De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/17.6.2.2:17.6.2.2 Stortingsplicht
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/17.6.2.2
17.6.2.2 Stortingsplicht
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS366095:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 2:80/191 BW.
Zie art. 2:89a/199 lid 1 BW.
De vennootschap zal hier waarschijnlijk niet op aandringen als dat niet nodig is. Dat neemt niet weg dat de oorspronkelijke aandeelhouder uit tactische overwegingen aan zijn stortingsplicht kan voldoen.
Art. 2:89a/199 lid 2 BW.
Zie par. 17.6.2.1 en hoofdstuk 10.
Zie over dergelijke bepalingen par. 4.4.3.2.
Zie hierover par. 17.8.5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een aandeelhouder is verplicht om zijn aandelen vol te storten.1 Voor zover die verplichting nog niet is nagekomen, komt deze op de tijdelijke beheerder te rusten. Tevens blijft de oorspronkelijke aandeelhouder aansprakelijk voor die verplichting.2 Indien de oorspronkelijke aandeelhouder de aandelen tijdens het beheer volstort,3 verkrijgt hij de vordering tot volstorting van de vennootschap jegens de tijdelijke beheerder.4 Dat is niet wenselijk. De aandelen komen economisch niet aan de tijdelijke beheerder toe. Daarnaast is er het risico dat de oorspronkelijke aandeelhouder de tijdelijke bestuurder het leven zuur zal maken met zijn vordering in een poging om hem te knechten.
Art. 2:80/191 BW en art. 2:89a/199 BW zijn bepalingen van dwingend recht. Daarvan kan slechts in uitzonderlijke omstandigheden worden afgeweken.5 Onder meer zal de ratio van de desbetreffende bepaling daarbij in ogen-schouw moeten worden genomen. Art. 2:80/191 BW waarborgt het belang van de crediteuren van de vennootschap.6 Het ligt niet voor de hand om een dergelijke bepaling buiten toepassing te laten, indien het belang van de vennootschap vergt dat een (onmiddellijke) voorziening wordt getroffen. De crediteuren hoeven daarvan immers niet de dupe te worden.
Toepassing van art. 2:89a/199 lid 2 BW, dat het belang van de oorspronkelijke aandeelhouder beschermt, kan eerder naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. De tijdelijke beheerder houdt de desbetreffende aandelen immers niet voor zichzelf, maar voor de oorspronkelijke aandeelhouder. Als de oorspronkelijke aandeelhouder de aandelen volstort, heeft hij daarvan zelf profijt en de tijdelijke beheerder niet. Mijns inziens kan daarom de ondernemingskamer de gevolgen van de tijdelijke overdracht van de aandelen zo regelen dat zij kan bepalen dat de oorspronkelijke aandeelhouder niet treedt in de rechten van de vennootschap indien hij aan de stortingsplicht voldoet.
Indien dat achterwege is gebleven en de oorspronkelijke aandeelhouder eenmaal is getreden in de rechten van de vennootschap, kan de ondernemingskamer de desbetreffende vordering niet ongedaan maken. Dat valt immers buiten de absolute bevoegdheid van de ondernemingskamer. Wel zal een dergelijke vordering mijns inziens afstuiten op de vermogensrechtelijke pendant van de redelijkheid en billijkheid, mits uiteindelijk de aandelen worden teruggeleverd aan de oorspronkelijke aandeelhouder, of in geval van een verkoop de oorspronkelijke aandeelhouder de koopprijs voor de aandelen ontvangt.7