Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/16.7.4.2
16.7.4.2 Verantwoording en toezicht binnen het bestuur
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS370922:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Maeijer, Van Solinge en Nieuwe Weme 2-II*, nr. 416, Van Schilfgaarde/Winter en Wezeman, par. 42, Dumoulin 2005, Calkoen (Diss.), par. 4.5.9, R.C.J. Galle, ‘Collegialiteit en stemverhoudingen in het bestuur van de rechtspersoon’, Ondernemingsrecht 2007/152 (afl. 14). Zie ook HR 4 december 1992, NJ 1993, 271 m.nt. Maeijer (Mast Holding).
HR 15 juli 1968, NJ 1969, 101 m.nt. Veegens en Scholten (Wijsmuller).
Zie Asser/Maeijer, Van Solinge en Nieuwe Weme 2-II*, nr. 445, Dumoulin 2005, Calkoen (Diss.), Timmerman 2011, par. 3.
Zie art. 2:9 lid 1 BW, Compendium 2013, p. 1162 en Kamerstukken TK 31 763, nr. 3 (MvT), p. 8 en nr. 6 (Nota naar aanleiding van het Verslag), p. 13 en 25.
Zie Dumoulin 2005, noot 17, Dortmond 2005 en Calkoen (Diss.), par. 4.5.9.
Zie de noot van Maeijer bij HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360, 360 (Staleman/Van de Ven). Timmerman 2011.
Bestuurders mogen er in beginsel op vertrouwen dat hun medebestuurders naar behoren hun werk doen en hen naar behoren informeren. Zie Dumoulin 2005, par. 3 en 4. Vgl. Timmerman 2011. Vgl. Hof Amsterdam (OK) 15 december 2011, JOR 2012/77 m.nt. Ouwehand (Landis), r.o. 4.120 over de vraag in hoeverre commissarissen op informatie van het bestuur mogen vertrouwen.
Vgl. hetgeen Dumoulin 2005, par. 3 opmerkt over toezicht van de niet-uitvoerende bestuurder op de uitvoerende bestuurder: “Dit toezicht heeft twee kanten. In de eerste plaats is er een op de structuur gerichte verantwoordelijkheid voor de andere bestuurders om toe te zien op een juiste inkadering van de taak die aan de uitvoerende bestuurder is toebedeeld. Daaronder versta ik onder andere het toezicht op (i) de persoon van de uitvoerende bestuurder (mag worden aangenomen dat hij voldoende gekwalificeerd is, zijn er feiten en omstandigheden die wijzen op duidelijke ongeschiktheid of duidelijk disfunctioneren?), (ii) de omvang van de aan hem toevertrouwde taken (zijn deze voldoende duidelijk omschreven, zijn er elementen die zich duidelijk niet goed tot elkaar verhouden, is voldoende duidelijk welke taken het bestuur als geheel aan zich heeft voorbehouden?) en (iii) de controle op de taakuitoefening (is voorzien in rapportage door de uitvoerende bestuurder omtrent zijn werkzaamheden?). In de tweede plaats dienen de andere bestuurders toezicht te houden op de feitelijke taakuitoefening door de uitvoerende bestuurder. Dat betekent dat zij met een bepaalde regelmaat aan zich dienen te laten rapporteren, dat zij kennis moeten nemen van hetgeen wordt gemeld en, zo dat nodig is (bijvoorbeeld als sprake is van kennelijke belangrijke tekortkomingen in de taakuitoefening), dat zij corrigerend optreden.” Vgl. Calkoen (Diss.), par. 4.5.9 en 4.7.2.7.
Dumoulin 2005, par. 2, Wezeman, p. 99; Calkoen (Diss.), par. 4.7.2.7.
Zie par. 16.5.3.2.
Hof Amsterdam (OK) 14 december 2007, JOR 2008/34 m.nt. Josephus Jitta (e-Traction).
Hof Amsterdam (OK) 1 februari 2016, ARO 2016, 46 (Delco Participation).
Zie par. 16.3.5.
Verwezen zij verder naar par. 16.8.4.2 en 16.8.4.3.
Naar Nederlands recht gelden de beginselen van collegiaal bestuur en collectieve verantwoordelijkheid. Deze beginselen houden in dat een meerhoofdig bestuur de bestuurstaken gezamenlijk vervult en gezamenlijk verantwoordelijk is voor de uitvoering daarvan.1 De wet kent de bestuursbevoegdheden in beginsel toe aan het bestuur als college en niet aan individuele bestuurders. Voorts dient besluitvorming in het bestuur de vrucht van onderling overleg te zijn2 en wordt besloten bij meerderheid van stemmen. Bedoelde beginselen staan echter niet in de weg aan een taakverdeling, maar een dergelijke taakverdeling kan een bestuurder niet ontslaan van zijn verantwoordelijkheid voor een bepaald beleidsonderdeel.3 Een taakverdeling leidt hooguit tot een beperking van die verantwoordelijkheid.4 Delegatie van de bestuurstaken is niet mogelijk, nu art. 2:129/239 lid 1 BW de bestuurstaak dwingendrechtelijk aan het bestuur als college opdraagt.5 Daarnaast behoren bepaalde onderdelen van het beleid tot het taakgebied van alle bestuurders, in het bijzonder waar het gaat om het financiële beleid.6
De tijdelijke bestuurder draagt dus verantwoordelijkheid voor de taakvervulling door de (niet geschorste) bestuurders en vice versa.
Ten aanzien van vennootschappen waarbij de ondernemingskamer geen tijdelijke bestuurders heeft aangesteld, geldt dat de bestuurders toezicht op elkaar moeten houden en dat bestuurders derhalve verantwoording aan elkaar afleggen.7 Dit is met name aan de orde, indien bestuurstaken niet gezamenlijk worden verricht, maar indien deze behoren tot het taakgebied van een of meer bestuurders. De andere bestuurders moeten zich er dan van (kunnen) vergewissen dat de desbetreffende taken naar behoren worden uitgevoerd.8 Verricht een bestuurder zijn taak niet behoorlijk dan moeten zijn medebestuurders ingrijpen.9
Deze plicht rust mijns inziens in beginsel ook op tijdelijke bestuurders. Mogelijk brengt het feit dat zij zijn aangesteld door de ondernemingskamer en veelal wat verder afstaan van de dagelijkse gang van zaken10 zelfs mee dat van tijdelijke bestuurders mag worden verwacht dat zij meer werk maken van hun toezichthoudende taken dan gewone bestuurders. Maar tegelijk geldt dat de gewone bestuurders mijns inziens terughoudend moeten zijn met het uitoefenen van toezicht op tijdelijke bestuurders. Bij het bepalen van wat het beginsel van collegiaal bestuur in een concreet geval inhoudt, dient rekening te worden gehouden met de redenen voor de aanstelling van de tijdelijke bestuurders. Voorts geldt dat, indien meningsverschillen bestaan over het functioneren van de tijdelijke bestuurder, dit niet mag leiden tot veelvuldig corresponderen. In plaats daarvan dienen de gewone bestuurders zich tot de ondernemingskamer te wenden.11
De ondernemingskamer is van oordeel dat bijzonder omstandigheden kunnen meebrengen dat de tijdelijke bestuurder slechts beperkte informatie over zijn functioneren hoeft te delen met zijn medebestuurders. In de Delco Participation-beschikking12 bestond tussen de gewone bestuurders een groot verschil van mening over de vraag of tegen bepaalde zakenpartners/debiteuren procedures moesten worden gevoerd. Aan het verzoek om onmiddellijke voorzieningen te treffen werd mede ten grondslag gelegd dat een van deze bestuurder de wederpartij in de desbetreffende procedures hielp en de procedure frustreerde. De ondernemingskamer stelde tijdelijk een bestuurder aan. Het was de taak van deze bestuurder om het procesbeleid te bepalen. Daar voegde de ondernemingskamer aan toe dat het de tijdelijke bestuurder vrij stond om te bepalen in welke mate hij informatie wilde delen met zijn medebestuurders. Dat oordeel is in zoverre juist dat de ondernemingskamer de tijdelijke bestuurder geen instructies kan geven, dus ook niet kan bepalen welke informatie hij moet delen.13 Dat neemt niet weg dat een behoorlijke taakvervulling in voorkomende gevallen kan meebrengen dat de medebestuurders geïnformeerd worden over de procedure.14
Wel staat de vraag nog open, of door middel van tijdelijk afwijken van de statuten het beginsel van collegiaal bestuur opzij kan worden gezet. Omdat dit beginsel onder meer is vastgelegd in het dwingendrechtelijke art. 2:9 BW, zou daarvoor vereist moeten zijn dat onverkorte toepassing daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Ik acht het niet onaanvaardbaar dat de gewone bestuurders enige controle kunnen uitoefenen op de activiteiten van de tijdelijke bestuurder, hoewel ik onderken dat het voordelen heeft indien de tijdelijke bestuurder zijn collega’s buiten de besluitvorming laat en niet informeert.