De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/6.4.7:6.4.7 Rol van de leraar
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/6.4.7
6.4.7 Rol van de leraar
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949634:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 7.1a.1 van de Web.
Artikel 7.1a.1, tweede lid, van de Web.
Artikel 7.4.6, tweede lid, van de Web.
Artikel 4.1a.1, tweede lid, van de Web.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de Web wordt de leraar ook wel aangeduid als ‘docent’.1Om zijn rol te kunnen bepalen moet onderscheid gemaakt worden tussen de instellingsexamens, centrale examens en de beroepspraktijkvorming. De instellingsexamens zijn grotendeels een aangelegenheid van het bevoegd gezag. Wel moet het bevoegd gezag hierbij voldoen aan de examenstandaarden. De instellingsexamens worden formeel niet afgenomen en beoordeeld door de leraar, maar door de examencommissie. In de praktijk wordt deze taak in mandaat uitgeoefend door de leraar. De leraar handelt in dat geval namens de examencommissie. De examencommissie blijft verantwoordelijk en behoudt zeggenschap over de wijze waarop de examens worden beoordeeld. Zo nodig kan de examencommissie ervoor kiezen om een andere beoordeling toe te kennen aan het examen. De examencommissie kan de autonomie van de leraar dan ook beperken. De zelfstandige verantwoordelijkheid die de leraar toekomt bij het beoordelen van onderwijsprestaties is bij de examens beperkt.2 Aangezien, zoals toegelicht in § 4.8.3, de examencommissie functioneel onafhankelijk is van het bevoegd gezag, kunnen de tussen het bevoegd gezag en de leraar gemaakte afspraken in het professioneel statuut hier geen verandering in brengen. Het voorgaande geldt ook voor de centrale examens, met dien verstande dat die examens worden opgesteld door het CvTE. Daarnaast moet de leraar het examenprotocol en beoordelingsmodel van het CvTE in acht nemen bij het beoordelen van dit examen.
De uitslag van het examen, dat bestaat uit het instellings- en centraal examen, wordt vastgesteld door de examencommissie. Bij de vaststelling van de uitslag van het examen heeft de examencommissie, net als het bevoegd gezag in het voortgezet onderwijs, beperkte beoordelingsruimte. De uitslag dient immers vastgesteld te worden aan de hand van de waardering die is gegeven bij het instellings- en centraal examen. De vaststelling van de uitslag van het examen is dan ook een gebonden bevoegdheid, zie hiervoor uitgebreider § 6.5.6.1. Naast het centraal en instellingsexamen is voor de afsluiting van het beroepsonderwijs ook de beroepspraktijkvorming van belang. Zonder dit met een positieve beoordeling te voltooien komt de student immers niet voor het diploma in aanmerking.3 Deze beoordeling wordt uitgevoerd door het bevoegd gezag, hij betrekt daarbij het oordeel van het betreffende bedrijf.4 Aangenomen kan worden dat deze beoordeling in de praktijk wordt uitgevoerd door de leraar. Aan hem komt immers een zelfstandige verantwoordelijkheid toe voor het beoordelen van de onderwijsprestaties van de leerling.5