Einde inhoudsopgave
Invloed van schuldeisers in insolventieprocedures (IVOR nr. 129) 2023/4.1
4.1 Inleiding
mr. H.J. de Kloe, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. H.J. de Kloe
- JCDI
JCDI:ADS708361:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Of: kennis is macht. Omdat twee andere bijdragen over informatieverschaffing in faillissement al met deze zin beginnen, heb ik dat nagelaten. Zie Groenewegen & Orval 2009, p. 39; Van Andel & Van Zanten 2013, p. 29. Zie ook de conclusie van A-G Huydecoper voor HR 21 januari 2005, NJ 2005/249, par. 28.
Zie bijvoorbeeld Rechtbank ’s-Hertogenbosch 9 april 2003, ECLI:NL:RBSHE:2003:AF7333, r.o. 4.3. Overigens hadden de verzoekers in die kwestie de activatransactie mogelijk in een eerder stadium kunnen voorkomen door een alternatief te bieden dat gunstiger was voor de gezamenlijke schuldeisers. De weergave van de feiten is te summier om dat te kunnen beoordelen.
Een schuldeiser kan ook op grond van artikel 73 Fw verzoeken de curator te ontslaan in de hoop dat de opvolgend curator de oude curator pro se aansprakelijk stelt, maar dan geldt dezelfde aansprakelijkheidsnorm. Daarnaast wordt bij de beoordeling van een ontslagverzoek door rechtbanken een soortgelijke toets aangelegd. Zie bijvoorbeeld Rechtbank Rotterdam 27 juli 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:5905, r.o. 5.1 en 5.2 en Rechtbank Midden-Nederland 6 september 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:4391, r.o. 4.9. Deze strenge maatstaf die door rechtbanken wordt aangelegd is overigens niet afkomstig uit rechtspraak van de Hoge Raad. Naar het oordeel van de Hoge Raad heeft de rechtbank een discretionaire bevoegdheid bij de beoordeling van een ontslagverzoek. Zie HR 28 juni 1985, NJ 1985/870 (Frenkel/Van der Wilk q.q.).
HR 16 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU4204, NJ 2012/515 (Prakke/Gips).
Joosen stelt bijvoorbeeld in zijn proefschrift uit 1998 terecht dat uitbreiding van artikel 69 Fw niet zinvol is als degenen die een beroep op deze bepaling kunnen doen niet op de hoogte zijn van de wijze waarop het faillissement wordt afgewikkeld. Zie Joosen 1998, p. 86, voetnoot 159.
Voordat verder wordt onderzocht op welke wijze schuldeisers invloed kunnen uitoefenen op de afwikkeling van een faillissement, is het van belang in te gaan op informatie(rechten). Zonder voldoende informatie is het immers niet mogelijk invloed uit te oefenen.1 Worden schuldeisers pas geïnformeerd nadat de curator een bepaalde (rechts)handeling heeft verricht, dan treedt de wet van de voldongen feiten in werking. Die wet doet bijvoorbeeld opgeld als de curator een doorstart heeft bereikt en daartoe een overeenkomst heeft gesloten met de koper. Wordt de overeenkomst gesloten onder voorbehoud van goedkeuring door de rechter-commissaris en is die goedkeuring verleend, dan is de overeenkomst onvoorwaardelijk tot stand gekomen.2 Een verzoek op grond van artikel 69 Fw kan hier geen verandering in brengen.3 Een schuldeiser die meent schade te hebben geleden door de transactie, heeft dan in beginsel uitsluitend de mogelijkheid de curator pro se aansprakelijk te stellen.4 Vaak biedt dat geen soelaas, omdat de drempel voor aansprakelijkheid van de curator hoog is. De curator heeft immers beleidsvrijheid zolang hij niet is gebonden aan regels en is uitsluitend persoonlijk aansprakelijk als hij het onjuiste van zijn handelen inzag of redelijkerwijs behoorde in te zien.5
De vraag die in dit hoofdstuk centraal staat is of de informatierechten van schuldeisers afdoende zijn om op adequate wijze gebruik te maken van de rechten die zij hebben om invloed uit te oefenen op de afwikkeling van het faillissement.6 Omdat alleen invloed op een faillissement uitgeoefend kan worden bij bekendheid met het faillissement, wordt in 4.2 de bekendmaking van het faillissement behandeld. Paragraaf 4.3 gaat over informatieverschaffing aan de gezamenlijke schuldeisers en andere belanghebbenden. In 4.4 komt informatieverschaffing aan de schuldeiserscommissie aan bod. Paragraaf 4.5 handelt over informatieverschaffing aan individuele schuldeisers. In paragraaf 4.6 komen twee voorstellen tot versterking van de informatiepositie van schuldeisers aan bod en in 4.7 wordt het Belgische digitale insolventieregister besproken. In paragraaf 4.8 wordt de informatiepositie van schuldeisers geëvalueerd en worden aanbevelingen gedaan tot verbetering van de informatiepositie van schuldeisers in faillissement. Het hoofdstuk sluit in 4.9 af met een conclusie.