Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/6.2.2
6.2.2 Juridische fusie
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648840:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Het ‘verdwijnen’ wordt gezien als een rechtsfiguur naar eigen aard. Deze verdwijning staat naast bijvoorbeeld de rechtsfiguur ontbinding. Maeijer Bundel NV en BV, p. IXb-artikel 309-1 e.v.
Artikel 2:94a BW, 2:94b BW, 2:204a BW en 2:204b BW zijn dan ook niet van toepassing.
Volgens de bedoeling van de wetgever worden er bij de fusie weliswaar nieuwe aandelen verkregen, maar is geen sprake van uitgifte. Maeijer Bundel NV en BV, p. IXb-artikel 309-1.
Op de hoofdregel dat de aandeelhouders van de verdwijnende vennootschappen door de fusie aandeelhouder worden van de verkrijgende vennootschap bestaan krachtens de wet een aantal uitzonderingen. De uitzonderingssituaties zijn: verval van aandelen (artikel 2:325 lid 4 BW jo. artikel 2:333 lid 1 BW, zie ook artikel 2:310 lid 4 BW jo. artikel 2:333 lid 3 BW), zusterfusie (artikel 2:334 BW), driehoeksfusie (artikel 2:311 lid 2 BW) en ten slotte kan het zijn dat de ruilverhouding zodanig is dat aandeelhouders van de verdwijnende vennootschap geen recht hebben op een aandeel in de verkrijgende vennootschap (artikel 2:311 lid 2 BW en zie ook artikel 2:325 lid 2 BW).
De eis dat tegenover de toe te kennen aandelen voldoende vermogen staat, is dan namelijk niet van toepassing. Het saldo dat overgaat kan dan negatief zijn. Zie Zaman 2003, p. 250.
Op 15 maart 2011 heeft de Eerste Kamer wetsvoorstel 32458 aangenomen. De wijzigingen brengen een versoepeling van de fusieprocedure teweeg. Dit ten koste van de te beschermen schuldeisers. Het tijdstip waarop dit wetsvoorstel in werking zal treden is nog niet bekend.
Het voorstel tot fusie is een ontwerpbesluit van het bestuur waarover de algemene vergadering zich dient uit te spreken, zonder dat het geamendeerd kan worden. Zie artikel 2:312 BW en artikel 2:326 BW.
Zie artikel 2:313 BW en artikel 2:327 BW.
Zie artikel 2:328 BW; een accountant, zoals bedoeld in artikel 2:393 lid 1 BW, moet het voorstel tot fusie onderzoeken, twee verklaringen afleggen en een verslag opstellen. De twee verklaringen behelzen een verklaring inzake de ruilverhouding en een verklaring inzake de kapitaalbescherming, inhoudende dat de som van de eigen vermogens van de betrokken vennootschappen overeenkomt met het bedrag dat in totaal nominaal gestort behoort te zijn.
Er hoeft geen genoegen te worden genomen met verouderde cijfers, Kamerstukken II 1980/81, 16453, nr. 3-4, p. 8. Indien de laatste jaarrekening verouderd is, ouder dan zes maanden, dient een tussentijdse vermogensopstelling te worden gemaakt. Zie Ten Voorde 2006, p. 73-74 en Bosse & Molenaar 2000, p. 41-43.
Welke stukken bij de juridische fusie dienen te worden gedeponeerd, wordt voorgeschreven door artikel 2:314 BW en artikel 3:328 BW. De toepasselijkheid van artikel 3:328 BW wordt echter vaak uitgesloten door artikel 2:333 BW (moeder-dochterfusie).
Zie artikel 2:314 BW jo. artikel 2:328 lid 5 BW jo. artikel 2:329 BW.
Artikel 2:317 BW geeft bepalingen die gelden bij de besluitvorming tot iedere fusie. In artikel 2:330 BW en artikel 2:331 BW worden aanvullende bepalingen gegeven voor de besluitvorming tot fusies bij BV’s en NV’s.
Zie artikel 2:317 BW.
Zie artikel 2:331 BW. De statuten kunnen een afzonderlijke regeling voor besluiten tot fusie geven (artikel 2:317 lid 4 BW). Indien dit niet het geval is en de statuten bepaalde eisen stellen aan een besluit tot statutenwijziging, dan gelden deze eisen ook voor een besluit tot fusie. Voorts dient erop te worden gelet of de statuten voor de wijziging van afzonderlijke bepalingen verschillende meerderheden vereisen, of dat wijziging van afzonderlijke bepalingen zijn uitgesloten, een en ander in samenhang met artikel 2:317 lid 3 BW. Zijn er verschillende soorten aandelen, dan is er, naast het besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders, tevens goedkeuring vereist van elke groep houders van bijzondere aandelen indien aan hun rechten afbreuk wordt gedaan door de voorgenomen fusie (artikel 2:330 lid 2 BW).
Scholten 1984, p. 224.
In dat geval zal moeten worden bekeken welke posities de verschillende schuldeisers hebben en daarmee ook naar de zekerheden die ten behoeve van de verschillende schuldeisers zijn gevestigd.
Verbrugh 2007, p. 6.
Schuldeisers kunnen uiteraard ook in een gunstigere positie worden gebracht. Of dit gerechtvaardigd is, wordt wel eens betwijfeld. Zo noemt W.J. Slagter schuldeisers die hun concurrente vordering omgezet zien in een preferente vordering de ‘lachende derden’; zie: Slagter 2005, p. 614. Ik ben van mening dat een eventueel gunstigere positie voor schuldeisers in ieder geval niet onterecht is. Het initiatief tot fusie ligt bij de schuldenaar, die wordt geacht de afweging te maken tussen de voor- en nadelen die de fusie hem brengt. Ik sluit mij aan bij het uitgangspunt van artikel 2:316 BW; dat de schuldeiser in ieder geval niet (ongewild) in een ongunstiger situatie kan worden gebracht.
Bijvoorbeeld wanneer wordt gefuseerd met een vennootschap met een negatief vermogen. Er kan daarom voor gekozen worden een vennootschap, waarvan de schulden de baten overtreffen, op te ruimen door een fusie, aangezien liquidatie van een vennootschap, waarvan de schulden de baten overtreffen, niet zomaar mogelijk is, zie Zaman 2003, p. 250.
Het is mogelijk dat het vrij uitkeerbare vermogen door fusie groter wordt, bijvoorbeeld wanneer bij de fusie een verkrijgende rechtspersoon is betrokken waarop buitenlands recht van toepassing is. Niet in alle landen gelden bij fusie dezelfde eisen ten aanzien van kapitaalbescherming. Zo geldt de eis dat de som van het eigen vermogen van de verkrijgende vennootschap na de fusie op zijn minst zoveel moet bedragen als in totaal nominaal gestort moet zijn (artikel 2:328 lid 1 BW) niet in alle gevallen.
Doordat fusie kan plaatsvinden tussen rechtspersonen met verschillende rechtsvormen kan het voorkomen dat een vennootschap met persoonlijke aansprakelijkheid opgaat in een kapitaalvennootschap.
Opgemerkt zij dat een beroep op de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW niet openstaat voor schuldeisers. Zie ook Leijten 2004.
De toelichting spreekt van ‘extra’ zekerheid, Kamerstukken II 1980/81, 16453, nr. 3-4, p. 10-11. Het gaat echter ook om het vestigen van een zekerheid of waarborg indien er nog geen enkele zekerheid of waarborg bestaat en de voorgenomen fusie wel aanleiding geeft voor een dergelijke zekerheid of waarborg.
Vreemd genoeg zwijgt de wet, en ook de wetgever, of de schuldeiser moet aantonen of hiervan sprake is, of dat de vennootschap die wordt verzocht (extra) zekerheid te verlenen, moet aantonen dat dit het geval is.
Indien de rechter oordeelt dat het verzet ongegrond is, heft hij het verzet op. Indien de rechter zijn beslissing tot opheffing van het verzet uitvoerbaar bij voorraad verklaart, verhindert hoger beroep niet dat de akte van fusie wordt verleden (zie artikel 318 lid 1 slot).
Aldus een aantal auteurs. Zie Buijn 1996, p. 81-82 en Leijten 2004, p. 315.
Zoals een recht op een uitkering van winst en een recht tot het nemen van aandelen (optierechten).
Het gaat niet om aandeelhouders met bijzondere rechten noch om houders van met medewerking van de vennootschap uitgegeven certificaten met bijzondere rechten. Wel vallen hieronder houders van winstbewijzen, houders van obligaties, houders van optierechten en dergelijke en zij die een pandrecht of een recht van vruchtgebruik op een dergelijk recht hebben (artikel 3:320 lid 3 BW).
In de literatuur is discussie gevoerd over de kwalificatie van een fusie als rechtshandeling. Logischerwijs dient eerst vastgesteld te worden of sprake is van een fusie voordat overgegaan kan worden tot de vernietiging van die fusie. Dieper ingaan op de vraag of naar de formele of de materiële kenmerken van een fusie gekeken moet worden of naar een combinatie van beiden, valt buiten het bestek van hetgeen hier wordt behandeld. Hier wordt volstaan met de opmerking dat wanneer een wezensbestanddeel van een bepaalde rechtshandeling ontbreekt er sprake zal zijn van een non-existente rechtshandeling, zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III* 2010, nr. 610. Zie Koster 2010 alwaar de geldigheid van de fusie tussen ABN AMRO en Fortis in twijfel wordt getrokken. Voorts wordt beweerd dat het toepassen van de geldige regelgeving, wat kan leiden tot non-existentie, niet past in het moderne vennootschapsrecht. Dit is opmerkelijk. Zie verder ook Zaman 2009, p. 743-744; Van Olffen 2006, p. 404; Van Olffen 2007, p. 507 en Schoonbrood & Ruardij 2007, p. 667.
De schuldeiser die zich op vernietiging beroept, zal zijn belang bij de vernietiging aannemelijk moeten maken, Leijten 2004, p. 323 en Asser/Van der Grinten & Maeijer 2-II 1997, nr. 170l.
Zie artikel 2:323 BW.
Zie Leijten 2004, p. 323.
Evenzo Verbrugh 2007, p. 92.
Om de gevolgen van een 403-verklaring in een fusiesituatie goed te begrijpen, zal eerst de fusieregeling kort de revue passeren.
Bij een juridische fusie verdwijnen één of meerdere rechtspersonen.1 De verkrijgende rechtspersoon blijft bestaan. Het is mogelijk dat alle bij de juridische fusie betrokken rechtspersonen verdwijnen en dat deze opgaan in een rechtspersoon die bij de fusie wordt opgericht. Er is geen sprake van inbreng.2 Aandeelhouders van verdwijnende vennootschappen verkrijgen door de fusie aandelen in het kapitaal van de verkrijgende vennootschap. Daarvoor wordt het geplaatste kapitaal van de verkrijgende vennootschap verhoogd.3
Op de regel dat aandelen worden toegekend in het kapitaal van de verkrijgende vennootschap bestaan uitzonderingen.4 Wanneer geen aandelen in de verkrijgende vennootschap worden toegekend, lopen schuldeisers een groter risico.5 Bij de juridische fusie gaan de rechten en plichten van de verdwijnende rechtspersonen over op de verkrijgende rechtspersoon. Er is sprake van een overgang van het vermogen onder algemene titel. Schuldeisers van een verdwijnende rechtspersoon raken de vordering op de oorspronkelijke schuldenaar kwijt en worden geconfronteerd met een nieuwe schuldenaar.
De fusieprocedure is zodanig ingericht dat rekening wordt gehouden met de belangen van schuldeisers.6 In de voorbereidende fase van een fusie wordt een voorstel tot fusie7 opgesteld met een toelichting van het bestuur.8 Bij het voorstel tot fusie dient een verslag en een verklaring van de accountant9 te worden gevoegd. Het accountantsverslag en de accountantsverklaring dienen betrekking te hebben op de laatste drie jaarverslagen en jaarrekeningen van de bij de fusie betrokken rechtspersonen.10 Voornoemde stukken plus de jaarverslagen van de te fuseren rechtspersonen dienen te worden gedeponeerd bij het Handelsregister11 en dit moet vervolgens bekend worden gemaakt in een landelijk verspreid dagblad.12 Om de gevolgen van de fusie te kunnen analyseren, kunnen schuldeisers voornoemde stukken opvragen.
Na de voorbereidende fase volgt de besluitvormingsfase.13 Het besluit tot fusie wordt in het geval van een verdwijnende kapitaalvennootschap genomen door de algemene vergadering van aandeelhouders.14 In geval van de verkrijgende kapitaalvennootschap wordt het besluit genomen door het bestuur, tenzij in de statuten anders is bepaald.15 Schuldeisers zijn in het geheel niet bij de besluitvorming betrokken. Indien de besluitvorming rond is, wordt een fusie geëffectueerd middels het passeren van een notariële akte.
Net als bij de vrijstellingsregeling van artikel 2:403 BW kent de fusieregeling een beschermingsregeling voor schuldeisers van de bij de fusie betrokken rechtspersonen. De verzetregeling van fusie heeft model gestaan voor de verzetregeling van de vrijstellingsregeling. Deze verzetregeling is opgenomen in artikel 2:316 BW:
Artikel 2:316 BW
Ten minste een van de te fuseren rechtspersonen moet, op straffe van gegrondverklaring van een verzet als bedoeld in het volgende lid, voor iedere schuldeiser van deze rechtspersonen die dit verlangt zekerheid stellen of hem een andere waarborg geven voor de voldoening van zijn vordering. Dit geldt niet, indien de schuldeiser voldoende waarborgen heeft of de vermogenstoestand van de verkrijgende rechtspersoon na de fusie niet minder waarborg zal bieden dat de vordering zal worden voldaan, dan er voordien is.
Tot een maand nadat alle te fuseren rechtspersonen de nederlegging of openbaarmaking van het voorstel tot fusie hebben aangekondigd kan iedere schuldeiser door een verzoekschrift aan de rechtbank tegen het voorstel tot fusie in verzet komen met vermelding van de waarborg die wordt verlangd. De rechtbank wijst het verzoek af, indien de verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vermogenstoestand van de verkrijgende rechtspersoon na de fusie minder waarborg zal bieden dat de vordering zal worden voldaan, en dat van de rechtspersoon niet voldoende waarborgen zijn verkregen.
Voordat de rechter beslist, kan hij de rechtspersonen in de gelegenheid stellen binnen een door hem gestelde termijn een door hem omschreven waarborg te geven.
Indien tijdig verzet is gedaan, mag de akte van fusie eerst worden verleden, zodra het verzet is ingetrokken of de opheffing van het verzet uitvoerbaar is.
Indien de akte van fusie al is verleden, kan de rechter op een ingesteld rechtsmiddel het stellen van een door hem omschreven waarborg bevelen en daaraan een dwangsom verbinden.
Zowel bij fusie als bij de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid treedt er een wijziging op ten aanzien van het voor verhaal beschikbare vermogen. In beide situaties ontstaat dan voor de schuldeiser de mogelijkheid om in verzet te komen. Al snel zal worden gedacht dat de positie van een schuldeiser erop vooruitgaat wanneer de schuldenaar fuseert met een andere partij. Schuldeisers zullen zich na de fusie kunnen verhalen op een groter vermogen, namelijk het vermogen van de samengevoegde vennootschappen.16 Dit betekent echter niet automatisch dat de positie van de schuldeiser verbetert. Weliswaar wordt het vermogen uitgebreid, de groep concurrentschuldeisers kan en zal zeer waarschijnlijk toenemen.17 Vindt een fusie plaats met een financieel zwakke vennootschap dan kan de balanspositie van de sterkere vennootschap verslechteren. De fusie is nadelig voor de schuldeisers van de vennootschap die voorheen de financieel sterkste vennootschap was.18
Door een juridische fusie kan de positie van een schuldeiser (ingrijpend) veranderen. De schuldeiser van een verdwijnende rechtspersoon wordt schuldeiser van een andere schuldenaar, namelijk van de verkrijgende rechtspersoon. Een schuldeiser van de verkrijgende rechtspersoon wordt niet geconfronteerd met een andere schuldenaar. Maar het voor verhaal vatbare vermogen van zijn schuldenaar ondergaat een wijziging. Die wijziging kan vergaande consequenties hebben.19 De fusie heeft onder meer impact op de solvabiliteit van de schuldenaar,20 het gebonden kapitaal van de schuldenaar21 en de aansprakelijkheidsmogelijkheden van de schuldeiser.22 Dat leidt ertoe dat een schuldeiser – zonder dat zijn stem daarin wordt gekend, aangezien een schuldeiser als derde niet betrokken is bij de besluitvormingsfase23 – geconfronteerd kan worden met een minder aantrekkelijke schuldenaar.
In hoofdlijnen lijkt de verzetregeling bij fusie van artikel 2:316 BW op de verzetregeling bij het beëindigen van de overblijvende aansprakelijkheid zoals opgenomen in artikel 2:404 BW. Een schuldeiser van een bij de fusie betrokken vennootschap kan een zekerheid of waarborg verlangen welke strekt tot de voldoening van zijn vordering, indien de voldoening van die vordering door de effectuering van de fusie in het gedrang komt.24 Indien een aanvullende zekerheid nodig blijkt, moet die zekerheid ex ante (voorafgaand aan de fusie) worden verleend.25 Heeft de schuldeiser reeds voldoende waarborgen die strekken tot de voldoening van zijn vordering en geeft de vermogenstoestand van de verkrijgende rechtspersoon geen aanleiding om aan te nemen dat de schuldeiser na de fusie minder zekerheid zal hebben dan voorheen,26 dan hoeft hem geen (extra) zekerheid of waarborg te worden toegekend.27 In de praktijk zal verzet slechts worden gehonoreerd wanneer het gaat om een vordering zonder of beperkte waarborgen en waarbij het vermogen overgaat naar een verkrijgende rechtspersoon die insolvent is.28
De fusieregeling kent met betrekking tot de bescherming van schuldeisers nog enkele bijzondere bepalingen, zoals artikel 2:312 lid 2 sub c. In artikel 2:312 lid 2 sub c BW is ten aanzien van een selecte groep schuldeisers bepaald dat het fusievoorstel moet vermelden welke rechten of vergoedingen ingevolge artikel 2:320 BW ten laste van de verkrijgende rechtspersoon worden toegekend aan degenen die, anders dan als (lid of) aandeelhouder, bijzondere vermogensrechten29 hebben jegens de verdwijnende rechtspersonen.30 Zij dienen een gelijkwaardig recht te verkrijgen in de verkrijgende rechtspersoon. Zo niet, dan hebben zij recht op een schadeloosstelling.31 Wanneer de fusie tot stand komt, vervallen de bijzondere rechten. De bijzonder rechthebbenden verkrijgen het gelijkwaardige recht zoals is overeengekomen, of een schadeloosstelling welke ingevolge artikel 2:320 lid 2 BW is bepaald vanaf het tijdstip dat wordt vermeld in het fusievoorstel. Of schuldeisers die een bij een fusie betrokken rechtspersoon kunnen aanspreken op basis van een 403-verklaring kunnen worden aangemerkt als bijzonder rechthebbenden, lijkt in eerste instantie niet het geval te zijn. De huidige opvatting is dat schuldeisers met een 403-vordering een vorderingsrecht – zijnde een zelfstandig vermogensrecht – hebben welk recht niet als een bijzonder recht wordt aangemerkt. Zou het recht dat voortvloeit uit een 403-verklaring als een niet overdraagbaar vermogensrecht kwalificeren, dan dient bij fusie rekening te worden gehouden met de werking van artikel 2:312 lid 2 sub c BW.
Naast bovenstaande mogelijkheid biedt de fusieregeling schuldeisers nog een andere mogelijkheid die bij de verzetregeling bij de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid ontbreekt. Is sprake van een rechtshandeling die kwalificeert als een fusie,32 dan kunnen schuldeisers33 die rechtshandeling vernietigen.34 Over de vraag of de mogelijkheden van verzet en vernietiging naast elkaar bestaan, is een discussie gevoerd in de literatuur.35 Omdat de gronden voor verzet en de gronden voor vernietiging van elkaar verschillen, zien beide regelingen op bescherming in verschillende situaties. Daaruit kan voorzichtig de conclusie worden getrokken dat beide middelen naast elkaar bestaan.36 Vernietiging is nog mogelijk wanneer de termijn van verzet al is verstreken.