Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/4.2.4
4.2.4 Friedman
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS383378:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Harcourt 2011, p. 131 (onder meer verwijzend naar de memoires van G.J. Stigler, Friedman’s tijdgenoot in Chicago en zelf een invloedrijk econoom).
M. Friedman, Capitalism and Freedom, Fortieth Anniversary Edition, Chicago: University of Chicago Press 2002 (1e druk 1962).
Friedman 1962, p. 15.
. Hayek 1960, p. 519-533.
Ibid, p. 5-6: “It is extremely convenient to have a label for the political and economic viewpoint elaborated in this book. The rightful and proper label is liberalism. (…) As it developed in the late eighteenth and early nineteenth centuries, the intellectual movement that went under the name of liberalism emphasized freedom as the ultimate goal and the individual as the ultimate entity in society. (…) Partly because of my reluctance to surrender the term to proponents of measures that would destroy liberty, partly because I cannot find a better alternative, I shall resolve these difficulties by using the word liberalism in its original sense – as the doctrines pertaining to a free man.”
In deze zin Sandel 2009, p. 61.
Hayek 1960, p. 199-366. Hayek zou deze politieke opvattingen later van een filosofisch fundament voorzien in zijn boek Rules and Order. Zie F.A. Hayek, Rules and Order, London: Routledge & Kegan Paul 1973, opgenomen in F.A. Hayek, Law, Legislation and Liberty: a new statement of the liberal principles of justice and political economy, London: Routledge & Kegan Paul 1982.
R. Nozick, Anarchy, State and Utopia, New York: Basic Books 1974.
M.N. Rothbard, Man, Economy and State: a treatise on economic principles, Auburn: Ludwig von Mises Institute 1993 (1e druk 1962).
A. Rand, Atlas Shrugged, 50th Anniversary Edition, London: Signet / Penguin Books 2007 (1e druk 1957).
In deze zin ook E. Fawcett, Liberalism: the life of an idea, Princeton: Princeton University Press 2014, p. 327-331 (Hayek) en p. 373-378 (Friedman).
Friedman 1962, p. 133.
Zie onder meer Stout 2012, p. 18 en p. 34 en noten 18 en 57, verwijzend naar een ingezonden stuk van Friedman in de New York Times van 13 september 1970 getiteld ‘The Social Responsibility of Business is to Increase Its Profits’.
Bij andere economen uit de Chicago School was de grens tussen normatieve opvattingen en ideologie niet altijd even scherp te trekken. De econoom Friedman is een goed voorbeeld. Zijn belangrijkste wetenschappelijke werk is gelegen op het terrein van de monetaire economie. Net als Hayek publiceerde Friedman ook boeken en artikelen die eerder persoonlijke politieke beschouwingen dan economische wetenschappelijke analyses behelsden. Hierdoor voorzag Friedman enerzijds zijn economisch werk van een politiek-ideologische achtergrond, terwijl hij anderzijds ook via zijn politieke beschouwingen een breder publiek bereikte voor zijn economisch werk. Ook binnen de University of Chicago was Friedman een invloedrijk persoon die met zijn opvattingen in belangrijke mate gestalte gaf aan het normatief fundament van de Chicago School.1
Friedman’s meest invloedrijk politiek-economisch werk was het boek Capitalism and Freedom dat in 1962 verscheen.2 In dit boek zette Friedman zijn visie op de verhouding tussen markt en overheid voor uiteenlopende thema’s uiteen. Anders dan Coase, die stelde dat de rol van de overheid in beginsel beperkt zou moeten zijn maar hier meteen aan had toegevoegd dat niet duidelijk was hoe beperkt deze rol precies zou moeten zijn, had Friedman wel een expliciete normatieve visie op wat in algemene zin de rol van de overheid zou moeten zijn: “The existence of a free market does not of course eliminate the need for government. On the contrary, government is essential both as a forum for determining the ‘rules of the game’ and as an umpire to interpret and enforce the rules decided on. What the market does is to reduce greatly the range of issues that must be decided through political means, and thereby to mimimize the extent to which government need participate directly in the game.”3 In de visie van Friedman zou de rol van de overheid dienstbaar moeten zijn aan de markten door zich tot het faciliteren van het vrije marktmechanisme te beperken. Hij pleitte dan ook voor de toepassing van het vrije marktmechanisme op zoveel mogelijk maatschappelijke terreinen, ook waar het ging om klassieke overheidstaken zoals onderwijs en sociale zekerheid. Hoewel Friedman zelf zijn opvattingen – net als Hayek4 – blijkens de inleiding van Capitalism and Freedom in de klassiek-liberale traditie plaatste,5 worden zijn ideologische opvattingen tegenwoordig eerder tot de stroming van het libertarisme gerekend.6
Bij de bovenstaande observatie moet wel worden opgemerkt dat de opvat tingen van Friedman en Hayek zich binnen het libertarisme aan de behou dende zijde van het ideologisch spectrum binnen deze stroming bevonden. Zo speelt het concept van de ‘rule of law’, waarvan de waarborging bij uit stek een overheidstaak is, een centrale rol in het grote werk van Hayek op dit terrein, het boek ‘The Constitution of Liberty’ uit 1960.7 Ook in de opvattingen van Friedman was voor de democratische staat een belang rijke rol voorzien. In zoverre gingen de opvattingen van Hayek en Friedman over de rol van de staat beduidend minder ver dan bijvoorbeeld het vroege werk van Nozick8 en al helemaal minder ver dan het anarcho- kapitalisme van Rothbard.9 Ook waren de ideeën over het individu in het ‘klassieke’ libertarisme van Friedman en Hayek pragmatischer en daarmee minder radicaal dan bijvoorbeeld het objectivisme van Rand met haar morele theorie van ‘rational self interest’.10 Dat Friedman en Hayek zichzelf eerder beschouwden als een verlengstuk van het klassieke liberalisme in plaats van exponenten van het pure libertarisme was derhalve alleszins ver klaarbaar en in zekere zin ook terecht.11
Over de werking van markten lijkt Friedman dezelfde normatieve uitgangspunten als Coase te hebben aangehangen, namelijk de natuurlijke werking van markten van Smith en het idee van het nastreven van het rationele eigenbelang door marktparticipanten van Bentham. Dit wordt onder meer duidelijk in een passage van Friedman over de maatschappelijke rol van het bedrijfsleven: “The view has been gaining widespread acceptance that corporate officials and labor leaders have a ‘social responsibility’ that goes beyond serving the interest of their stockholders or their members. This views shows a fundamental misconception of the character and nature of a free economy. In such an economy, there is one and only one social responsibility of business – to use its resources and engage in activities designed to increase its profits so long as its stays within the rules of the game, which is to say, engages in open and free competition, without deception or fraud. (…) It is the responsibility of the rest of us to establish a framework of law such that an individual pursuing his own interest is, to quote Adam Smith again, ‘led by an invisible hand to promote an end which was no part of his intention. (…)’ Few trends could so thoroughly undermine the very foundations of our free society as the acceptance by corporate officials of a social responsibility other than to make as much money for their stockholders as possible. This is a fundamentally subversive doctrine.”12 Friedman’s opvatting over de maatschappelijke verantwoordelijkheid van ondernemingen zou later ook in de publieke opinie een belangrijke rol gaan spelen.13