De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/9.2.1.1:9.2.1.1 Inleiding
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/9.2.1.1
9.2.1.1 Inleiding
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS369738:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Een uitzondering vormt Croiset van Uchelen 2010B, par. 2.
Hof Amsterdam (OK) 23 juni 1983, NJ 1984, 571, m.nt. Maeijer (Hyster).
Vgl. Compendium 2013, p. 1778 en 1779 en Geerts (Diss.), p. 280 – 281.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoewel er in de literatuur vrijwel standaard op wordt gewezen dat bij het treffen van onmiddellijke voorzieningen het proportionaliteitsvereiste in aanmerking moet worden genomen, is er nauwelijks aandacht voor dit vereiste waar het het treffen van eindvoorzieningen betreft.1 Er wordt niet (expliciet) gesproken over het proportionaliteitsvereiste, maar over dat eindvoorzieningen “passend” moeten zijn in het licht van de aard en ernst van het wanbeleid.2 Verder wordt er vooral gewezen op de ruime bevoegdheden die de ondernemingskamer heeft bij het treffen van eindvoorzieningen.3
Niettemin lijdt het mijns inziens geen twijfel dat ook bij het treffen van eindvoorzieningen het proportionaliteitsvereiste in acht moet worden genomen.
Hierna wordt dat uiteengezet.