Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW
Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/5.8.8.7:5.8.8.7 Dwingende volgorde: ook eerst de 403-verklaring intrekken?
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/5.8.8.7
5.8.8.7 Dwingende volgorde: ook eerst de 403-verklaring intrekken?
Documentgegevens:
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648825:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hof Amsterdam 9 december 2015, JOR 2016/7.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ten aanzien van de vraag of de beëindigingsprocedure reeds kan worden gestart voordat de 403-verklaring is ingetrokken, geldt eveneens dat de wet daar niet duidelijk over is.
Betoogd kan worden dat sprake is van overblijvende aansprakelijkheid nadat de 403-verklaring is ingetrokken. Er moet overblijvende aansprakelijkheid bestaan om deze te kunnen beëindigen maar moet deze ook al reeds bestaan op het tijdstip waarop het voornemen om toekomstige overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen, wordt gedeponeerd?
Wanneer het mogelijk zou zijn om, vooruitlopend op de intrekking van de 403-verklaring, een voornemen tot beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid te kunnen deponeren (en de verzetstermijn te laten aanvangen) dan zou de verzetregeling deels worden ondermijnd. Wordt bijvoorbeeld twee maanden vóór het intrekken van de 403-verklaring het voornemen tot beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid gedeponeerd, dan hebben schuldeisers die in de laatste twee maanden een vordering op de vrijgestelde rechtspersoon verkrijgen die voortvloeit uit een rechtshandeling, minder dan twee maanden de tijd om tegen de beëindiging van de aansprakelijkheid van die betreffende vordering in verzet te komen. Wordt de 403-verklaring nog later ingetrokken (bijvoorbeeld omdat de intrekking wordt vergeten of anderszins is vertraagd) dan valt een deel van de vorderingen mogelijk zelfs buiten de verzetperiode.
In dit kader zij erop gewezen dat de overblijvende aansprakelijkheid alle vorderingen omvat die kunnen opkomen tot het moment van beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid, voor zover die vorderingen voortvloeien uit rechtshandelingen die zijn verricht voor de intrekking van de 403-verklaring. Zie in dit verband Bartman, in zijn noot onder de uitspraak van het Hof Amsterdam, 9 december 2015:1
“Terzijde: met deze beëindigingsaankondiging wekken SNS REAAL en SNS Bank de suggestie alsof gedurende de verzettermijn van twee maanden – in casu de maanden januari en februari 2014 – geen nieuwe overblijvende aansprakelijkheid kan ontstaan. Dat is echter onjuist. In die periode opkomende termijnverplichtingen die voortvloeien uit voordien door de dochter verrichte, “gedekte” rechtshandelingen worden eveneens gerekend onder de overblijvende aansprakelijkheid. Dat geldt zelfs voor dergelijke verplichtingen tegenover degene die verzet tegen het de beëindigingsvoornemen heeft aangetekend, welke opkomen buiten de verzettermijn maar tijdens de verzetprocedure. In alle gevallen betreft het immers “schulden die voortvloeien uit rechtshandelingen welke zijn verricht voordat jegens de schuldeiser een beroep op de intrekking kan worden gedaan”, in de zin van art. 2:404 lid 2 BW. Zoals de formule luidt: OA = P + TK + V. Oftewel, de overblijvende aansprakelijkheid bestaat uit de aansprakelijkheid ontstaan gedurende de tijd van publicatie van de 403-verklaring, plus die als gevolg van haar eventuele terugwerkende kracht, plus die ontstaan gedurende de verzetperiode. Ik verwijs in dit verband naar mijn noot bij Hof Amsterdam, 23 juli 2014, «JOR» 2014/233 (Van Lieshout Beleggingen/Koks).”