Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen
Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/5.6.5.0:Inleiding
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/5.6.5.0
Inleiding
Documentgegevens:
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS501221:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het tweede verweer betreft de subjectieve waarde die de prestatie voor de ontvanger heeft. Hierboven bleek dat wat de ontvanger moet teruggeven, afhangt van de aard van de prestatie. Als hij een goed heeft ontvangen, moet hij dit goed teruggeven; als hij geld heeft ontvangen, moet hij in beginsel een gelijk bedrag teruggeven; en als hij een andere prestatie heeft ontvangen moet hij die ongedaan maken of daarvoor een vergoeding betalen. Het ligt bij vergoedingen voor de hand om aan te nemen dat de ontvanger in beginsel de (objectieve) marktwaarde van de prestatie moet vergoeden. De ontvanger zal de prestatie echter niet altijd op haar marktwaarde waarderen. De verplichting om de marktwaarde van een prestatie te vergoeden, zou zelfs ertoe kunnen leiden dat de ontvanger een bepaalde besteding wordt opgedrongen. Stel bijvoorbeeld dat A ongevraagd het huis van B schildert, terwijl dat al goed in de verf zit. B zal dan de prestatie van A niet waarderen. Als hij in dit geval de prestatie moet vergoeden, zou hij een uitgave moeten doen, die hij zonder A’s prestatie nooit zou hebben gedaan. Onder omstandigheden moet een ontvanger daarom kunnen aanvoeren dat hij de prestatie van meet af aan niet waardeert op haar marktwaarde.1 In navolging van de Engelse auteurs, noem ik dit het ‘devaluatieverweer’.2
Het devaluatieverweer verschilt van het hierboven besproken verweer dat het vermogen van de ontvanger is verminderd. Het verweer dat de verrijking is verminderd, betreft de toename en afname van het vermogen van de ontvanger als gevolg van de prestatie. De toename en afname van het vermogen van de ontvanger kunnen objectief worden vastgesteld. Het devaluatieverweer betreft de subjectieve waarde die de prestatie voor de ontvanger heeft.
In de parlementaire geschiedenis is het belang van het devaluatieverweer onderkend bij diensten. De minister heeft opgemerkt dat de ontvanger van een prestatie die naar haar aard niet ongedaan gemaakt kan worden, conform artikel 6:210 een waardevergoeding moet betalen. De minister wijst erop dat het artikel bepaalt dat een waardevergoeding moet worden betaald “voor zover dit redelijk is”. Het vereiste dat de vergoedingsverplichting alleen ontstaat als dit redelijk is, voorkomt volgens de minister dat de ontvanger een ongewenste besteding wordt opgedrongen. De wet geeft echter niet expliciet de mogelijkheid aan de ontvanger van een geldsom of een goed om een beroep te doen op een verweer dat hij de ontvangen prestatie niet waardeert. Ik bespreek in de onderstaande subparagrafen in welke gevallen de ontvanger het devaluatieverweer dient te kunnen voeren.