Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/4.2.4.2
4.2.4.2 Jurisprudentieanalyse onteigeningsrechter
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS701893:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het onderzoek wordt aangehaald in Jansen, De Nederlandse Gemeente 1964, p. 13-16. Zie ook: Sluysmans 2011, p. 184.
Sluysmans 2011, p. 184.
Zoekstrategie op rechtspraak.nl over de periode 1 januari 2015 – 1 januari 2022: onteigening AND schadeloosstelling AND deskundige*. De gekozen tijdsperiode is voldoende ruim om de recente onteigeningsjurisprudentie in kaart te brengen.
Of de Hoge Raad de rechtbankdeskundigen in deze vijf gevallen, anders dan de rechtbank dus, wél volgde, valt helaas niet ontwaren. In drie gevallen is er geen cassatieberoep ingesteld. In de andere twee gevallen kwam de Hoge Raad niet aan een inhoudelijke beoordeling van de cassatiemiddelen toe, omdat hij de zaak afdeed met toepassing van art. 81 RO.
Sluysmans 2011, p. 182-184; De Jager & Hoekstra, TBR 2012/3, § 3.1.6 en § 3.2.
Een aanvullend advies werd gelast. Zie: Rb. Oost-Brabant 21 september 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:5157.
Rb. Zeeland-West-Brabant 7 september 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:8496.
Rb. Limburg 25 maart 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:3026.
Rb. Noord-Holland 13 januari 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:261; Rb. Zeeland-West-Brabant 16 december 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:8669.
In dezelfde zin: De Jager & Hoekstra, TBR 2012/3, § 3.1.6.
Rb. Den Haag 22 april 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:6932, r.o. 2.11 en 2.12.
Rb. Zeeland-West-Brabant 24 juni 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:5428, r.o. 2.42.
Rb. Den Haag 13 januari 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:330, r.o. 2.55.
Rb. Den Haag 24 juni 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:7233; Rb. Noord-Holland 18 februari 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:1209; Rb. Overijssel 8 november 2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:4540.
HR 16 november 2001, ECLI:NL:PHR:2001:ZD3019, NJ 2002/15; Scheltema & Storm 2008, § 6.6.
Rb. Den Haag 18 november 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:12541; Rb. Den Haag 22 april 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:4568.
Rb. Gelderland 19 mei 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:2634.
Rb. Rotterdam 3 maart 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:1805.
Rb. Noord-Nederland 25 mei 2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:2021.
HR 31 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1684, NJ 2006/655.
Rb. Overijssel 8 november 2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:4540, r.o. 5.1.1.
Op het terrein van het onteigeningsrecht is al eerder jurisprudentieonderzoek verricht naar de invloed van het deskundigenadvies op het oordeel van de rechter.
In 1963 heeft Grijns 170 schadeloosstellingsvonnissen onderzocht. Grijns concludeerde dat in 30 van die 170 vonnissen de rechter afweek van het deskundigenadvies. Dat is een percentage van 17%. Grijns gaf aan dat het daarbij voornamelijk ging om kleine afwijkingen. 1Later heeft Sluysmans eenzelfde onderzoek gedaan over de periode 2004-2009. Uit zijn onderzoek kwam naar voren dat de rechter in slechts 3 van de 30 schadeloosstellingsvonnissen (gedeeltelijk) van het deskundigenadvies afweek. Dat is een percentage van 10%. In 27 gevallen werd het deskundigenadvies integraal door de rechter overgenomen. 2
Zelf heb ik op rechtspraak.nl schadeloosstellingsvonnissen onderzocht over de periode 1 januari 2015 – 1 januari 2022.3 Ik telde in die periode 52 schadeloosstellingsvonnissen. In 32 vonnissen volgde de rechter het advies van deskundigen integraal. In 15 vonnissen week de rechter op een (klein) aspect van het advies af. In 5 vonnissen week de rechter geheel of zwaarwegend af van het advies. Het totale ‘afwijkingspercentage’ over de periode 1 januari 2015 – 1 januari 2022 is daarmee ongeveer 39%.4 Een en ander is schematisch weergegeven in figuur 1.
Figuur 1: Onteigeningsrechter en het deskundigenadvies.
Het eerste dat opvalt, is dat het afwijkingspercentage in de periode 1 januari 2015 – 1 januari 2022 aanzienlijk hoger is dan in de eerder onderzochte periodes. Dat geldt met name waar het de zwaarwegende afwijkingen betreft (10%). Een mogelijke reden daarvoor is dat het belang van een kritische rechterlijke toets van het deskundigenbericht – ongeveer vanaf 2011 – meer aandacht heeft gekregen vanuit de literatuur en de praktijk.5
Onder ‘zwaarwegende afwijkingen’ heb ik verstaan gevallen waarin de rechter andere juridische uitgangspunten voor de schadebegroting hanteert. Zo ging de rechter in één geval, anders dan deskundigen, uit van reconstructie in plaats van liquidatie.6 In een ander geval besloot de rechter, in afwijking van het advies van deskundigen, het bestemmingsplan niet te elimineren.7 Ook kwam het voor dat de rechter geen reden zag voor het vervroegen van de peildatum waar deskundigen daar wel reden voor zagen.8 De overige twee vonnissen heb ik als ‘zwaarwegend afwijkend’ aangemerkt, omdat de rechter daar aan minstens twee schadeposten een andere invulling gaf dan de deskundigen.9 Zwaarwegende afwijkingen kwamen, voor zover ik de jurisprudentieanalyses van Grijns en Sluysmans kan overzien, in de eerder onderzochte periodes niet of nauwelijks voor. Dat empirische gegeven strookt met een zekere beleving in de onteigeningspraktijk dat de rechter thans, vaker dan voorheen, afwijkt van het deskundigenadvies, althans strenger toeziet op de juridische aspecten van het deskundigenadvies.10 Wat dat betreft lijkt de hiervoor aangegeven aanbeveling uit de literatuur en de praktijk te zijn opgevolgd door de onteigeningsrechter.
Ondanks dat het voorgaande erop wijst dat de rechterlijke controle op het deskundigenadvies is aangescherpt, moet voor ogen worden gehouden dat het deskundigenadvies in veruit de meeste gevallen nog steeds integraal wordt gevolgd (61%). Bovendien week de rechter in 15 vonnissen slechts op een (klein) aspect van het deskundigenadvies af en werd dit advies dus voor het overige gevolgd (29%). Het ging in dat soort gevallen bijvoorbeeld om kleine aanpassingen op de bijkomende schade, omdat de rechtbank een extra € 55,- aan aanpassingskosten gerechtvaardigd achtte,11 de berekening van oogstschade anders uitvoerde12 of gemiste huurinkomsten niet kwalificeerde als onteigeningsgevolg.13 Ook kwamen kleine aanpassingen voor op het bedrag van de werkelijke waarde of waardevermindering van het overblijvende.14
De gedachte zou kunnen postvatten dat het feit dat de onteigeningsrechter in het merendeel van de vonnissen het deskundigenadvies integraal overneemt, botst met het uitgangspunt dat de onteigeningsrechter zelfstandig de schadeloosstelling moet bepalen (zie hiervoor in § 4.2.3.2). Van een dergelijke strijdigheid is echter niet zonder meer sprake. Het staat de onteigeningsrechter vrij om zich in het kader van zijn zelfstandige schadebegrotingstaak volledig met het deskundigenadvies te verenigen. Dat kan in beginsel zonder verdere motivering.15 Vaak leest men dan dat de rechtbank het oordeel van de deskundigen juist acht en ‘tot het hare maakt’.16 Ook komt het voor dat de rechtbank het oordeel van de deskundigen en de daaraan gegeven motivering ‘overneemt’.17 Nog andere, maar vergelijkbare passages zijn dat de rechtbank ‘aansluit’ bij het advies van deskundigen18 en dat de rechtbank ‘zich verenigt met’ de door de deskundigen geadviseerde werkelijke waarde.19 Een nadere motivering is wel vereist wanneer door partijen voldoende onderbouwde kritiek op het deskundigenrapport is geleverd.20 Datzelfde geldt wanneer de rechter afwijkt van het deskundigenadvies. Zo overweegt de rechtbank Overijssel:
“Indien en voor zover de rechtbank de zienswijze van de door haar benoemde deskundigen (op één of meer onderdelen) niet volgt, zij haar oordeel dienaangaande van een zodanige motivering heeft te voorzien, dat deze voldoende inzicht geeft in de daaraan grondslag liggende gedachtegang om deze controleerbaar en aanvaardbaar te maken.”21
Indien de rechtbank afwijkt van het deskundigenadvies geldt dus een zwaardere motiveringsplicht dan wanneer de rechter dit advies volgt.