomen dat het beslag disproportionele vormen aanneemt. Het artikel bepaalt dat de beslaglegger, via de bevoegde autoriteit (in Nederland zal dit waarschijnlijk de gerechtsdeurwaarder zijn), de in de diverse EAPO's/verloven gespecificeerde bedragen moet deblokkeren ter hoogte van het bedrag dat dat van het EAPO overschrijdt. De deblokkering moet plaatsvinden binnen 48 uur na de ontvangst van de eerste verklaring van de bank1 waaruit een dergelijke overschrijding blijkt. Men kan zich afvragen in hoeverre de beslaglegger de aangewezen partij is om zorg te dragen voor deblokkering van saldi van de beslagene. Evenals te gelden heeft voor de verplichting van de bank om rekeningen van de beslagene bij dezelfde bank niet voor een hoger bedrag te beslaan dan het bedrag van het EAPO (artikel 28.1 voorstel Europees bankbeslag, zie hierna), is niet duidelijk is hoe de beslaglegger moet bepalen welke rekening(en) worden gedeblokkeerd en welke niet. De beslagene is niet op het verzoek tot afgifte van de EAPO's gehoord en is nog onwetend, dus heeft geen mogelijkheid om hier iets over naar voren te brengen. Het uitgangspunt zou, lijkt mij, moeten zijn dat voor het minst bezwarende beslag wordt gekozen. De beslaglegger kan hierbij echter andere inzichten en belangen hebben bij het maken van een keuze waar het beslag wordt gedeblokkeerd dan de beslagene. Zo kan beslag op een betaalrekening waarvan maandelijks automatische incasso's plaatsvinden tot grote problemen voor de beslagene leiden wanneer blijkt dat huur, gas, elektriciteit, abonnementen etc. niet meer betaald worden, terwijl een andere rekening evenzo goed beslagen zou kunnen worden. Daar staat tegenover dat, omdat beslag op een dergelijke rekening maximale druk op de beslagene legt, het in het belang van de beslaglegger kan zijn om het beslag juist daar te handhaven. De vraag is in hoeverre het realistisch is om de beslaglegger aan te wijzen om het initiatief tot en de uitvoering van deblokkering van saldi van de beslagene te doen realiseren. De beslaglegger heeft hier immers geen belang bij en er is bovendien geen enkele sanctie op het niet nakomen van deze verplichting gesteld.
Uit artikel 7 voorstel Europees bankbeslag blijkt dat het gerecht dat een EAPO uitvaardigt, net als in de Nederlandse praktijk van verlofverlening, bevoegd is om verlof te verlenen voor het bedrag waarvoor dit is gevraagd, of een gedeelte daarvan. Dit houdt in dat het gerecht op grond van het door de eiser aangedragen bewijs het bedrag van een EAPO lager kan vaststellen dan de vordering plus rente en kosten die in de aanvraag worden genoemd. Aan deze zogenoemde ‘begroting’ wordt, anders dan de in Nederland overwegende overtuiging,2 in het voorstel Europees bankbeslag een consequentie van maximering van het beslag verbonden. Dit valt af te leiden uit de artikelen 26.1 en 28.1 voorstel Europees bankbeslag. Zij bevatten een proportionaliteitsbepaling3 die interessant is vanuit het perspectief van de bescherming van de belangen van de beslagene.4 Het betreft een uitgangspunt dat direct betrekking heeft op de proportionaliteit van het beslag: de bank die een EAPO ten uitvoer legt (ofwel banksaldi ‘bevriest’) dient ervoor zorg te dragen dat alle tegoeden, die het in het EAPO gespecificeerde bedrag overschrijden, ter beschikking van de beslagene blijven. Dit geldt ook bij een beslag op meer rekeningen bij diezelfde bank. De gedachte hierachter is (evenals bij het hiervoor besproken artikel 28.2 voorstel Europees bankbeslag) dat niet voor een hoger bedrag dan de vermeende vordering plus rente en kosten beslag mag worden gelegd. Het gevolg is dat de beslagene niet zwaarder wordt belast dan nodig voor de voldoening van de vordering waarvoor beslag wordt gelegd. Dit uitgangspunt leidt tot een geheel andere positie van de beslagene dan die in Nederlandse situatie van een derdenbeslag onder de bank, waarbij (ook op meer rekeningen) het gehele saldo van een rekening op het moment van beslaglegging onder het beslag kan vallen.5 Zoals hiervoor al aan de orde kwam heeft dit voor de beslaglegger met een EAPO dat in Nederland ten uitvoer wordt gelegd een negatief gevolg, namelijk dat gedeeld moet worden met andere gerechtigden in de executiefase. Zolang in Nederland het paritas creditorum principe bij verdeling niet verlaten wordt zal het voor de beslaglegger die een grensoverschrijdende vordering heeft dus bij (een vermoeden van) meer beslagen de moeite lonen om te onderzoeken of het interessanter kan zijn om beslagverlof te verzoeken naar Nederlands recht. De regeling kent ook een niet onaanzienlijk uitvoeringsprobleem omdat niet duidelijk is hoe de bank moet bepalen welke rekening(en) worden beslagen en welke niet, indien het saldo op de rekeningen van de beslagene het bedrag van het EAPO overschrijdt. Omdat de beslagene nog niet op de hoogte is van de afgifte van een EAPO ligt het ook niet voor de hand dat de bank hierover in overleg treedt met de betrokkene. Het uitgangspunt zou, lijkt mij, ook hier moeten zijn dat voor het minst bezwarende beslag wordt gekozen. De bank kan hierbij echter andere inzichten en belangen hebben bij het maken van een keuze waar het beslag ‘valt’ dan de beslagene. De vraag is in hoeverre het realistisch is om bancaire instellingen te belasten met een verplichting tot het maken van keuzes in het kader van (de minst bezwarende) uitvoering van een EAPO, wat hiervoor de criteria zijn, wie de kosten hiervan draagt6 en tot welke aansprakelijkheden dit mogelijk voor de bank kan leiden in geval van onjuist handelen.