De civiele zitting centraal: informeren, afstemmen en schikken
Einde inhoudsopgave
De civiele zitting centraal: informeren, afstemmen en schikken (BPP nr. VIII) 2010/3.7.1:3.7.1 Hoe begint de rechter?
De civiele zitting centraal: informeren, afstemmen en schikken (BPP nr. VIII) 2010/3.7.1
3.7.1 Hoe begint de rechter?
Documentgegevens:
Janneke van der Linden, datum 14-04-2010
- Datum
14-04-2010
- Auteur
Janneke van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS365419:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij het beproeven van een schikking is van een aantal mogelijke interventies onderzocht hoe frequent deze voorkomen in de huidige zittingspraktijk. Zo is ten eerste geobserveerd of de rechter met partijen bespreekt welke voordelen een schikking voor hen zou kunnen hebben (tabel 29).
De rechter ...
Abs
%
vraagt partijen welke voordelen een regeling zou kunnen hebben
4
2.7
noemt de voordelen van een regeling op en checkt dit bij partijen
21
14.0
noemt de voordelen van een regeling op en checkt dit niet bij partijen
52
34.7
zegt niets over de voordelen van een regeling
73
48.7
Totaal
150
100.0
In de tabel valt allereerst op, dat de rechter in nog geen 3% van de zittingen aan partijen vraagt wat voor hen de voordelen van een schikking zouden kunnen zijn. In 34.7% van de zittingen noemt de rechter de voordelen op, maar gaat daarbij niet na of partijen deze voordelen ook zo zien. Het lijkt erop dat deze rechters minder zicht hebben op de werkelijke belangen van partijen. Het risico daarvan kan goed geillustreerd worden door de opmerking die door drie advocaten tijdens de interviews naar voren is gebracht dat het niet handig is dat de rechter sterk benadrukt dat met een schikking verdere proceskosten voorkomen kunnen worden, terwijl de cliënt een rechtsbijstandsverzekering heeft.1 In bijna de helft van de zittingen (48.7%) komen de voordelen van een regeling uberhaupt niet aan de orde. Hierbij moet opgemerkt worden, dat deze rechters mogelijk wel aan partijen vragen of zij bereid zijn over een schikking te praten. Dit laatste is niet gemeten tijdens het onderzoek, maar de algemene indruk van de onderzoekers is dat dit niet vaak gevraagd wordt.2 Het is raadzaam dit bij toekomstig onderzoek wel te meten.
Op de tweede plaats is onderzocht hoe vaak één of beide partijen (of advocaten) de rechter verzoekt een voorlopig oordeel te geven. Dat blijkt in slechts 6.7% van de zittingen het geval. Tijdens 23 zittingen (15.3%) informeert de rechter uit zichzelf of partijen behoefte hebben aan een voorlopig oordeel. Ook is onderzocht of tijdens de zitting duidelijk wordt of partijen al dan niet een voorlopig oordeel willen, los van de vraag of de rechter al dan niet een voorlopig oordeel geeft (tabel 30). Dat blijkt in slechts 12% van de onderzochte zaken bij beide partijen duidelijk te zijn (de bovenste drie rijen van de tabel). In 2.7% van de zaken is dit bij één partij niet duidelijk en in 85.3% van de zaken is dit bij beide partijen onduidelijk. Dit laatste is opvallend, zeker gezien het feit dat een groot deel van deze laatste groep rechters vervolgens wel een voorlopig oordeel aan partijen geeft. Bij in totaal 84 zittingen (56%) geeft de rechter namelijk een voorlopig oordeel, terwijl niet duidelijk is of de aanwezigen dit willen. Mogelijk zouden zij liever (eerst) op een andere basis willen onderhandelen of een ander type interventie van de rechter willen zien, zoals het begeleiden van een gesprek over een schikking.
Abs
%
Beide partijen
15
10.0
Eén van de partijen. De ander geeft aan dit niet te willen
2
1.3
Beide partijen geven aan dat niet te willen
1
0.7
Eén van de partijen. Of de ander dit ook wil, is niet duidelijk
4
2.7
Bij geen van de partijen is duidelijk of zij dit willen
128
85.3
Totaal
150
100.0