Einde inhoudsopgave
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/4.3.3.2
4.3.3.2 Belasting niet binnen de gestelde termijn betalen
Dr. C. Hofman, datum 01-04-2021
- Datum
01-04-2021
- Auteur
Dr. C. Hofman
- JCDI
JCDI:ADS270028:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Op grond van art. 19 lid 1 (tijdvakbelasting) en lid 3 (tijdstipbelasting) AWR geldt een betaaltermijn van een maand. De AWR voorziet voor bepaalde gevallen in de mogelijkheid van uitstel van betaling. Bekendste voorbeeld is dat van art. 19 lid 4 AWR, waarin staat dat als voor het doen van aangifte uitstel is verleend, de in het eerste en derde lid genoemde betaaltermijn van één maand met de duur van dit uitstel wordt verlengd. In § 9 BBBB is de dag van betaling geregeld. Voor betalingen wordt aangesloten bij het civielrechtelijke uitgangspunt dat een betaling wordt geacht te hebben plaatsgevonden op het tijdstip waarop het verschuldigde bedrag op de rekening van de crediteur is bijgeschreven. Voor de aanslagbelastingen geldt dat in art. 9 lid 1 IW staat dat een belastingaanslag invorderbaar is zes weken na dagtekening van het aanslagbiljet. Art. 9 lid 2 IW geeft twee bijzondere termijnen; voor de navorderingsaanslag geldt een termijn van een maand en voor de naheffingsaanslag geldt een termijn van twee weken. Bij aangiftebelastingen hangen de aangifte en de betaling nauw samen, maar zij vormen afzonderlijke verplichtingen. Voor de termijn van het doen van aangifte en voor die van betalen zijn in de wet afzonderlijke bepalingen opgenomen. Voor de Belastingdienst is het – ter voorkoming van administratieve problemen – wel van belang dat de termijnen zo veel mogelijk bij elkaar aansluiten.
In art. 67c AWR gaat het bijvoorbeeld slechts om het verzuim bestaande uit de omstandigheid dat men de verschuldigde belasting niet volledig heeft voldaan binnen de in art. 19 AWR bedoelde termijn van een maand, aldus Kamerstukken II 1993/1994, 23 470, nr. 3, p. 42.
Als na afloop van de betalingstermijn blijkt dat er geen of te weinig belasting is betaald, dan moet het ontbrekende bedrag alsnog betaald worden.1 Net als bij het te laat en niet doen van aangifte, is het lastig onderscheid te maken tussen niet betalen en te laat betalen.2 Het niet tijdig betalen draagt niet bij aan een vlot verloop van het heffingsproces, maar gaat het te ver om te zeggen dat de fiscale waarheidsvinding door deze gedraging wordt gefrustreerd. Met andere woorden: niet alleen de betaalverplichting op zich, maar ook het te laat betalen wordt niet als fiscale fraude beschouwd.