Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/1.6.3
1.6.3 Onwaardigheid van rechtswege?
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859136:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Bijv. Asser/Perrick 1996, p. 18, Diephuis 1886, p. 59-60, Klaassen/Eggens & Polak 1956, p. 163, Klaassen-Eggens/Luijten 1989, p. 16, Land 1902, p. 25 en Opzoomer 1850, p. 150.
Zie uitgebreid over deze discussie Van der Kemp 1870, p. 26-33. Samenvattend merk ik over deze discussie nog op dat Asser/Meijers 1915, p. 25, Asser-Meijers/Van der Ploeg 1967, p. 17, Asser/Perrick 1996, p. 18, Diephuis 1847, p. 263-265, Diephuis 1886, p. 58-63, Van der Kemp 1870, p. 26-33, Klaassen-Eggens/Luijten 1989, p. 16, Land 1902, p. 25-26, Pitlo & Veegens 1941, p. 362, Pitlo/Van den Burght 1981 p. 28 en Suijling & Dubois 1931, p. 36 menen dat onwaardigheid van rechtswege werkt. Opzoomer 1850, p. 150-152 en De Pinto/Teixeira de Mattos 1885, p. 360 achten een onwaardigverklaring door de rechter noodzakelijk. Diephuis 1886, p. 58 (voetnoot 3) vermeldt nog diverse auteurs die eveneens een onwaardigverklaring als vereiste zien.
Volgens Diephuis 1847, p. 263-264, Diephuis 1886, p. 58, Van der Kemp 1870, p. 26 en Opzoomer 1850, p. 150 nemen de meeste schrijvers aan dat een onwaardigverklaring nodig is. Pitlo & Veegens 1941, p. 362, noemt de tegenwoordig heersende leer van rechtswege. Het omslagpunt lijkt derhalve rond 1941 te liggen. Nadien wordt in de literatuur als heersende mening gehuldigd dat onwaardigheid van rechtswege werkt. Zie bijv. Bast 1956, p. 256 en Klaassen/Eggens & Polak 1956, p. 164.
Rb. Roermond 3 maart 1949, NJ 1949/700.
De vraag of onwaardigheid van rechtswege werkt of eerst intreedt door een onwaardigverklaring door de rechter heeft de nodige pennen in beweging gekregen. Verschillende argumenten passeren daarbij de revue, waaronder de tekst van artikel 885 en 887 OBW. De woorden als zoodanig van de erfenis uitgesloten uit artikel 885 OBW worden gebruikt ter onderbouwing van het standpunt dat onwaardigheid van rechtswege werkt, terwijl de woorden onwaardig verklaarden uit artikel 887 OBW zouden pleiten voor een onwaardigverklaring.1
Het belang deze discussie tot in detail te bespreken ontbreekt, nu artikel 4:3 BW expliciet bepaalt dat onwaardigheid van rechtswege werkt.2 Wel is het vermelden waard dat in de loop der jaren een verschuiving in de heersende opvatting heeft plaatsgevonden van de noodzakelijkheid van een onwaardigverklaring naar onwaardigheid van rechtswege.3 In 1949, toen de omslag reeds had plaatsgevonden, heeft de Rechtbank Roermond in overeenstemming met de heersende leer geoordeeld dat onwaardigheid van rechtswege werkt.4