Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/4.3.4.1
4.3.4.1 Inleiding
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS701954:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Nicolaï, RMThemis 1981/6, p. 521; De Poorter & Van Soest-Ahlers 2008, p. 90.
Naar de letter heeft art. 3:50 Awb uitsluitend betrekking op adviseurs die bij ‘wettelijk voorschrift’ zijn benoemd. (Nadeelcompensatie)adviseurs die zijn benoemd krachtens een beleidsregel of procedureverordening vallen wetstechnisch dus niet onder het bereik van art. 3:50 Awb (zie ook ABRvS 14 april 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO7460). Dat betekent mijns inziens niet dat voor het afwijken van dergelijke adviezen minder strenge motiveringseisen gelden. De aard en strekking van art. 3:50 Awb is toch vooral om interne ambtelijke adviezen buiten het bereik van het artikel te houden (Kamerstukken II 1988-89, 21221, 3, p. 112-113). Gelet op de status en werking van gepubliceerde nadeelcompensatieregelingen acht ik art. 3:50 Awb van overeenkomstige toepassing op adviezen die op grond van dergelijke regelingen worden ingewonnen (zie ook § 2.3.2).
In de praktijk verwacht de rechter veelal een contra-expertise (ABRvS 6 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ3393, Gst. 2013/78 (Loppersum); Rb. Midden-Nederland 16 januari 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:5050).
In deze subparagraaf verschaf ik inzicht in de invloed van het planschade- en nadeelcompensatieadvies op het besluit van het bevoegd gezag. Dat doe ik door rechtbankuitspraken te analyseren waaruit naar voren komt of het bevoegd gezag het deskundigenadvies al dan niet aan het besluit ten grondslag heeft gelegd. Omwille van de vele rechtbankuitspraken die jaarlijks worden gedaan op het gebied van planschade en nadeelcompensatie beperk ik mij – net als in hoofdstuk 3 – tot planschadezaken. Gelet op de grote gelijkenis in de wijze waarop adviseurs in nadeelcompensatiezaken worden benoemd alsmede de wijze waarop hun advies tot stand komt, is de aanname gerechtvaardigd dat de bevindingen met betrekking tot planschade representatief zijn voor overige situaties van nadeelcompensatie.
In het kader van de jurisprudentieanalyse in het onteigeningsrecht wees ik op twee verschijnselen die eraan (kunnen) bijdragen dat de invloed van een deskundigenadvies op het oordeel van de rechter of het bestuursorgaan groot is. In de eerste plaats noemde ik de kennisparadox en in de tweede plaats de gezagsvooringenomenheid. Die twee verschijnselen zijn opnieuw relevant. Kortheidshalve volsta ik met een verwijzing naar hetgeen ik daar in § 4.2.4.1 over heb opgemerkt.
Specifiek voor het bestuursrecht komt daar nog bij dat het bevoegd gezag in beginsel van een met het oog op een zorgvuldige besluitvorming ingewonnen deskundigenadvies mag uitgaan, tenzij hieraan gebreken kleven of er concrete aanknopingspunten voor twijfel naar voren zijn gebracht (uitgebreid § 4.3.4.7). Het uitgangspunt is dus dat het advies aan de besluitvorming ten grondslag mag worden gelegd. Het bevoegd gezag mag dan ook niet ‘zo maar’ afwijken van het deskundigenadvies.1 Voor krachtens wettelijk voorschrift ingewonnen adviezen heeft de Awb-wetgever dat geëxpliciteerd in art. 3:50 Awb.2 Aan het afwijken van een wettelijk advies zal een deugdelijke motivering ten grondslag moeten liggen.3 Ook dit is een aspect dat de ‘volgzaamheid’ van het bestuursorgaan ten aanzien van het deskundigenadvies beïnvloedt.