Einde inhoudsopgave
De integratie van fiscale gegevens in het rijksbrede toezicht (FM nr. 155) 2018/6.4
6.4 Bekendmaking bij ministeriële regeling (art. 67 lid 2 letter b AWR)
M. Snippe, datum 20-10-2018
- Datum
20-10-2018
- Auteur
M. Snippe
- JCDI
JCDI:ADS376483:1
- Vakgebied(en)
Privacy / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2016/17, 34 553, nr. 3. Par. 8.3 noemt samenwerkingsverbanden zoals Financieel Expertise Centrum (‘met betrekking tot het in kaart brengen van in- en uitreizigers afkomstig uit of met bestemmingen naar landen zoals Syrië en Irak en andere voor terrorismefinanciering relevante personen’) en het Landelijk Informatie en Expertise Centrum (‘met betrekking tot het verkrijgen van beter inzicht in betrokkenheid bij georganiseerde criminaliteit’).
Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 3, p. 19-21; zie ook P. Fortuin, Geheimhoudingsplicht Belastingdienst en verkorting beslistermijnen, NTFR Beschouwingen 2008/4.
Nota van Toelichting bij de Regeling van de staatssecretaris van Financiën van 30 december 2015, nr. DB/2015/465M, tot wijziging van enige uitvoeringsregelingen inzake de fiscaliteit, toeslagen en douane alsmede van de Wet op de accijns, Stcrt. 2015, 47716, p. 28.
De Uitvoeringsregeling lijkt hiermee strijdig te zijn. Aan zowel de AFM als DNB mogen ook inlichtingen worden verstrekt. Zie bijlage 12a voor lijst met structurele ontheffingen met onderscheid naar aard van samenwerking.
Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 3, p. 19-21.
Nota van Toelichting bij de Regeling van de staatssecretaris van Financiën van 30 december 2015, nr. DB/2015/465M, tot wijziging van enige uitvoeringsregelingen inzake de fiscaliteit, toeslagen en douane alsmede van de Wet op de accijns, Stcrt. 2015, 47716, p. 28.
Brochure ‘De Belastingdienst en de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp), https://download.belastingdienst.nl/belastingdienst/docs/belastingdienst_wet_bescherming_persoonsgegevens_al5331z2pl.pdf, geraadpleegd: 12 mei 2017.
Overzicht van verwerking van persoonsgegevens door de Belastingdienst, 24 mei 2018.
Overzicht van verwerking van persoonsgegevens door de Belastingdienst, 24 mei 2018, p. 21.
De Belastingdienst noemt in het overzicht van verwerking persoonsgegevens ‘Toezichthouders’ als algemene categorie. Aangenomen wordt dat het om ‘Toezichthoudende organisaties’ gaat: dat ligt in de lijn van de betreffende limitatieve opsomming. Of dit ook alleen in het kader van de toezichthoudende taak gebeurt, is niet duidelijk. Op een andere plaats concretiseert de Belastingdienst daarentegen de ontvangers wel op persoonsniveau: KVK fraudeconsultanten, Contactambtenaren AWR Notarissen, Inspecteurs SZW, Inspecteurs UWC en Inspecteurs ILT, Overzicht van verwerking van persoonsgegevens door de Belastingdienst, 24 mei 2018, p. 21 en 23
Bijlagen 2b en 2c VIV 1993.
Zie bijlage 12b, de tabellen 2 en 3.
Zie bijlage 12b, tabel 1.
Zie bijlage 12b, tabel 2.
Zie bijlage 12b, tabel 3.
Zie bijlage 12b, tabel 4.
Een uitzondering wordt gevonden in de gegevensuitwisseling binnen het FEC- verband. Auditdienst Rijk, Ministerie van Financiën, Audit FEC Belastingdienst- Bevindingen, 17 november 2015, kenmerk ADR/2015/1535 M, p. 6 (gepubliceerd dd 24-06-2016 in het kader van WOB, https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/publicaties/2016/06/24/bijlagen-bij-besluit-wob-verzoek-adr-rapporten-2015-financien/45.-audit-fec-belastingdienst-bevindingen.pdf).
Verdere uitwerking kan plaatsvinden in een convenant. Daarin kan ook invulling worden gegeven aan het verzoek tot het verstrekking van gegevens. Zo bepaalt het convenant Belastingdienst – arbeidsinspectie – SIOD (31-10-2011) over het verzoek bijvoorbeeld dat ‘Gegevens en informatie worden verstrekt op verzoek van een van de partijen. Dit convenant wordt gezien als een doorlopend verzoek tot informatieverstrekking van de ene convenantspartner aan de andere convenantspartner.’ (art. 5). Daarbij wordt toegelicht: ‘ls een convenantspartner die informatie heeft die van belang kan zijn voor de toezichthoudende taak van de andere convenantspartner en die andere partner weet dat nog niet.’; volgens het convenant is het derhalve niet noodzakelijk dat een verzoek tot het verstrekken van gegevens plaatsvindt door de andere (convenant) partij.
Art. 9.1 Privacyprotocol RIECs-LIEC, 2015, Behorend bij het Convenant ten behoeve van de Bestuurlijke en Geïntegreerde Aanpak Georganiseerde Criminaliteit, Bestrijding Handhavingsknelpunten en Bevordering Integriteitsbeoordelingen. Onder dit begrip wordt verstaan: ‘Een belang dat wordt gediend met de bestuurlijke en geïntegreerde aanpak van georganiseerde criminaliteit, de bestrijding van handhavingsknelpunten en de bevordering van integriteitsbeoordeling en als bedoeld in het Bestuurlijk Akkoord, het Convenant en artikel 5 van dit Privacyprotocol.’ Art. 3.15 Privacyprotocol RIECs-LIEC, 2015.
Vgl. Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 3, p. 74; zie voor nadere toelichting op de inhoud van het begrip zwaarwegend algemeen belang Kamerstukken II 2003/ 04, 28 886, nr. 5 ‘Met een gegevensverwerking wordt een algemeen belang gediend, indien die verwerking voor de samenleving van betekenis is. Een gegevensverwerking is vanuit het oogpunt van een zwaarwegend algemeen belang gerechtvaardigd indien die voor de samenleving van meer dan gewone betekenis is’.
Kamerstukken II 2014/15, 26 653, nr. 355, bijlage bij brief, inventarisatie gegevensbestanden en koppelingen.xls.
Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden, 22 maart 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2285; zie ook par. 5.4.3.
Zie bijlage 12b, tabel 5.
Een van de samenwerkingsverbanden met alleen overheidsorganisaties in de opsporingssfeer is de Infobox Crimineel en Onverklaarbaar Vermogen (iCOV). Dit is een samenwerkingsverband van de Belastingdienst en Douane met het Openbaar Ministerie, de politie, de FIOD en de Financial Intelligence Unit Nederland. Zie Convenant iCOV 2013, Stcrt. 2013, 24607, Protocol gegevensverwerking iCOV Productie 2013, Stcrt. 2013, 24608, en Protocol gegevensverwerking iCOV Research and Development 2013, Stcrt. 2013, 24610. Een ander samenwerkingsverband is met interventieteams. Voor deze teams is er een samenwerkingsovereenkomst interventieteams, 8 oktober 2003, https://download.belastingdienst.nl/belastingdienst/docs/ convenant_interventieteams_al9421z1ed.pdf (geraadpleegd: 28 maart 2017) en gewijzigd Samenwerkingsovereenkomst voor interventieteams, 17 maart 2017, Stcrt. 2017, 20624.
De interventieteams zijn in 2003 in het leven geroepen als opvolger van de Regionale Interdisciplinaire Fraudeteams (Rif’s). De interventie vindt van oorsprong (2003) plaats tussen Belastingdienst, Arbeidsinspectie, het Uitvoeringsinsituut Werknemersverzekering (UWV), de gemeente, de Sociale Verzekeringsbank, het Openbaar Ministerie, de departementen Financiën en Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Kamerstukken II 2002/03, 17 050, nr. 248. In deze samenwerking (met ongeveer 500 partijen) zijn naast Belastingdienst een groot aantal gemeenten en de provincies, het Openbaar Ministerie, de politie, de Douane, de FIOD, de Inspectie SZW, de Koninklijke Marechaussee en de Immigratie en Naturalisatie Dienst betrokken. Met toevoeging van de Immigratie en Naturalisatiedienst, gewijzigd Regeling van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 maart 2017, nr. 2017- 0000043516, tot wijziging van de Regeling SUWI in verband met de toetreding van de IND tot het samenwerkingsverband fraudebestrijding, Stcrt. 2017, 17799.
https://www.riec.nl, geraadpleegd: 28 maart 2017, Convenant ten behoeve van Bestuurlijke en Geïntegreerde Aanpak Georganiseerde Criminaliteit, Bestrijding Handhavingsknelpunten en Bevordering Integriteitsbeoordelingen, gewijzigd en wordt in de loop van 2017 getekend door 500 partners, zie https://www.riec.nl/oostbrabant/wet-en-regelgeving/nieuw-riec-convenant, geraadpleegd: 4 mei 2017.
https://www.riec.nl/doc/liec/LIEC-A4Convenant06.pdf, geraadpleegd: 28 maart 2017.
Aan het gebruik van open normen kunnen gevaren kleven zoals (met name bij de introductie daarvan) het in strijd zijn met de beginselen van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. A. Tollenaar, Het problematische gelijkheidsbeginsel, Bestuurswetenschappen 2004, Vol. 58, p. 432 en A. Rozendal, het begrip belang in de Nederlandse belastingwetgeving, Ars Aequi 2015, april, p. 341. De normen zullen zich veelal uitkristalliseren in de jurisprudentie. Daarvoor is echter wel transparantie vereist in de handelwijze van de Belastingdienst.
Het Handboek Beveiliging Belastingdienst 2014, Deel C, Normen geeft een kader voor de beveiliging van gegevensuitwisseling. Dat bepaalt onder andere ‘Voor elke afspraak omtrent gegevensuitwisseling wordt een overeenkomst gesloten (…)’ (C3.5). Het Handboek geeft tevens inhoud aan het vastleggen van de afspraken (contractueel) tussen leverancier en afnemer over onder andere de informatie- uitwisseling met derden (C.14.1.), p. 76.
Zie bijlage 12b, tabel 6.
Art. 43c lid 2 Uitv. Reg. AWR bepaalt dat gegevens (en inlichtingen) op verzoek van het desbetreffende bestuursorgaan kunnen worden verstrekt. De Belastingdienst merkt het Convenant FEC 2014 aan als een permanent verzoek tot het verstrekken van informatie voorzover die informatie dienstbaar is aan de doelstellingen van het FEC.
In de FEC-samenwerking wordt onder een signaal verstaan ‘een melding van een gebeurtenis of gedraging door een FEC-partner ter behandeling in het FEC- informatieplatform.’
Financieel Expertise Centrum, Jaarplan 2017, Resultaatgericht samenwerken als één overheid ter bestrijding van financieel economische criminaliteit en niet integer gedrag in de financiële sector, p. 7.
Zie bijlage 11 voor overzicht gepubliceerde convenanten per ultimo 2017.
Art. 4 convenant Belastingdienst – Arbeidsinspectie – SIOD, vastlegging in zogenaamde ‘stuurgroepverslagen’.
Convenant houdende afspraken over de samenwerking in het kader van het Financieel Expertise Centrum (Convenant FEC 2014), Stcrt. 2014, 2351. Voor de aanvullende samenwerking met private partijen.
Informatieprotocol FEC 2014, Stcrt. 2014, 7155 en Addendum bij het Informatieprotocol FEC 2014 inzake de samenwerking op het gebied van bestrijding van terrorismefinanciering, Stcrt. 2015, 18775.
Bijlage B bij Informatieprotocol FEC 2014 - procesbeschrijving (niet openbaar).
Afgesloten door de directeur-generaal van de Belastingdienst (namens de minister van Financiën) en de inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport, dd 27 januari 2012.
Samenwerkingsovereenkomst voor interventieteams, 8 oktober 2003.
Hieraan nemen de AFM, de Belastingdienst, DNB, de FIOD, de Financial Intelligence Unit Nederland, de politie en het OM deel. Daarnaast participeren de ministeries van Financiën en Veiligheid en Justitie als waarnemers.
Financieel Expertise Centrum, Jaarplan 2017, Resultaatgericht samenwerken als één overheid ter bestrijding van financieel economische criminaliteit en niet integer gedrag in de financiële sector, p. 2. Ontleend aan doel en missie van het FEC volgen art. 2 Convenant FEC 2014, Stcrt. 2014, 2351.
Als voorbeelden van gegevensverstrekking door EOS noem ik ACM, AFM, CAK, Curatoren rechtbank, Diverse gemeenten, DUO, Expertisecentrum zorgfraude bestrijding, FIOD, ICOV, IND, Kansspelautoriteit, KVK, Landelijk bureau BIBOB onderdeel van V&J, LIEC/RIEC, LSI, NVWa, Openbaar Ministerie, Politie, RVO, TRACK, UWV en Virispect.
De sfeer voor toepassing van gegevensverstrekking door Infordesk FIOD verschilt. Als voorbeelden van gegevensverstrekking noem ik ACM (Toezicht), ANBI (uitvoering), Belastingdienst (Uitvoering), Bft (Toezicht), BIBOB (Opsporing), BOOM/OMFP (Opsporing), Douane/DIC (Uitvoering), FEC (Toezicht), FIU (toezicht/ opsporing), IGZ-inspectie (Toezicht), ILenT-IOD (Opsporing), IND (toezicht/opsporing), Inspectie SZW (Toezicht), MINVENJ/CJIB (Uitvoering), Nationale recherche (Opsporing), NVWa (Toezicht), Politie/KMAR (toezicht/opsporing), Rijksrecherche (Opsporing), TRACK/Justis (toezicht/opsporing) en UWV (Uitvoering)
Dit past binnen het gewijzigde beveiligingsbeleid van de Belastingdienst ‘bewust risico’s aanvaarden’, aldus Albert van der Meer (lid managementteam Belastingdienst, verantwoordelijk voor beveiliging) in zijn voorwoord Handboek Beveiliging Belastingdienst, Deel A, mei 2011, geraadpleegd via www.tenderned.nl.
Rb. Rotterdam 4 juni 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:3894; zie ook CvBB 22 februari 2017, ECLI:NL:CBB:2017:47.
J. de Zeeuw, Informatieverstrekking door de fiscus. Ontheffing van de fiscale geheimhoudingsplicht in het licht van privacywetgeving, Registratiekamer, december 1999, p. 32.
Aard van de bekendmaking
Naast de hiervoor genoemde ontheffing van de geheimhoudingplicht kan het verstrekken van gegevens ook plaatsvinden op basis van ministeriële regeling (art. 43c Uitv. reg. AWR juncto art. 67 lid 2 letter b AWR).
Ook dan moet het ‘bekendmaken’ noodzakelijk zijn voor een goede vervulling van de publieke taak van een bestuursorgaan.
Wat Onze Minister onder noodzaak verstaat, geeft de parlementaire geschiedenis geen duidelijkheid. Opvallend is wel dat de staatssecretaris van Financiën genuanceerd lijkt te zijn over die noodzaak. De bewindsman geeft in het kader van het verstrekken van toeslaggegevens bijvoorbeeld aan: ‘Als andere bestuursorganen ook over deze gegevens [MS: van de Belastingdienst/Toeslagen] kunnen beschikken, kunnen zij een beter beeld krijgen (…). Daardoor zijn zij beter in staat hun eigen wettelijke taken naar behoren te vervullen en besluiten te nemen in het kader van de integrale toepassing en handhaving van overheidsregelingen.’1 De bewindsman volstaat met het noemen van voorbeelden waarin een samenwerking effectief zou kunnen zijn, zonder de noodzaak aan te geven noch te concretiseren.2 De formulering van de staatssecretaris ‘beter in staat zijn’ wringt met de wettelijke terminologie van ‘noodzakelijk’; zeker als daarmee ook het spreekwoordelijke ‘broodnodig’ onder wordt verstaan. Het is niet duidelijk of de staatssecretaris hiermee een versoepeling op het oog heeft of dat hier sprake is van een onbewuste verspreking. De wettelijke bepaling (ex art. 67 lid 2 letter b AWR) is echter helder: noodzakelijk, dus in aansluiting op de hiervoor genoemde grammaticale interpretatie, ‘onontbeerlijk’ voor de taakuitoefening. Dat sluit aan op de hiervoor behandelde wettelijke verplichting tot bekendmaking (ex art. 67 lid 2 letter a AWR).
Voor het verstrekken van inlichtingen dan wel inzage biedt de Uitvoeringsregeling geen mogelijkheid: die spreekt alleen over het verstrekken van gegevens (art. 43c lid 1 aanhef Uitv. reg. AWR). De staatssecretaris spreekt bij het tot stand komen van de regeling ook alleen over het verstrekken van gegevens.3 Hij spreekt later echter over het verstrekken van informatie. Mogelijk begrijpt de bewindsman hier ook inlichtingen onder.4 In de latere nota van toelichting maakt hij daarentegen wel onderscheid in gegevens en inlichtingen.5 De algemene bepaling in de Uitvoeringsregeling geeft evenwel een duidelijk kader: de ontheffing beperkt zich tot het verstrekken van gegevens (art. 1 aanhef, Uitv. reg. AWR). Dat sluit in elk geval een mondelinge en schriftelijke inlichtingen, evenals een toelichting, uit.
Niet alle convenanten – ter uitvoering van de ministeriële regeling – zijn echter even duidelijk en noemen soms allerlei vormen van ‘samenwerking’.6 Onduidelijkheid en vaagheid over het al dan niet kunnen verstrekken van inlichtingen en inzage komt de transparantie niet ten goede. Hoe valt achteraf nog vast te stellen wat verstrekt is?
De staatssecretaris laat geen onduidelijkheid bestaan over de belangenafweging: de belangen van alle partijen moeten hierin betrokken te worden. Daarover geeft hij bij de totstandkoming van de regeling aan: ‘De gegevensverstrekking moet in overeenstemming zijn met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.’7 Die verantwoordelijkheid ligt dan ook bij de Belastingdienst. De bescherming van persoonsgegevens heeft een eigen kader. ‘De verstrekking door de Belastingdienst van de genoemde gegevens en inlichtingen dient uiteraard te voldoen aan de door de privacyregelgeving gestelde voorwaarden. De Belastingdienst maakt een eigen afweging welke gegevens en inlichtingen dienen te worden verstrekt mede in het licht van het belang dat de afnemer heeft bij de ontvangst van die gegevens en inlichtingen.’, aldus de staatssecretaris.8 Hiermee geeft hij expliciet en duidelijk aan dat het verstrekken van inlichtingen klaarblijkelijk plaatsvindt en dat terwijl de Uitv. Reg. AWR die mogelijkheid niet biedt.
Bij de melding van de persoonsgegevens onder Wbp maakt de Belastingdienst overigens niet duidelijk wat hij precies verstrekt. De Belastingdienst volstaat met het opnemen van de verwerking van persoonsgegevens in het openbare meldingsregister. Naast een algemeen geformuleerde uitgebreide opsomming van gegevens waarover de Belastingdienst beschikt worden alleen de bestuursorganen genoemd aan wie op basis van artikel 43c Uitv. reg. AWR gegevens kunnen worden verstrekt.9 Een verdere toelichting ontbreekt. Het is dus niet bekend wie wat ontvangt. Met invoering van de AVG komt meer openheid over het verwerken van persoonsgegevens (art. 12, 13 en 14 AVG).10 Maar ook dat register geeft geen duidelijkheid wie exact tot de ontvangers behoren en evenmin wat zij ontvangen.11 De Belastingdienst geeft aan dat hij toezichtgegevens – het register ziet alleen op de gegevens met de kwalificatie persoonsgegevens – deelt met onder andere DNB, FIU, AFM, ILT, Woningcorporaties én Toezichthouders. Wie tot die laatste categorie behoren blijft onduidelijk.12
De wettelijk vereiste noodzaak is niet als zodanig opgenomen in de Uitv. reg. AWR. Die noemt alleen de naam van het bestuursorgaan en duidt op een hoog abstractieniveau vaag de gegevens die voor een bepaalde publiekrechtelijke taak worden verstrekt (art. 43c lid 1 Uitv. reg. AWR). Klaarblijkelijk bepaalt de opname in de uitvoeringsregeling de noodzaak tot de goede taakvervulling. Het blijft echter wel de verantwoordelijkheid van de Belastingdienst (medewerker) om de noodzaak te bepalen. Het verstrekken van de gegevens moet immers plaatsvinden in het kader van het publieke belang.13 Daarover moet de verstrekkingsgrond duidelijkheid bieden.
De verstrekkingsgronden van de bekendmaking volgens de ministeriële regeling
De bestuursorganen die in de ministeriële regeling worden genoemd, zijn grotendeels afkomstig uit het VIV 1993.14 Het totstandkomen van die lijst is toentertijd niet met redenen omkleed. In de jaren nadien is de lijst, om met de woorden van de staatssecretaris, ‘aangepast’.15 De lijst is gegroeid tot bijna zestig bepalingen. En ook die wijzigingen zijn niet alle met redenen omkleed. Waarom een bepaald bestuursorganen al dan niet is opgenomen, laat zich slechts raden.
De omschrijving van de gegevens die kunnen worden verstrekt is rijp en groen door elkaar. De omschrijving kenmerkt zich door
vaagheid over de noodzaak,
ongedefinieerd gebruik,
brede variatie in het proces van gegevensverstrekking en
de diversiteit aan loketten.
Dit alles geeft een mistig beeld van de aard en reikwijdte van de verstrekkingsgronden.
Ad 1 Vaagheid over de noodzaak.
De formuleringen over de noodzaak van het verstrekken van gegevens en de belangenafweging zijn niet eenduidig of zelfs in het geheel afwezig.16 De Uitv. reg. AWR beschrijft wel de (mogelijke) toepassing van de gegevens bij de ontvanger zonder daarbij eenduidig het belang dan wel de wijze waarop dit is beoordeeld aan te geven.
Van alle bepalingen (57) is voor het merendeel (39) de term ‘ten behoeve van’ de algemene taakuitoefening van het ontvangende bestuursorgaan gehanteerd.17 Een mogelijk belang wordt in het geheel niet aangegeven.
Bij een geringer aantal bepalingen (12) luidt de formulering dat de gegevens ‘van belang kunnen zijn’ voor de taakuitoefening van het bestuursorgaan.18 Bij een nog geringer aantal bepalingen (6) luidt de formulering ‘van belang zijn’ of ‘worden gebruikt’ of ‘nodig zijn’ voor de taakuitoefening van het bestuursorgaan.19 In vier van de zes situaties moet van tevoren vast staan dat de gegevens worden gebruikt. De mate waarin wordt echter niet aangegeven.20 Voor de overige categorieën blijft dan de vraag op welke wijze de noodzaak kan worden bepaald als het gebruik niet van tevoren is of kan worden vastgesteld.21
Ook is het de vraag wie die noodzaak vaststelt. In de ministeriële regeling is bepaald dat, alvorens de Belastingdienst over kan gaan tot het verstrekken van gegevens (en inlichtingen), de gebruiker daar een verzoek voor moet indienen (art. 3 Uitv. reg. AWR). De Uitv. reg. AWR geeft geen inhoud aan de vorm van het verzoek noch aan de motivering. Het is aannemelijk dat in het verzoek de noodzaak uitdrukkelijk wordt benoemd.
In convenanten ontbreekt evenwel veelal de verplichting tot een verzoek. Het lijkt erop dat sprake kan zijn van spontante uitwisseling van gegevens.22 Voor enkele regelingen is bepaald dat de Belastingdienst een samenwerkingsverband als doorlopend verzoek beschouwt.23 In materiële zin kan dan – voor beide situaties – echter niet meer worden gesproken van een verzoek. Die vorm van gegevensuitwisseling is dan ook niet volgens de ministeriële regeling.
Een individuele toets van de noodzaak wordt in enkele gevallen in een convenant verplicht gesteld. Zo kan volgens het convenant LIEC worden gekozen voor een integrale aanpak – met het uitwisselen van informatie –alleen ‘indien een zwaarwegend algemeen belang hiertoe noodzaakt’.24 Dit laatste criterium impliceert een belangenafweging.25 Ingeval daar sprake van is, kunnen de convenantpartners vervolgens, binnen de wettelijke bepalingen, ‘alle informatie die nodig is om het doel van samenwerking te realiseren’ verstrekken (art. 5.1. Convenant LIEC). Hier lijkt sprake te zijn van een individuele toets. Een eenmalig verzoek met een bevestigde noodzaak opent daarentegen de toegang tot het verstrekken van alle gegevens én inlichtingen. Dan vindt de toets blijkbaar niet meer plaats. Wat dat betreft is geen sprake meer van een individuele toets noch belangenafweging op gegevensniveau.
Uit het overzicht met datakoppelingen is af te leiden dat de Belastingdienst structureel gegevens ‘aanlevert’ op basis van de ministeriële regeling: 13 koppelingen zijn gebaseerd op een niet-wettelijke ontheffing (structurele ontheffing regeling minister van Financiën) voor 32 situaties.26 Eén koppeling kan gegevens verstrekken aan meerdere bestuursorganen. Een afweging van belangen zal zich dan, zo deze al plaatsvindt, beperken tot collectieve afweging bij het tot stand brengen van een koppeling. Bij de bestaande koppeling ligt de noodzaak echter niet altijd voor de hand. Zo verstrekt de Belastingdienst met behulp van gestructureerde bestandskoppelingen (met toepassing van het instrument Systeem Risico Indicatie, SyRI) gegevens voor de risicoanalyses en eventuele voorbereiding van interventies.27 Fishing expeditions zijn niet ondenkbaar.28
In dergelijke vormen van gestructureerd delen van gegevens lijkt de noodzaak niet meer op voorhand vastgesteld te kunnen worden. Het is niet uit te sluiten dat deze voorwaarde is verworden tot een dode letter.
Ad 2 Ongedefinieerd gebruik.
Het gebruik van de gegevens (‘het belang voor de taakuitoefening’) is divers. De gegevensverstrekking kan plaatsvinden in het kader van uitvoeringsfeer (41), het toezicht (17), de handhaving (12) of de opsporing (12). Veelal is sprake van een (mogelijke) toepassing in meerdere sferen.29 Ook wordt handhaving als bijzondere sfeer geduid naast uitvoering, toezicht en opsporing. Een onderscheid dat in de praktijk niet eenduidig is (zie par. 2.2). De vraag die hierbij naar voren komt is hoe de belangenafweging van burgers en bedrijven voor de afzonderlijke sferen plaatsvindt. Dit komt met name naar voren in de brede samenwerking van de Belastingdienst op het terrein van de fraudebestrijding.30 Illustratief zijn het samenwerkingsverbanden met de zogenaamde interventieteams.31 Deze samenwerking vindt plaats ten behoeve van één landelijk dekkende structuur voor de aanpak van zwart werk, illegale arbeid, sociale zekerheidsfraude en fiscale fraude in heel Nederland.32 Hier is sprake van een vermenging van de sferen van uitvoering, toezicht en opsporing (art. 43c lid 1 letter w Uitv. reg. AWR). Van vergelijkbare aard is het verstrekken van gegevens door de Belastingdienst in het kader van het samenwerkingsverband LIEC/ RIEC.33 Dit samenwerkingsverband is gericht op de bestuurlijke aanpak en ondersteuning van de integrale aanpak van de georganiseerde criminaliteit.34 Deze aanpak vindt plaats door ‘naast het strafrechtelijk laten vervolgen van individuele betrokkenen en het ontmantelen van criminele samenwerkingsverbanden ook bestuursrechtelijke interventies en fiscale handhaving aan te wenden om de georganiseerde criminaliteit te bestrijden’.35 Ook daar vindt een vermenging plaats van sferen (art. 43c lid 1 letter m Uitv. reg. AWR).
In dit verband is het ook uiterst opmerkelijk te noemen dat de Uitv. reg. AWR voor het verstrekken van gegevens in FEC-verband verwijst naar het convenant. Daarmee ligt de inhoud van de bekendmaking niet langer op het niveau van Onze Minister maar in de uitvoerende sfeer van de FEC-deelnemers (art. 43c lid 1 letter u Uitv. Reg. AWR). In feite is hier sprake van een open norm: de uitvoerende bestuursorganen kunnen in onderling overleg de gegevensverstrekking bepalen. Met daarbij de toevoeging dat daarin ook nog eens wordt verwezen naar een niet-openbare bijlage – hetgeen niet valt onder het begrip ‘law’ in de zin van art. 8 lid 2 EVRM – waarmee de gegevensverstrekking op z’n zachtst gezegd een heimelijk karakter krijgt.36
Ad 3 Brede variatie in het proces van gegevensverstrekking.
De ministeriële regeling geeft geen invulling aan het proces van gegevensverstrekking. Dit kan zijn uitgewerkt in convenanten of andere samenwerkingsregelingen.37 Dit is slechts voor 14 regelingen het geval.38 Voor de overige is dit niet uitgewerkt. Op welke wijze die processen plaatsvinden is dan ook niet duidelijk. Maar dat geldt ook voor de processen die wel zijn uitgewerkt in de convenanten. Dit kan zijn gelegen in de beperkte uitwerking in het convenant dan wel omdat er werkafspraken buiten het convenant om zijn gemaakt.39 De inhoud van die werkafspraken is evenwel onbekend.
De samenwerkingsovereenkomsten of convenanten geven niet op gelijke wijze invulling aan de ministeriële regeling. De convenanten sluiten namelijk niet altijd aan op de ministeriële regeling. Als voorbeeld noem ik de actieve rol die de Belastingdienst vervult in het (desgevraagd en spontaan) verstrekken van gegevens en inlichtingen aan de deelnemende FEC-partners.40 Dit gebeurt aan de hand van zogenaamde signalen.41
Ook heeft de Belastingdienst een samenwerking voor het toezicht op fiscale risico’s waarvoor de dienst proactief signalen uitwisselt met AFM en DNB.42 En dat terwijl de Uitv. reg. AWR expliciet bepaalt dat gegevens op verzoek worden verstrekt (art. 2 Uitv. reg. AWR).
Daarbij komt dat de convenanten niet eenduidig zijn in vorm noch inhoud. In de convenanten wordt bijvoorbeeld niet altijd eenduidig het doel voor de gegevensverstrekking aangegeven net zomin als de omschrijving van de gegevens zelf.43 De convenanten kunnen ook de mogelijkheid bieden om nadere afspraken te maken over gegevens die, zoals te zien is bij het convenant met de arbeidsinspectie, buiten het convenant om worden vastgelegd.44 Als voorbeeld noem ik verder de samenwerking van de FEC-partners. De manier waarop deze partners samenwerken en met elkaar informatie uitwisselen is vastgelegd in het convenant45 met daaraan toegevoegd een informatieprotocol.46 De procesbeschrijving is opgenomen in een bijlage en die is niet openbaar.47
Ook noem ik nog de aanwezigheid van kaderovereenkomsten. Die worden soms uitgewerkt in deelovereenkomsten. Als voorbeeld noem ik de Kaderovereenkomst inzake de samenwerking tussen het ministerie van Infrastructuur en Milieu en het (directoraat-generaal Belastingdienst van het) Ministerie van Financiën.48 Ook die kaderovereenkomsten zijn niet altijd openbaar.
Van transparantie en eenduidigheid in de gegevensverstrekking is derhalve in de uitvoeringsregeling en de convenanten veelal geen sprake.
Ad 4 Diversiteit aan loketten.
In de Uitv. reg. AWR kan het zogenaamde loket zijn opgenomen. Voorbeelden hiervan zijn het loket van de landelijke Stuurgroep Interventieteams (LSI) (ex art. 43c lid 1 letter w Uitv. reg. AWR)49 en het Financieel expertise Centrum (FEC) (ex art. 43c lid 1 letter u Uitv. Reg. AWR).50
Het FEC neemt hierin als multilateraal informatieloket een bijzondere plaats in. Dat samenwerkingsverband is enkel en alleen gericht op het uitwisselen van informatie (o.a. ex art. 43c lid 1 letter u Uitv. Reg. AWR).51
Het is ook mogelijk dat de wijze van gegevensverstrekking is toegewezen aan een samenwerkingsverband waarvoor een onderliggend convenant vervolgens invulling geeft aan het proces van de gegevensverstrekking inclusief het informatie loket. Een dergelijke verstrekking vindt voornamelijk plaats door – tussenkomst – van de informatiepunten voor de Externe Overheidssamenwerking (EOS): het LIEC/RIEC is hier van een voorbeeld (art. 43c lid 1 letter m Uitv. reg. AWR).
De concretiseringen van het loket van zowel het FEC als het LIEC/RIEC zijn uitzonderlijk te noemen.52 Veelal beperkt de regeling zich tot de mogelijkheid om gegevens te verstrekken en biedt het een algemene ontheffing voor al degenen die al dan niet projectmatig met een verzoek worden belast (art. 2 Uitv. reg. AWR). Dat sluit dus niemand uit. Voor massale gegevensverstrekking kan B/CAP als leverancier optreden en voor individuele vragen kan de Infodesk (vanuit de FIOD) als loket optreden.53 Ook is het een individuele belastingambtenaar niet verboden om op basis van een verzoek zelfstandig gebruik te maken van de ontheffingsregeling.54 Ook hij kan dus gegevens verstrekken. Met directe contacten en korte lijnen streeft de Belastingdienst naar ‘snelle en zorgvuldige uitwisseling van informatie’.55 En gegeven de omstandigheid dat elke medewerker van de Belastingdienst uitvoering kan geven aan de ministeriële regeling, geeft dit ruimte voor een grote diversiteit in de processen van gegevensverstrekking. Onnodig op te merken dat dit de transparantie en belangenafweging niet ten goede komt.
Belangenafweging bij de bekendmaking volgens de ministeriële regeling
De Uitv. reg. AWR biedt met een breed scala aan variëteit in formuleringen en onduidelijke grondslagen voor het verstrekken van gegevens. Grondslagen die zelfs voor de Belastingdienst niet altijd eenduidig blijken te zijn.56 Hoewel art. 67 lid 2 letter b AWR als voorwaarde stelt dat de gegevensverstrekking noodzakelijk moet zijn voor het uitoefenen van de publieke taak, blijkt dat niet uit de ministeriële regeling. Ook zijn de convenanten niet altijd eenduidig. Invulling van de grondslag kan soms zelfs door de Belastingdienst in overleg met de uitvoerende bestuursorganen later nog plaatsvinden. De staatssecretaris gaf aan met de uitvoeringsregeling transparanter te willen zijn en een verbeterde rechtsbescherming te willen bieden. Wat schetst mijn verbazing: de Uitv. reg. AWR biedt een dusdanig brede en soms vage grondslag voor het verstrekken van gegevens dat van transparantie vrijwel in het geheel geen sprake is. En dat terwijl eind vorige eeuw het motto was: meer informatie voor de burgers [MS: en bedrijven] over het verstrekken van informatie aan andere bestuursorganen.57 Ook de mate waarin de belangen van burgers en bedrijven worden gewogen blijft onbeantwoord. Van een adequate rechtsbescherming kan derhalve niet worden gesproken.