Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/3.3.8
3.3.8 Huurvorderingen en vruchten in het algemeen
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264481:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Accursius, Glossa Ordinaria, Digestum Vetus, p. 1404-1405 (ad D. 13,7,22,2); Bartolus, Super secunda digesti veteris, ad D. 20,1,11,1; Bartolus, In primam codicis partem, ad C. 4,24,2 en C. 4,32,12(11); Negusantius, De pignoribus et hypothecis, nr. 3.1.30 en 3.1.34; Donellus, De Pignoribus et hypothecis, nr. 9.1; Donellus, Commentariorum in Codicem Justiniani II, p. 395-396 (ad C. 4,32,11(12)).
Accursius, Glossa Ordinaria, Codex Justinianus, p. 893-894 (ad C. 4,24,2), p. 898-899 (ad C. 4,24,12); Donellus, Commentariorum in Codicem Justiniani II, p. 19-20 (ad C. 4,24,1-4,24,2, nr. 2).
Génestal 1901, p. 30-31; Landwehr 1967, p. 318-320 en 344; Planitz 1982, p. 66 en 139.
Quicquid pensionis ex locatione aedium pignori obligatarum percipit Donellus, Commentariorum in Codicem Justiniani II, p. 19-20 (ad C. 4,24,1-4,24,2, nr. 2. In deze passage stelde Donellus dat de waarde van de vruchten ten goede diende te komen aan de pandgever; het was echter de pandhouder die de vruchten diende te trekken: vgl. Donellus, Commentariorum in Codicem Justiniani II, p. 19-20 (ad C. 4,24,1-4,24,2, nr.3-4).
Génestal 1901, p. 30-32; Planitz 1982, p. 139-141 en 187-190.
Zie §3.3.1 en 3.3.2.
Génestal 1901, p. 30-32 en 56-57; Planitz 1982, p. 60-67, 134 en 139-144 en 187-190. Vgl. Landwehr 1967, p. 318-319 en 375-377.
Accursius, Glossa Ordinaria, Digestum Vetus, 1898 (ad D. 20,1,20).
De pandgebruiker gold als bezitter van het onderpand. Uit dit bezit vloeide voort dat de pandgebruiker de vruchten kon trekken en eigenaar werd van de vruchten die hij trok.1 Huurvorderingen kwalificeerden als burgerlijke vruchten van een onroerende zaak.2 De pandgebruiker was dus bevoegd om deze huurvorderingen te innen, zelfs als zij niet voortvloeiden uit een huurovereenkomst waarbij de pandgebruiker partij was. Het bezit van de pandgebruiker bracht mee dat de inningsbevoegdheid van de huurvorderingen overging van de pandgever op de pandgebruiker.3
Volgens Donellus was de pandgebruiker bevoegd tot de inning van wat voor huurvorderingen dan ook uit verhuur van in pand gegeven gebouwen.4 Volgens Donellus was de pandgebruiker dus bevoegd huurvorderingen te innen, ongeacht de rechtsverhouding waaruit zij voortvloeiden. Dit betekende dat de pandgebruiker bevoegd was huurvorderingen te innen die voortvloeiden uit een overeenkomst tussen de pandgever-verhuurder en de huurder.
Deze stelling vond steun in verschillende lokale rechtspraktijken. Als een pandrecht tot stand kwam op een reeds verhuurd goed, werd de pandgebruiker bevoegd om de voor die zaak verschuldigde huurvorderingen te innen.5 Hetzelfde gold overigens voor andere verplichtingen van derden ten aanzien van het verpande goed.6
Voor de pandgebruiker was een reeds verhuurd goed een aantrekkelijk zekerheidsobject. Het zekerheidsobject gaf in de vorm van huurpenningen een constante periodieke waarde. De pandgebruiker hoefde voor deze huurpenningen bovendien nauwelijks werkzaamheden te (laten) verrichten: hij hoefde de huur alleen maar te innen. Deze voordelen had de pandgebruiker niet bij andere zekerheidsobjecten, zoals akkers. De pandgebruiker moest een akker jaarlijks bewerken of laten bewerken. Bovendien was het onzeker hoeveel de oogst van de akker jaarlijks zou opbrengen.7
Dat de pandgebruiker van een verhuurde zaak bevoegd was huurvorderingen te innen, vloeide in het ius commune overigens niet voort uit D. 20,1,20 (Ulpianus). Zoals ik betoogde in §2.4.7, is het mogelijk dat deze tekst zag op een recht van pandgebruik op een verhuurd gebouw. De pandgebruiker kon dus de huurvorderingen voor dit gebouw innen op grond van zijn recht van pandgebruik. Volgens Bartolus en Cuiacius ging D. 20,1,20 echter niet over een recht van pandgebruik, maar over een pandrecht op vorderingen.8