Einde inhoudsopgave
Omzetting van rechtspersonen (FM nr. 129) 2008/5.4.3.5
5.4.3.5 Vermogenstoename bij het voormalige lid/thans aandeelhouder door ontstaan of wijziging deelgerechtigdheid
Dr. J.L. van de Streek, datum 01-09-2008
- Datum
01-09-2008
- Auteur
Dr. J.L. van de Streek
- JCDI
JCDI:ADS501288:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Vennootschapsbelasting (V)
Vennootschapsbelasting / Omzettingsregeling
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vergelijk A.C. Rijkers, ‘Fiscale aspecten van de omzetting van een stichting in een BV’, S&V 1993, p. 160.
Mogelijk is hier zelfs geen standaardvoorwaarde voor nodig omdat verdedigbaar is dat reeds op grond van goed koopmansgebruik de kostprijs van de aandelen kan worden gesteld op de boekwaarde van het vervallen lidmaatschapsrecht (zie par. 5.3.2.2).
Zie de aantekening in V-N 2004/30.15 op het Besluit Staatssecretaris van Financiën van 27 mei 2004, nr. CPP2004/112M.
Zoals reeds opgemerkt in paragraaf 5.3.2.7 hiervóór, is het mogelijk dat een lid pas als aandeelhouder wordt gerechtigd tot het vermogen van de in een BV omgezette coöperatie. De staatssecretaris stelt zich blijkens onderdeel 3b van het Besluit van 9 maart 2006, nr. CPP2005/2571M, BNB 2006/146 op het standpunt dat een eventuele aldus bij de aandeelhouder ontstane vermogenstoename in de heffing dient te worden betrokken als winst uit onderneming, loon, resultaat uit een werkzaamheid dan wel als schenking. In paragraaf 5.3.2.7 heb ik dit rijtje aangevuld met inkomen uit aanmerkelijk belang en inkomen uit sparen en beleggen en heb ik tevens aangegeven dat situaties waarin de vermogenstoename in de heffing van loonbelasting dan wel in de heffing van het schenkingsrecht wordt betrokken, uitermate moeilijk voorstelbaar zijn.
Ik concentreer mij hier op de situatie waarin de vermogenstoename in de heffing kan worden betrokken als winst uit onderneming, resultaat uit overige werkzaamheden of als inkomen uit aanmerkelijk belang. In alledrie de situaties bestaat behoefte aan fiscale begeleiding. Het lijkt er echter op dat acute belastingheffing over de vermogenstoename het geldende beleid is en de staatssecretaris niet bereid is in een tegemoetkoming te voorzien. Iets soortgelijks geldt met betrekking tot een zich bij de omzetting van een stichting in een BV manifesterende vermogenstoename (zie par. 4.3.4.5 hiervóór). Evenals bij de omzetting van een stichting in een BV moet de reden daarvoor worden gezocht in het ontbreken van een wettelijke basis om te voorzien in een vorm van fiscale begeleiding. De belastingheffing over de vermogenstoename spruit namelijk niet voort uit art. 28a Wet VPB 1969, in het bijzonder niet uit de uitkeringsfictie van art. 28a lid 1 onderdeel b Wet VPB 1969 (zie par. 5.3.2.7 hiervóór), zodat deze belastingheffing ook niet achterwege kan worden gelaten door middel van een verzoek op de voet van art. 28a lid 3 Wet VPB 1969.
Wat daarvan ook zij, het zou mijns inziens de Staatssecretaris van Financiën sieren als hij zou voorzien – onder door hem te stellen voorwaarden – in een vorm van fiscale begeleiding.1 In de winst- en resultaatsfeer kan de belastingheffing over de vermogenstoename mijns inziens eenvoudig worden uitgesteld door de kostprijs van de verkregen aandelen conform standaardvoorwaarde 5 te stellen op de boekwaarde van het vervallen lidmaatschap.2 Op deze wijze treedt geen claimverlies op. Iets soortgelijks geldt met betrekking tot de vermogenstoename die zich voordoet bij een ‘switch’ van een ‘stemrecht-aanmerkelijkbelang’ in een coöperatie ex art. 4.6 onderdeel d Wet VPB 1969 naar een ‘gewoon’ aanmerkelijk belang in een BV. De redactie van Vakstudie Nieuws gaat in haar aantekening op een voorloper van het Besluit van 9 maart 2006, nr. CPP2005/2571M, BNB 2006/146 ervan uit dat in het kader van een geruisloze omzetting de verkrijgingsprijs van het stemrecht-aanmerkelijkbelang in de coöperatie wordt doorgeschoven naar het ‘gewone’ aanmerkelijk belang in de BV. Zij betoogt:3
‘De naar ons oordeel enigszins cryptische omschrijving in onderdeel 5 dat een eventuele vermogenstoename die het gevolg is van de omzetting, in de heffing dient te worden betrokken hetzij als winst uit onderneming, hetzij als loon, hetzij als resultaat uit een werkzaamheid, dan wel als schenking, is in deze herziene versie van het besluit blijven staan. Wij nemen in elk geval aan dat zich geen dubbele belastingheffing zal voordoen als een samenloop optreedt met de aanmerkelijkbelangheffing en voor de aanmerkelijkbelangregeling de verkrijgingsprijs eenvoudig kan worden doorgeschoven. Dit is bijvoorbeeld het geval als een coöperatie wordt omgezet in een BV. Via het stemrechtcriterium van art. 4.6, onderdeel d, Wet IB 2001 is het namelijk mogelijk dat een lid in een coöperatie vóór de omzetting reeds een aanmerkelijk belang heeft in de coöperatie, terwijl dat lid (nog) niet gerechtigd is tot het vermogen van de coöperatie. Door de omzetting van de coöperatie in de BV neemt het vermogen van dat lid/aandeelhouder in economische zin toe. Hoewel strikt genomen kan worden beargumenteerd dat sprake is van een vermogenstoename, is er naar onze mening echter geen reden tot belastingheffing, want het lid/aandeelhouder ontvangt niets (hij wordt niet verrijkt) en blijft ook een aanmerkelijk belang behouden.’
Ik vrees dat de Staatssecretaris van Financiën niet bereid is te voorzien in de door de redactie van Vakstudie Nieuws geopperde doorschuiving in de sfeer van het aanmerkelijk belang. Uit het feit dat de Staatssecretaris van Financiën in Besluit van 9 maart 2006, nr. CPP2005/2571M, BNB 2006/146 achterwege laat te vermelden dat de vermogenstoename in de heffing kan worden betrokken als inkomen uit aanmerkelijk belang, kan mijns inziens overigens ook niet worden afgeleid dat hij bereid zou zijn om de aanmerkelijkbelangclaim door te schuiven. Het onvermeld laten van de mogelijkheid dat de vermogenstoename in de heffing kan worden betrokken als inkomen uit aanmerkelijk belang, lijkt veeleer een omissie (zie par. 5.3.2.7 hiervóór).