Einde inhoudsopgave
De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer (MSR nr. 85) 2023/4.2.3.1
4.2.3.1 Het recht op loon na de opzegging
N.M.Q. van der Neut, datum 22-09-2023
- Datum
22-09-2023
- Auteur
N.M.Q. van der Neut
- JCDI
JCDI:ADS855341:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dit speelt niet, althans niet op deze wijze, in de situatie dat de opzegging van de opdrachtgever rechtens ongeldig is en de opdrachtnemer kiest voor nakoming van de overeenkomst (art. 3:296 BW). De opdrachtnemer heeft in een dergelijk geval immers als uitgangspunt de keuze tussen nakoming (art. 3:296 BW) of schadevergoeding (art. 6:74 BW), hoewel hij bij deze keuze wel is gebonden aan de eisen van de redelijkheid en billijkheid (HR 5 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9311 (Multi Vastgoed/Nethou)) en rekening moet houden met de belangen van de opdrachtgever (HR 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7024 (Vodafone/ETC)).
Deze opsomming is niet limitatief van aard. Andere omstandigheden waarnaar de rechter zoal kan kijken, zijn de door de opzegging bespaarde kosten van beide partijen (zoals loon- en materiaalkosten), tot welke fase het verrichte werk behoort en tot welk deel het verrichte werk uitmaakt van het geheel van de overeengekomen werkzaamheden. Zie bijv. hof Arnhem-Leeuwarden 23 juni 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:4545; rb. Overijssel 29 april 2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:1727.
Hiermee zeg ik in wezen dat tijdens de looptijd van de overeenkomst er een groeiend vorderingsrecht kan zijn (vgl. Schoordijk, NJB 1973/24A; Asser/Kortmann, De Leede & Thunnissen 5-III 1994/120).
Zie over de relevantie van de omstandigheid aan wie de opzegging kan worden toegerekend voor de vaststelling van het (in redelijkheid vast te stellen deel van het) loon o.a. Van der Grinten 1993/54; Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2022/185. Overigens zijn er meerdere omstandigheden denkbaar die mee kunnen brengen dat de opdrachtnemer geen recht heeft op de volledige vergoeding van de verrichte werkzaamheden (zie daarover Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2022/185).
Zie in soortgelijke zin Pennings 2019, p. 231.
De reden hiervan is dat bij dergelijke duurovereenkomsten het recht op loon geleidelijk ontstaat en periodiek wordt voldaan. Als de duurovereenkomst met de opdrachtnemer wordt opgezegd en hij nog niet betaald heeft gekregen voor alle reeds verrichte werkzaamheden, blijft deze loonaanspraak uiteraard bestaan, nu de al ontstane loonverbintenissen niet vervallen door de opzegging.
Pitlo/Croes e.a. 1995, p. 241; Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2022/184; concl. A-G Valk, ECLI:NL:PHR:2022:678 voor HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:198. Zie anders Asser/Kortmann, De Leede & Thunnissen 5-III 1994/120; Haak & Zwitser 2003, p. 140; Lamers 2012, p. 102-103; Houweling 2021, p. 830.
Het komt dus in feite aan op de uitleg van de overeenkomst, wat geschiedt aan de hand van de Haviltex-maatstaf (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Ermes c.s./Haviltex)).
Van Wechem en Rinkes noemen art. 7:411 lid 1 BW zelfs ‘een draak van een bepaling’ (Van Wechem & Rinkes, NJB 2018/739).
Zie anders Asser/Kortmann, De Leede & Thunnissen 5-III 1994/120, die een beperktere lezing van art. 7:411 BW aanhouden.
Vgl. concl. A-G Valk, ECLI:NL:PHR:2022:678 voor HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:198.
Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 7 titels 1, 7, 9 en 14,1991, p. 378; HR 28 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR4481 (Van Vulpen/Debetz); concl. A-G Valk, ECLI:NL:PHR:2022:678 voor HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:198. Het standpunt dat voor toerekening in de zin van art. 7:411 lid 2 BW slechts plaats is als de opdrachtgever wanprestatie pleegt tegenover de opdrachtnemer, is dus onjuist (vgl. Ter Heide, Makkink & Schreuder, NTBR 2006/52).
Kamerstukken II 1982/83, 17 779, 3, p. 7 en 8. Ook dit voorbeeld uit de MvT is een aanwijzing dat de reikwijdte van art. 7:411 BW soepel moet worden gehanteerd, aangezien deze situatie zich ook kan voordoen t.a.v. bijv. de opdrachtnemer die zijn werkzaamheden krijgt vergoed per tijdseenheid of per werkzaamheid.
Zie bijv. rb. ’s-Gravenhage 29 oktober 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BG9062; hof ’s-Hertogenbosch 22 maart 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1070; hof ’s-Hertogenbosch 16 april 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:1455; rb. Overijssel 29 april 2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:1727; rb. Rotterdam 29 juli 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:7025. Zie ook Hijma, NJ 2008/41; Lamers 2012, p. 100-101.
Die voorzichtigheid komt voort uit het feit dat het louter gaat om enkele gepubliceerde uitspraken, waardoor niet vaststaat dat het beeld ook representatief is. Bovendien is de toekenning van het volle loon afhankelijk van de omstandigheden van het geval, wat meebrengt dat de wijze waarop partijen een procedure voeren en wat zij daarin naar voren brengen, van invloed is op de uitkomst daarvan (art. 24 Rv).
In de rechtsliteratuur is wel kritiek geuit op deze cumulatieve vereisten, bijv. door Van der Grinten, die stelt dat deze dubbele toets meebrengt dat, ook als het betalen van het volle loon redelijk is, de opdrachtnemer soms toch niet in aanmerking komt voor het volle loon, omdat de opzegging niet aan de opdrachtgever is toe te rekenen (Van der Grinten 1993/54). Nu ik in dit onderzoek uitsluitend de opzegging van de opdrachtgever behandel en deze doorgaans aan de opdrachtgever kan worden toegerekend, laat ik dit aspect verder onbesproken.
Concl. A-G Valk, ECLI:NL:PHR:2022:678 voor HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:198.
Zie ook rb. Rotterdam 4 maart 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:1537, in het bijzonder de volgende overwegingen: “Kortom, omdat de lengte van de overeenkomst, de daarbij door [eiseres] gemaakte kosten en het verdiende loon nog allerminst vast staan, acht de kantonrechter het niet redelijk dat [gedaagde] het (geschatte) volle loon dient te betalen. De primaire en subsidiaire vordering worden dus afgewezen. Daarom moet op grond van art. 7:411 lid 1 BW een redelijk loon te worden betaald.”
Boot, ArbeidsRecht 2012/42.
Ook Pennings wijst hierop, die het dwingendrechtelijke karakter wil laten gelden omtrent de opdrachtnemer die bedrijfs- of beroepsmatig handelt en geen personeel in dienst heeft (Pennings 2019, p. 231).
Afdeling 7.7.1 BW bevat een bepaling waaruit blijkt dat de opdrachtnemer bij een opzegging door de opdrachtgever recht kan hebben op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon (artikel 7:411 lid 1 BW) of het volle loon (artikel 7:411 lid 2 BW).1 Op deze bepaling en het regelende karakter daarvan ga ik hierna in.
Het in redelijkheid vast te stellen deel van het loon
De opdrachtnemer komt in aanmerking voor een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon indien de overeenkomst (i) eindigt voordat de opdracht is volbracht, terwijl de verschuldigdheid van het loon afhankelijk is van de volbrenging óf (ii) eindigt voordat de tijd waarvoor zij is verleend, is verstreken, terwijl de verschuldigdheid van het loon afhankelijk is van het verstrijken van de tijd (artikel 7:411 lid 1 BW). Bij de vaststelling van dit loon moet de rechter per geval beoordelen wat als redelijk wordt aangemerkt. In deze norm ligt opgesloten dat de rechter de ruimte heeft rekening te houden met de diversiteit die schuilgaat achter de overeenkomst van opdracht. Op die manier kan hij de verschillende betrokken belangen in ogenschouw nemen. Daarbij zal de rechter inzicht moeten krijgen in de reeds door de opdrachtnemer verrichte werkzaamheden, het voordeel dat de opdrachtgever daarvan heeft en de reden waarom de overeenkomst is geëindigd (artikel 7:411 lid 1 BW).2 Als uitgangspunt zou ik willen hanteren dat de al verrichte werkzaamheden volledig dienen te worden vergoed, omdat de werkzaamheden nu eenmaal zijn verricht en de opdrachtgever daar in principe profijt van heeft (gehad).3 Een mogelijke uitzondering hierop is de situatie waarin de opdrachtgever door de opzegging geen of minder voordeel geniet van de al verrichte werkzaamheden dan het geval zou zijn als de opdracht in zijn geheel was uitgevoerd. Er ontstaat dan spanning tussen het perspectief van de opdrachtnemer (het terugverdienen van de gemaakte kosten, een winstopslag voor de geïnvesteerde tijd en wellicht een vergoeding voor gederfde winst) en het perspectief van de opdrachtgever (de feitelijke waarde van de al verrichte werkzaamheden). In zo’n situatie staat of valt veel met de reden van de opzegging. Als de opzegging aan de opdrachtnemer is toe te rekenen, zou hij naar mijn mening niet in aanmerking moeten komen voor de volledige vergoeding van de al verrichte werkzaamheden.4
De regeling van artikel 7:411 lid 1 BW biedt een zekere bescherming. Zonder deze bepaling zou immers kunnen worden gesteld dat de opdrachtnemer van wie het loon is gerelateerd aan de volbrenging van de opdracht of aan de gehele overeengekomen periode van de opdracht, geen enkele loonaanspraak heeft als de overeenkomst (voortijdig) wordt opgezegd, omdat de opdracht niet is volbracht of de tijd waarvoor zij is verleend, niet is verstreken.5 De opdrachtnemer die per tijdseenheid of per werkzaamheid wordt vergoed, valt volgens de strikte letter van de wet buiten de werkingssfeer van artikel 7:411 lid 1 BW,6 tenzij de overeenkomst wordt opgezegd binnen een tijdseenheid die cruciaal is voor de loonaanspraak van deze opdrachtnemer.7 In navolging van een deel van de rechtsliteratuur moet artikel 7:411 lid 1 BW volgens mij ruimer worden geïnterpreteerd dan de wettekst doet vermoeden;8 ik lees het bewuste artikellid zo dat het niet zozeer gaat om de manier waarop het loon moet worden berekend of betaald, maar veeleer om de vraag of partijen meerdere opdrachten (lees: werkzaamheden) zijn overeengekomen, dan wel steeds een nieuwe opdracht afspreken. De overeenstemming tot meerdere opdrachten leidt in het geval van opzegging tot de toepasselijkheid van artikel 7:411 lid 1 BW. Dit komt niet alleen voort uit een redelijke uitleg van de gemaakte afspraak, maar past ook bij de intentie van de wetgever om de bepalingen van afdeling 7.7.1 BW op soepele wijze te hanteren, zodat zij een redelijk houvast voor normale gevallen kunnen bieden.9 In de situatie dat partijen steeds een nieuwe opdracht afspreken, mist artikel 7:411 lid 1 BW toepassing.
Voorgaande lezing van artikel 7:411 lid 1 BW komt erop neer dat voor de werkingssfeer van deze bepaling moet worden gekeken naar wat partijen qua aantal opdrachten zijn overeengekomen en de vrijblijvendheid daarvan.10 Hoewel (de formulering van) artikel 7:411 lid 1 BW zeker niet de schoonheidsprijs verdient,11 maakt dit artikellid in mijn ogen dus geen onderscheid tussen de opdrachtnemer van wie het loon is gerelateerd aan de volbrenging van de opdracht of aan de gehele overeengekomen periode van de opdracht en de opdrachtnemer die per tijdseenheid of per werkzaamheid wordt vergoed. Daarom vind ik ook niet dat een billijke regeling voor de opdrachtnemer met een duurovereenkomst ontbreekt.12
Het volle loon
De opdrachtnemer kan recht hebben op het volle loon, maar wel slechts indien (i) het einde van de overeenkomst aan de opdrachtgever is toe te rekenen én (ii) de betaling van het volle loon, gelet op alle omstandigheden van het geval, redelijk is (artikel 7:411 lid 2 BW).13 Aan de eerste voorwaarde (toerekeningseis) is meestal voldaan indien de opdrachtgever de opzeggende partij is.14 Het feit dat hij de bevoegdheid had de overeenkomst op te zeggen en daarvan gebruik heeft gemaakt, maakt dat niet anders.15 Aan de twee voorwaarde (redelijkheidseis) wordt minder snel voldaan. In de wetsgeschiedenis is het voorbeeld gegeven van de opdrachtnemer die vanwege deze opdracht andere opdrachten heeft geweigerd.16 Dit heeft tot gevolg dat de opdrachtnemer die economisch afhankelijk is van één opdrachtgever, eerder voor het volle loon in aanmerking lijkt te komen dan de opdrachtnemer die dat niet is. De kans is immers groter dat deze opdrachtnemer zijn bedrijfsvoering heeft afgestemd op de opdracht waar hij economisch afhankelijk van is en daardoor andere opdrachten minder snel kan aannemen. Toch zal de opdrachtnemer aan de onderkant veelal geen recht hebben op het volle loon, ook niet als hij economisch afhankelijk is van één opdrachtgever. De werkzaamheden van deze opdrachtnemer kenmerken zich namelijk veelal door een bepaalde laagdrempeligheid en kunnen daarom door potentieel veel opdrachtnemers worden gedaan (zie paragraaf 1.1 en 2.1). Het ligt om die reden niet voor de hand dat de opdrachtnemer aan de onderkant is benaderd om andere opdrachten uit te voeren, wat toch echt eerst nodig is voordat hij die opdrachten kan weigeren. Andere situaties waarin het redelijk is dat de opdrachtnemer, gelet op alle omstandigheden van het geval, aanspraak kan maken op het volle loon, heb ik niet kunnen ontdekken. Uit de feitenrechtspraak die wel voorhanden is,17 leid ik – met enige voorzichtigheid18 – af dat de opdrachtnemer aan de onderkant slechts bij uitzondering aanspraak kan maken op het volle loon (artikel 7:411 lid 2 BW) en in beginsel genoegen moet nemen met het in redelijkheid vast te stellen deel van het loon (artikel 7:411 lid 1 BW).
De werkingssfeer van artikel 7:411 lid 2 BW is dezelfde als die van artikel 7:411 lid 1 BW. Net als een deel van de rechtsliteratuur ga ik daarbij uit van een ruime interpretatie (zie onder het kopje ‘Het in redelijkheid vast te stellen deel van het loon’). Dat brengt mee dat ook de opdrachtnemer die een duurovereenkomst heeft en het loon bijvoorbeeld maandelijks ontvangt, in aanmerking kan komen voor het volle loon, mits hij voldoet aan de twee cumulatieve vereisten ex artikel 7:411 lid 2 BW.19 Valk merkt in dit kader op dat de aanspraak op het volle loon in die situatie de gedaante van het volle loon over een in redelijkheid te betalen periode heeft.20 In mijn ogen is dan geen sprake van het volle loon (artikel 7:411 lid 2 BW), maar van het in redelijkheid vast te stellen deel van het loon (artikel 7:411 lid 1 BW), omdat het dan gaat om een beperkte periode en niet de volledige periode.21 Ik denk eerder aan het geval waarin partijen al meerdere afspraken hebben gemaakt over wanneer de opdrachtnemer werkzaamheden komt verrichten en de opdrachtnemer aanspraak maakt op het volle loon ten aanzien van alle reeds gemaakte afspraken.
Regelend recht
Met de bepaling van artikel 7:411 BW biedt afdeling 7.7.1 BW de opdrachtnemer een zekere inkomensbescherming in de situatie waarin de opdrachtgever de overeenkomst opzegt. Vanwege het regelende karakter van artikel 7:411 BW kunnen partijen een andersluidende afspraak over de verschuldigdheid van loon bij opzegging overeenkomen. Een afwijking van artikel 7:411 BW ten nadele van de opdrachtnemer zou voor hem problematisch kunnen uitvallen,22 aangezien dat ertoe zou kunnen leiden dat hij bij een voortijdige opzegging geen recht heeft op loon, ondanks het feit dat hij mogelijk al (een (groot) deel van de) werkzaamheden heeft verricht. Zo’n afspraak kan stuiten op de onredelijke bezwarendheid daarvan (artikel 6:233 sub a BW)23 of de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW), maar deze beide toetsen bevatten een zeer strenge norm.24 Om die reden – en gelet op het feit dat de opdrachtnemer in zijn bestaansrecht kan worden aangetast indien hij wel werkzaamheden heeft verricht, maar het recht op loon ontbreekt vanwege de (voortijdige) opzegging – ligt het voor de hand in de wet op te nemen dat het loon bij opzegging (artikel 7:411 BW) niet langer kan worden weggecontracteerd ten aanzien van in ieder geval de opdrachtnemer aan de opdrachtnemer.25 Op die manier is deze opdrachtnemer verzekerd van de broodnodige geboden bescherming van artikel 7:411 BW.