Blijkens de ‘akte partieel intrekking cassatie’ van 18 september 2024 strekt het cassatieberoep zich niet uit ’over de door het Hof gegeven vrijspraak ter zake feit 2, voor zover die beslissing betrekking heeft op het hiernavolgende (impliciet) cumulatief/alternatief tenlastegelegde: ten aanzien van het (telkens) opzettelijk gebruik hebben gemaakt van valselijk opgemaakte en/of valse geschriften, die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware deze echt en onvervalst, te weten: vierde gedachtestreepje, voor zover inhoudende de vrijspraak van: “De valse loonstrook van april 2017 te (laten) sturen aan International Card Services voor het verkrijgen van een creditcard”’ alsmede ‘de door het Hof gegeven vrijspraken ter zake feit 3, voor zover die beslissingen betrekking hebben op het hiernavolgende (impliciet) cumulatief/alternatief ten laste gelegde: ten aanzien van het tijdens faillissement onttrekken van goederen, althans enig goed, aan de boedel (zaak A), te weten: tweede gedachtestreepje, voor zover inhoudende de (impliciete) vrijspraak van: “(de waarde/opbrengst van) 72 aandelen in [F] BV verkregen op 8 maart 2017”; ten aanzien van het verdichten van lasten en/of het niet verantwoorden van baten (zaak C), te weten: - eerste gedachtestreepje, voor zover inhoudende de (impliciete) vrijspraak van: “170.000,- euro door een lening van [betrokkene 3] d.d. 23 september 2013””.
HR, 14-10-2025, nr. 23/02167
ECLI:NL:HR:2025:1392
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
14-10-2025
- Zaaknummer
23/02167
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1392, Uitspraak, Hoge Raad, 14‑10‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2023:4409
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:456
ECLI:NL:PHR:2025:456, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 22‑04‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1392
Beroepschrift, Hoge Raad, 18‑08‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0339
Uitspraak 14‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Faillissementsfraude door bedrieglijke bankbreuk en onttrekking van goederen aan failliete boedel, meermalen gepleegd (art. 341.a (oud) Sr en art. 341.1 Sr). 1. Kon hof aan vaststelling dat verdachte misbruik heeft gemaakt van rechtspersonen het rechtsgevolg verbinden dat handelen en vermogen van verdachte op 1 lijn kan worden gesteld met handelen en vermogen van rechtspersonen en dat civielrechtelijk identiteitsverschil tussen verdachte en rechtspersonen kan worden weggedacht? 2. Is sprake van verkorting van rechten van schuldeisers en van benadeling van schuldeisers door tijdens faillissement geldleningen aan te gaan en bedragen uit zicht van curator te houden? 3. Kunnen contante stortingen op bankrekening van rechtspersoon worden aangemerkt als ‘baten’ a.b.i. art. 341.a.1 (oud) Sr en heeft verdachte gehandeld ‘ter bedrieglijke verkorting van rechten van schuldeisers’? 4. Onttrekking aan het verkeer van inbeslaggenomen geldtelmachine, art. 36c Sr. Ad 1. ’s Hofs (op zijn niet onbegrijpelijke vaststellingen in zijn nadere bewijsoverwegingen gegronde) oordeel dat verdachte misbruik heeft gemaakt van rechtspersonen A en B wordt niet bestreden. V.zv. middel ervan uitgaat dat hof deze rechtspersonen heeft ‘vereenzelvigd’ met verdachte, berust het op verkeerde lezing van ’s hofs arrest. In ’s hofs arrest besloten liggend oordeel dat misbruik bestaande uit het tijdens faillissement vrijelijk en voor eigen doeleinden beschikken over activa, waarbij verdachte slechts in naam gebruikt maakte van rechtspersonen, meebrengt dat in die transacties betrokken vermogensbestanddelen geacht moeten worden te behoren tot verdachtes vermogen (als schuldenaar a.b.i. art. 20 Fw) geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Ad 2. Hof heeft o.g.v. zijn vaststellingen in zijn nadere bewijsoverwegingen geoordeeld dat verdachte heeft gehandeld ‘ter bedrieglijke verkorting van rechten van schuldeisers’ dan wel ‘terwijl hij wist dat een of meer schuldeisers in verhaalsmogelijkheden worden benadeeld voor of tijdens faillissement’. Nu verdachte ook ttz. in hoger beroep geen duidelijk en volledig beeld heeft gegeven van herkomst en bestemming van grote geldbedragen waarover hij tijdens faillissement kon beschikken en kennelijk geheel naar eigen inzicht kon besteden en heeft besteed, heeft hof, zonder blijk te geven van onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk, geoordeeld dat buiten redelijke twijfel vast staat dat verdachte, door op deze manier bedragen te besteden, zijn schuldeisers heeft benadeeld. Dat omvang van benadeling niet z.m. gelijk is aan hoogte van ‘geldleningen’, doet daaraan niet af. HR merkt op dat in ’s hofs vaststellingen en overwegingen als zijn niet onbegrijpelijke oordeel besloten ligt dat zich hier niet situatie voordoet a.b.i. HR:1974:AB6908 en HR:1992:AC2505, waarin tegenover de gedurende faillissement verworven baten o.g.v. daaraan ten grondslag liggende zakelijke overeenkomsten (mogelijk) verplichtingen van gelijke hoogte stonden, zodat (waren deze baten wel aan curator bekend gemaakt) daartegenover boedelschuld van (ten minste) gelijke hoogte stond. In dat verband is van belang dat verdachte niet aan curator en ook niet aan hof duidelijk en volledig inzicht heeft gegeven in herkomst en bestemming van geldbedragen waarover hij gedurende faillissement beschikte en in verband daarmee in manier waarop hij (ondanks lopend faillissement) derden beweerdelijk bereid heeft gevonden hem geldbedragen van zo’n omvang ter beschikking te stellen. Dat tegenover die bereidheid verplichtingen stonden die derden anders jegens boedel geldend hadden kunnen maken, behoefte hof o.g.v. wat verdachte daarover naar voren heeft gebracht, niet aan te nemen. Ad 3. Hof heeft vastgesteld dat verdachte op enig moment contant bedrag van € 481.000 heeft ontvangen en dit na faillissement op rekening rechtspersoon A heeft gestort, waarna hij daarmee betalingen heeft verricht. Daaruit heeft hof kennelijk afgeleid dat bedrag t.t.v. faillissement tot verdachtes vermogen behoorde, dan wel dat hij bedrag gedurende faillissement heeft verworven, en dus dat het o.g.v. art. 20 Fw tot boedel behoorde. Op grond hiervan oordeelde hof dat sprake was van ‘baten’ die verdachte aan curator had moeten verantwoorden en dat, door dat niet te doen, hij handelde ter bedrieglijke verkorting van rechten van schuldeisers. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Ad 4. HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Hof heeft overwogen dat bewezenverklaarde in voorraad hebben van valse bankbiljetten is begaan m.b.t. geldtelmachine en dat ongecontroleerd bezit in strijd is met algemeen belang en wet. Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn o.b.v. art. 36c Sr alle voorwerpen m.b.t. welke het feit is begaan. Bewezenverklaard feit is niet m.b.t. geldtelmachine begaan. Hof heeft niet vastgesteld dat ongecontroleerd bezit in strijd is met wet of algemeen belang. Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. onttrekking aan het verkeer en terugwijzing. CAG: anders t.a.v. verkorting van rechten van schuldeisers en van benadeling van schuldeisers.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/02167
Datum 14 oktober 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden van 24 mei 2023, nummer 21-003613-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten Th.O.M. Dieben en G.A. Jansen-de Wolf bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen inzake het onder 3 ten laste gelegde feit, voor zover deze betreffen de passage ‘- 175.000 euro ontvangen (uit de lening van [betrokkene 1] ) d.d. 23 maart 2017; - 100.000,- euro verkregen op een Luxemburgse rekening (van verdachte) en 50.000,- euro door verdachte contant ontvangen (vanuit de lening van BV [A] (d.d. 24 maart 2017);’ en de passage ‘- 1.000.000,- euro door een lening van [B] BV d.d. 27 augustus 2013);’, alsmede de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Bewezenverklaring en bewijsvoering van feit 3
2.1
Ten laste van de verdachte is overeenkomstig de tenlastelegging onder 3 bewezenverklaard dat:
“hij, op één of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 10 juli 2012 tot en met 8 juni 2018 in Nederland, terwijl hij in staat van faillissement is verklaard (bij vonnis van de rechtbank Groningen van 10 juli 2012),
ter bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers en (vanaf 1 juli 2016) terwijl hij wist dat een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld:
A) tijdens het faillissement goederen aan de boedel heeft onttrokken, te weten:
- 70.000 euro geleend aan [C] BV op 1 mei 2014 (voor de aankoop van een chalet);
- 175.000 euro ontvangen (uit de lening van [betrokkene 1] ) d.d. 23 maart 2017;
- 100.000,- euro verkregen op een Luxemburgse rekening (van verdachte) en 50.000,- euro door verdachte contant ontvangen (vanuit de lening van BV [A] (d.d. 24 maart 2017);
B) (tot 1 juli 2016) ter gelegenheid van het faillissement één of meer schuldeiser(s) op enige wijze wederrechtelijk heeft bevoordeeld, immers heeft hij, verdachte,
- zijn lening aan [betrokkene 2] (gedeeltelijk) afgelost door 97.500,- euro aan die [betrokkene 2] terug te betalen (in 2014 en 2015);
- zijn lening aan [betrokkene 3] (gedeeltelijk) afgelost door 195.000 euro aan die [betrokkene 3] terug te betalen (in de periode van 29 augustus 2013 tot en met 13 september 2013);
C (tot 1 juli 2016) Lasten heeft verdicht en/of baten niet heeft verantwoord, te weten:
- 1.000.000,- euro door een lening van [B] BV d.d. 27 augustus 2013);
- 481.000,- euro aan contante stortingen op de bankrekening van [D] BV (in de periode van 10 juli 2012 tot en met 11 juni 2014).”
2.2
De bewijsmiddelen zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 29.
2.3
Het hof heeft over de bewezenverklaring verder overwogen:
“Vast staat dat:
- verdachte op 10 juli 2012 persoonlijk failliet is verklaard door de rechtbank Groningen;
- in de ten laste gelegde periode geen economische activiteiten werden verricht binnen [D] BV en [E] BV;
- verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan voormelde rechtspersonen.
(...)
Ten aanzien van feit 3 is ook vrijspraak bepleit.
Daartoe is aangevoerd dat verdachte persoonlijk failliet was verklaard en dat dit betekent dat verdachte niet langer handelingen kan verrichten die “zijn” vermogen raken, maar dat de verdachte de beschikkingsbevoegdheid en handelingsbekwaamheid voor de onderneming waarvan hij de bestuurder is, heeft behouden. De ten laste gelegde transacties zijn handelingen van of uit [C] , [E] , [D] of [F] , zijnde rechtspersonen die door verdachte werden vertegenwoordigd. Er is, anders dan kennelijk het openbaar ministerie meent, geen sprake van vereenzelviging van verdachtes positie met die van de rechtspersonen en de privéboedel van verdachte is door de transacties niet benadeeld.
(...)
Het hof stelt voorop dat de tenlastelegging moet worden beoordeeld binnen het strafrechtelijk kader. Civiele begrippen of conclusies kunnen bij de beoordeling een rol spelen maar dat hoeft niet. In dat verband is ook relevant dat niet is gesteld noch is gebleken dat de civiele rechter die kennelijk moest oordelen, de beschikking had of zicht had op het hele strafdossier en de verklaringen van verdachte, waarover het hof wel beschikt.
Het hof is op basis van het strafdossier en het verhandelde ter zitting van oordeel dat verdachte misbruik heeft gemaakt van rechtspersonen waar feitelijk hij en niet zijn medeverdachte echtgenote, te weten [medeverdachte] , feitelijk zeggenschap over had.
Het hof acht voor de bewezenverklaring mede redengevend dat:
- verdachte van 3 januari 2011 tot en met 30 september 2015 enig aandeelhouder en formeel bestuurder was van [D] BV. [D] BV is op 30 september 2015 ontbonden omdat er sinds 2003 geen jaarrekeningen waren gedeponeerd en dat bij de belastingdienst geen omzet, inkomen of enige administratie bekend was;
- verdachte ter zitting van het hof heeft bevestigd dat sprake was van een lege BV zonder activiteiten en dat hij in 2011 voorafgaand aan zijn persoonlijk faillissement een bankrekening heeft geopend op naam van [D] BV;
- [medeverdachte] , de echtgenote van verdachte, vanaf 1990 enig bestuurder en aandeelhouder was van [E] BV, zo blijkt onder meer uit een boekenonderzoek van de Belastingdienst dat afgesloten werd in 2015. De belastingdienst heeft in haar controlerapport genoteerd dat alle (bestuurs)activiteiten voor rekening komen van [verdachte] die naar eigen zeggen bij iedere bestuurshandeling gemachtigd is door [medeverdachte] . Bij de Belastingdienst zijn geen inkomen en geen omzet bekend en in genoemd boekenonderzoek heeft de Belastingdienst onder meer vastgesteld dat ontvangen bedragen mede gediend hebben ter financiering van persoonlijke uitgaven van verdachte en zijn partner, de ontvangen lening van [B] voornamelijk bestemd is geweest voor de aflossing van oude privé schulden van verdachte en zijn partner en dat overige leningen niet kunnen worden gestaafd met overeenkomsten of andere stukken;
- blijkens de gegevens van de Kamer van Koophandel, [medeverdachte] van 18 maart 2014 tot 8 maart 2017 als enig bestuurder van [G] BV geregistreerd stond. De naam is op 21 maart 2017 gewijzigd in [C] BV. Met ingang van 8 maart 2017 is [F] SA enig aandeelhouder en bestuurder van [C] BV. Alle aandelen van [G] BV / [C] BV waren in handen van [medeverdachte] en de kinderen van verdachte en zijn medeverdachte. Op 8 maart 2017 zijn alle 72 aandelen van [medeverdachte] verkocht aan [F] SA, vertegenwoordigd door [verdachte] .
- verdachte ter zitting van het hof heeft verklaard dat hij de ondernemingen die op naam stonden van zijn vrouw heeft gebruikt en dat hij feitelijk bestuurder was en dat hij "maar marginaal" iets met die ondernemingen heeft gedaan;
- er in de ten laste gelegde periode geen zakelijke activiteiten (meer) werden verricht binnen [D] BV en [E] ;
- er in die periode geen sprake was van personeel of bedrijfspanden;
- verdachte de beschikking had over de bankrekeningen van deze rechtspersonen en daarmee privé-uitgaven deed;
- verdachte uit naam van [D] BV en [E] leningen aanging en/of afloste die met de bedrijfsvoering of activiteiten van beide BV's niets van doen hadden;
- dat de kort voor persoonlijk faillissement geopende bankrekening van [D] BV na dat faillissement gevoed werd met zeer grote bedragen waaronder contante stortingen van € 481.000 en “leningen”, onder andere een lening van € 990.000 van [E] BV terwijl van een zakelijke overeenkomst niet is gebleken. Dat dit bedrag afkomstig was van een lening van in totaal 1 miljoen euro van [B] BV aan [E] BV. [getuige] , bestuurder van [B] BV heeft verklaard dat [verdachte] die 1 miljoen euro nodig had omdat verdachte en zijn gezin ernstig bedreigd werden door Turkse mannen, hetgeen een persoonlijk en geen zakelijk belang is;
- een deel van de door verdachte geleende gelden gestort werd op een Luxemburgse bankrekening [rekeningnummer] die door verdachte zelf geopend is en die door verdachte het meest werd gebruikt;
- en verdachte in een telefoongesprek met [betrokkene 3] over zijn (verdachtes) faillissement heeft gezegd: “het interesseert mij eigenlijk helemaal geen enne kut of het er nou op ligt of niet er op ligt, ik heb er geen last van, ik heb er geen gemak van”.
Wetenschap verdachte dat een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld
Uit de verklaring van de [curator] blijkt dat verdachte de curator van de hierna te noemen leningen, contante stortingen, koopovereenkomsten, aflossingen, niet op de hoogte heeft gesteld terwijl verdachte daartoe wel gehouden was en kennelijk ook wist dat hij daartoe gehouden was. Uit twee zich in het dossier bevindende brieven van de curator aan verdachte van 17 juli 2012 en van 20 maart 2013 wist verdachte dat hij de verplichting had om dergelijke overeenkomsten en handelingen van tevoren aan de curator mee te delen of daarover te overleggen. Uit de verklaring van de curator blijkt ook dat verdachte als gefailleerde specifiek ten laste gelegde overeenkomsten niet mocht aangaan en die betalingen niet mocht doen of ontvangen zonder toestemming van de curator en dat de curator die toestemming niet zou hebben gegeven.
Verdachte heeft ter zitting van het hof verklaard dat hij een en ander niet besproken heeft met de curator en uit zijn verklaringen ter zitting van de rechtbank en het hof blijkt dat verdachte vond dat het te lang duurde dat zijn (het hof begrijpt: persoonlijk) faillissement werd opgeheven en hij iets moest doen en geld nodig had om zijn eigen problemen op te lossen en dat hij dacht dat hij als feitelijk bestuurder van de rechtspersonen wel mocht handelen.
Uit het voorgaande leidt het hof af dat verdachte dus wist dat hij die handelingen als gefailleerd privépersoon niet mocht verrichten. Gezien het feit dat verdachte in die wetenschap vervolgens geldtransacties zowel via de bankrekeningen van verschillende rechtspersonen als in contant liet plaatsvinden, was sprake van “bedrieglijke” verkorting van de rechten van de schuldeisers in het faillissement van verdachte.
Onderdeel A: onttrekking van goederen aan de failliete boedel
Ten aanzien van de lening € 70.000 aan [C] (voor de aankoop van een chalet) is naar het oordeel van het hof redengevend dat:
- uit het proces-verbaal van bevindingen van FIU Nederland met bijlagen blijkt dat op 1 mei 2014 door verdachte een bedrag van € 51.000 in goederen is geleend aan [C] / [medeverdachte] ;
- op 1 mei 2014 door verdachte / [D] BV een bedrag van € 19.000 is geleend aan [C] / [medeverdachte] ;
- het betreffende chalet op 28 juli 2014 is geleverd aan [C] BV.
Ten aanzien van het bedrag van € 175.000 ontvangen (uit de lening [betrokkene 1] ) d.d. 23 maart 2017 is naar het oordeel van het hof redengevend dat:
- verdachte een lening van € 175.000 heeft afgesloten bij [betrokkene 1] op 23 februari 2017 te [plaats] ;
- [C] BV € 75.000 heeft ontvangen van [betrokkene 1] ;
- verdachte op 23 maart 2017 in een telefoongesprek aan [betrokkene 1] heeft gevraagd of het naar twee bankrekeningen mag en dat [betrokkene 1] in datzelfde telefoongesprek heeft aangegeven dat de "75" onderweg is;
- verdachte op 23 maart 2017 twee sms-berichten naar [betrokkene 1] heeft gestuurd, inhoudende respectievelijk “100k Luxemb aub” en “En rest naar NL”;
- verdachte ter zitting van het hof heeft verklaard dat [betrokkene 1] een woekerrente vroeg, hij (verdachte) de lening nodig had voor de aankoop van dranken en dat hij was “opgehangen” aan [betrokkene 1] .
Ten aanzien van de bedragen van € 100.000 en € 50.000 ontvangen uit een lening van verdachte bij BV [A] , acht het hof redengevend dat:
- verdachte op 24 maart 2017 een lening van € 150.000 heeft afgesloten bij BV [A] , waarvan € 100.000 te ontvangen op de Luxemburgse bankrekening ten name van verdachte en € 50.000 contant; en
- verdachte ter zitting van het hof heeft bevestigd dat hij de lening tegen tien procent rente per jaar heeft gekregen ten behoeve van de aankoop van dranken.
Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder A ten laste gelegde geldbedragen heeft onttrokken aan de boedel, door de betreffende transacties buiten het zicht van de curator te laten plaatsvinden.
Het hof zal verdachte vrijspreken van de transactie van aandelen in [G] BV.
Onderdeel B: wederrechtelijke bevoordeling van schuldeisers
In verband met de aflossing(en) van de lening bij [betrokkene 2] acht het hof redengevend dat:
- uit een overeenkomst 26 april 2017 tussen verdachte en [betrokkene 2] blijkt dat verdachte eerder € 170.000 heeft geleend van [betrokkene 2] en dat daarvan in 2014 en 2015 een bedrag van € 97.500 is afgelost per bank en in contanten en dat nog een bedrag van € 72.500 open staat.
- volgens een notitie op de achterkant van een bankafschrift verdachte twee keer € 25.000 per bank heeft afgelost en er drie bedragen van respectievelijk € 30.000, € 10.000 en € 7.500 contant zijn afgelost aan [betrokkene 2] :
- uit bankafschriften blijkt dat op 26 februari 2014 en 22 april 2014 telkens € 25.000 vanuit [E] is betaald aan [betrokkene 2] .
Met betrekking tot de aflossing(en) van de lening bij [betrokkene 3] acht het hof redengevend dat:
- vanaf de bankrekening gesteld ten name van [D] BV op vijf verschillende data in augustus en september 2013 in totaal € 195.000 aan [betrokkene 3] is overgemaakt met de omschrijving "aflossing”;
- [betrokkene 3] heeft over de lening verklaard: “ik heb daar later 195.000 euro van gekregen”;
- verdachte ter zitting van het hof heeft verklaard dat hij uit de door [getuige] (het hof begrijpt: [B] BV) betaalde 1 miljoen euro onder meer het bedrag van € 195.000 heeft betaald aan [betrokkene 3] .
Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder B ten laste gelegde geldbedragen heeft aangewend om deze schuldeisers wederrechtelijk te bevoordelen, door de betreffende transacties buiten het zicht van de curator te laten plaatsvinden.
Onderdeel C: het niet verantwoorden van baten
In verband met de lening van € 1 miljoen bij [B] BV acht het hof redengevend dat:
- [E] op 27 augustus 2013 een lening is aangegaan bij [B] BV voor een bedrag van € 1 miljoen;
- uit een rekeningafschrift van [D] BV blijkt dat op 15 augustus 2013 een bedrag van € 250.000 en op 28 augustus 2013 een bedrag van € 750.000 is ontvangen van [B] BV;
- [getuige] , bestuurder van [B] BV, heeft bevestigd dat hij in totaal ruim € 2 miljoen aan verdachte en diens partner heeft geleend.
Ten aanzien van het totaalbedrag van € 481.000 aan contante stortingen is naar het oordeel van het hof redengevend dat:
- uit bankafschriften van [D] BV volgt dat in de periode van 10 juli 2012 tot en met de opheffing van de rekening op 11 juni 2014 in totaal een bedrag van € 481.000 aan contante stortingen is verricht op de rekening van [D] BV.
Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de baten uit de lening van [B] BV en de contante stortingen op de rekening van [D] BV niet heeft verantwoord door deze buiten het zicht van de curator te houden.”
3. Wettelijk kader, wetsgeschiedenis en relevante rechtspraak
3.1
De volgende bepalingen zijn van belang:
- artikel 20 van de Faillissementswet (hierna: Fw):
“Het faillissement omvat het gehele vermogen van de schuldenaar ten tijde van de faillietverklaring, alsmede hetgeen hij gedurende het faillissement verwerft.”
- artikel 23 Fw:
“Door de faillietverklaring verliest de schuldenaar van rechtswege de beschikking en het beheer over zijn tot het faillissement behorend vermogen, te rekenen van de dag waarop de faillietverklaring wordt uitgesproken, die dag daaronder begrepen.”
- artikel 24 Fw:
“Voor verbintenissen van de schuldenaar, na de faillietverklaring ontstaan, is de boedel niet aansprakelijk dan voorzover deze ten gevolge daarvan is gebaat.”
- artikel 341, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), zoals dat luidde tot 1 juli 2016:
“Als schuldig aan bedrieglijke bankbreuk wordt gestraft hetzij met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren en geldboete van de vijfde categorie, hetzij met één van deze straffen, hij:
a. die in staat van faillissement is verklaard, indien hij ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers:
1°. hetzij lasten verdicht heeft of verdicht, hetzij baten niet verantwoord heeft of niet verantwoordt, hetzij enig goed aan de boedel onttrokken heeft of onttrekt;
(...)
3°. ter gelegenheid van zijn faillissement of op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen, een van zijn schuldeisers op enige wijze bevoordeeld heeft of bevoordeelt;
(...).”
- artikel 341 lid 1 Sr, zoals dat luidt sinds 1 juli 2016:
“Hij die in staat van faillissement is verklaard wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien hij, wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld:
1°. voor of tijdens het faillissement enig goed aan de boedel heeft onttrokken of onttrekt;
2°. voor of tijdens het faillissement een van zijn schuldeisers op enige wijze wederrechtelijk heeft bevoordeeld of bevoordeelt.”
3.2
De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de aanpassing van artikel 341 lid 1 Sr met ingang van 1 juli 2016 houdt onder meer in:
“Het gaat in artikel 341 Sr om gedragingen die opzet vereisen. In de huidige redactie wordt in dat verband in de bepalingen nog gesproken van «ter bedrieglijke verkorting». Hiermee wordt een aanvullend opzet tot uitdrukking gebracht. (...) In een tweetal arresten heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat voor het vervullen van delictsbestanddeel «ter bedrieglijke verkorting» zogenoemd voorwaardelijk opzet volstaat; het bewust de aanmerkelijke kans aanvaarden dat door de gedraging schuldeisers benadeeld worden in hun verhaalsmogelijkheden (zie Hoge Raad 11 mei 2010, LJN: BL7662 en Hoge Raad 9 februari 2010, NJ 2010, 104) (...) Voorgesteld wordt, mede in het licht van deze jurisprudentiële ontwikkelingen, in de nieuwe formulering van artikel 341 Sr te kiezen voor een andere meer gebruikelijke formulering van het subjectieve bestanddeel – «wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld». Daardoor wordt ook in de wettekst duidelijk tot uitdrukking gebracht dat dit subjectieve bestanddeel tevens voorwaardelijk opzet omvat. Voor beoordeling van dit begeleidend opzet is het moment waarop het strafbare handelen plaatsvindt bepalend, zoals de NVB in haar advies opmerkte. Anders dan in de huidige strafbepalingen wordt door de nieuwe formulering wel vereist dat een of meer schuldeisers in het faillissement daadwerkelijk zijn benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden. Deze benadeling moet op enig moment hebben bestaan, doch behoeft niet onherstelbaar te zijn (vgl. Hoge Raad 9 februari 2010, NJ 2010, 104).”
(Kamerstukken II 2013/14, 33994, nr. 3, p. 14.)
3.3.1
In zijn arrest van 28 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:128 heeft de Hoge Raad overwogen dat de wetgever, met het vervangen in de delictsomschrijving van het bestanddeel ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers’ door het bestanddeel ‘wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld’, tot uitdrukking heeft gebracht dat voor strafbaarheid op grond van deze bepaling vereist is dat niet alleen komt vast te staan dat de verdachte heeft gehandeld met het (voorwaardelijk) opzet om een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden te benadelen, maar ook – anders dan voorheen – dat de schuldeisers als gevolg van dat handelen daadwerkelijk zijn benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden.
3.3.2
In zijn arrest van 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2021 heeft de Hoge Raad over artikel 341, aanhef en onder a sub 1˚, (oud) Sr overwogen dat die bepaling beoogt onder meer alle handelingen te treffen die de in staat van faillissement verklaarde heeft verricht ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers, waardoor wat onder het bereik en beheer van de curator in het faillissement behoorde te komen, buiten zijn bereik en beheer wordt gehouden en dat daarvan geen sprake kan zijn als de betreffende goederen, omdat zij aan een derde toebehoren, buiten het faillissement blijven.
4. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.1
Het cassatiemiddel komt op tegen de bewezenverklaring van feit 3 met de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, aan de vaststelling dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van de rechtspersonen [D] B.V. (hierna: [D] ), [E] B.V. (hierna: [E] ) en [G] B.V., opgevolgd door [C] B.V. (hierna: [C] ) het rechtsgevolg heeft verbonden dat het handelen en vermogen van de verdachte op een lijn kan worden gesteld met het handelen en vermogen van deze rechtspersonen en dat het civielrechtelijke identiteitsverschil tussen de verdachte en deze rechtspersonen kan worden weggedacht.
4.2.1
Zoals onder 2.3 is weergegeven, heeft het hof geoordeeld dat de verdachte feitelijk de zeggenschap had over de rechtspersonen [D] en [E] , en dat hij misbruik maakte van deze rechtspersonen, in welk verband het hof, kort gezegd, het volgende heeft vastgesteld.De verdachte was enig aandeelhouder en formeel bestuurder van [D] en binnen [E] verrichte hij alle (bestuurs)activiteiten. Binnen deze twee rechtspersonen werden in de tenlastegelegde periode geen zakelijke activiteiten verricht of een onderneming gedreven. De aandelen van [C] waren in handen van de vrouw en kinderen van de verdachte, en zijn in 2017 verkocht aan [F] SA, vertegenwoordigd door de verdachte.De verdachte kon beschikken over de bankrekeningen van [D] en [E] en gebruikte deze voor privé-uitgaven. De rekening van [D] werd gevoed met zeer grote geldbedragen (waaronder contante stortingen van € 481.000) en de verdachte ging uit naam van [D] en [E] leningen aan, of loste leningen af. Al deze transacties hadden niets met activiteiten van die rechtspersonen van doen, maar betroffen persoonlijke belangen van de verdachte. Een deel van de genoemde grote geldbedragen werd gestort op een Luxemburgse bankrekening die de verdachte had geopend en die door hem het meest werd gebruikt. Over zijn faillissement verklaarde de verdachte in een telefoongesprek met een derde dat het hem niet interesseerde en dat hij er geen last of gemak van had.
4.2.2
Het op deze niet onbegrijpelijke vaststellingen gegronde oordeel van het hof dat de verdachte aldus misbruik heeft gemaakt van [D] en [E] , wordt door het cassatiemiddel niet bestreden. Voor zover het cassatiemiddel ervan uitgaat dat het hof deze rechtspersonen heeft ‘vereenzelvigd’ met de verdachte, faalt het omdat het berust op een verkeerde lezing van het arrest. Het wel in het bestreden arrest besloten liggende oordeel van het hof dat dit misbruik, bestaande uit, kort gezegd, het door de verdachte tijdens zijn faillissement vrijelijk en voor eigen doeleinden beschikken over activa, waarbij de verdachte slechts in naam gebruikmaakte van deze rechtspersonen, meebrengt dat de in die transacties betrokken vermogensbestanddelen geacht moeten worden te behoren tot het vermogen van de verdachte – als schuldenaar, bedoeld in artikel 20 Fw – geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.
4.3
Het cassatiemiddel faalt in zoverre.
5. Beoordeling van het derde cassatiemiddel
5.1
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van feit 3 voor zover deze inhoudt dat de verdachte, kort gezegd, de rechten van zijn schuldeisers heeft verkort althans zijn schuldeisers heeft benadeeld door het gedurende zijn faillissement aangaan van geldleningen en het daaruit ontvangen van geldbedragen van [betrokkene 1] , [B] BV (hierna: [B] ) en BV [A] (hierna: [A] ) en deze transacties buiten het zicht van de curator te laten plaatsvinden.
5.2
De tenlastelegging onder 3 is toegesneden op artikel 341, aanhef en onder a, (oud) Sr en artikel 341 lid 1 Sr. Daarom moet worden aangenomen dat de in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende woorden ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers’ en ‘terwijl hij wist dat een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld’ zijn gebruikt in de betekenis die die woorden (althans het equivalent daarvan) hebben in die respectievelijke bepalingen.
5.3.1
Het hof heeft onder meer vastgesteld dat:- de verdachte op 10 juli 2012 bij vonnis van de rechtbank Groningen persoonlijk failliet is verklaard;- de verdachte daarna gedurende zijn faillissement misbruik heeft gemaakt van de vennootschappen [D] en [E] , zoals hiervoor onder 4.2.1 en 4.2.2 is weergegeven;- hoewel in de tenlastegelegde periode geen zakelijke activiteiten meer werden verricht in [D] en [E] , op de rekening van [D] € 990.000 is gestort door [E] , waarbij van een onderliggende zakelijke overeenkomst niet is gebleken, welk bedrag afkomstig was van [B] , waarvan de bestuurder heeft verklaard dat de verdachte € 1.000.000 nodig had, omdat de verdachte en zijn gezin ernstig bedreigd werden door Turkse mannen;- de verdachte € 175.000 heeft ontvangen uit een lening van [betrokkene 1] , waarbij de verdachte aan [betrokkene 1] heeft opgedragen om € 100.000 op zijn Luxemburgse rekening te storten;- de verdachte bedragen van € 100.000 en € 50.000 heeft ontvangen uit leningen van [A] , waarbij hij € 100.000 contant ontving en € 50.000 op zijn Luxemburgse rekening;- de ontvangen bedragen mede hebben gediend ter financiering van persoonlijke uitgaven en voor de aflossing van privé-schulden van de verdachte en zijn partner;- de verdachte de curator onder meer van deze leningen niet op de hoogte heeft gesteld, terwijl de verdachte wist dat hij daartoe gehouden was.
5.3.2
Op grond van onder meer deze vaststellingen heeft het hof geoordeeld dat de verdachte heeft gehandeld ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers’ onderscheidenlijk ‘terwijl hij wist dat (...) een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld voor of tijdens het faillissement’.In aanmerking genomen dat de verdachte ook op de terechtzitting in hoger beroep geen duidelijk en volledig beeld heeft gegeven van de herkomst en bestemming van de grote geldbedragen waarover hij tijdens zijn faillissement kon beschikken en die hij kennelijk geheel naar eigen inzicht kon besteden en heeft besteed, heeft het hof, zoals in zijn oordeel besloten ligt, zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat de verdachte, door het op deze manier besteden van deze bedragen, zijn schuldeisers heeft benadeeld. Dat de omvang van deze benadeling niet zonder meer gelijk is aan de hoogte van de door het hof in aanmerking genomen ‘geldleningen’, doet daaraan niet af.Daarbij verdient opmerking dat in de vaststellingen en overwegingen van het hof als zijn niet onbegrijpelijke oordeel besloten ligt dat zich hier niet de situatie voordoet zoals in HR 3 december 1974, ECLI:NL:HR:1974:AB6908 en HR 12 mei 1992, ECLI:HR:1992:AC2505, waarin tegenover de gedurende het faillissement verworven baten op grond van de daaraan ten grondslag liggende zakelijke overeenkomsten (mogelijk) verplichtingen van gelijke hoogte stonden, zodat – waren deze baten wel bij de curator bekendgemaakt – daartegenover een boedelschuld van (ten minste) gelijke hoogte stond. In dat verband is van belang dat de verdachte niet aan de curator en ook niet aan het hof duidelijk en volledig inzicht heeft gegeven in de herkomst en de bestemming van de geldbedragen waarover hij gedurende zijn faillissement beschikte, en in verband daarmee in de manier waarop de verdachte – ondanks zijn lopende faillissement – derden beweerdelijk bereid heeft gevonden hem geldbedragen van zo’n omvang ter beschikking te stellen. Dat tegenover die bereidheid verplichtingen stonden die deze derden anders jegens de boedel geldend hadden kunnen maken, behoefde het hof op grond van wat de verdachte daarover naar voren heeft gebracht niet aan te nemen.
5.4
Het cassatiemiddel faalt.
6. Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel
6.1
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van feit 3 voor zover deze ziet op de contante stortingen ten bedrage van € 481.000 op de bankrekening van [D] . Het klaagt dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat sprake was van ‘baten’ zoals bedoeld in artikel 341, aanhef en onder a sub 1°, (oud) Sr. Het cassatiemiddel klaagt verder dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de verdachte heeft gehandeld ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers’.
6.2
Het betreffende onderdeel van de bewezenverklaring steunt op onder meer het volgende bewijsmiddel:
“20. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 10 mei 2023, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
(...)
[D] B.V. ( [D] ) is een lege rechtspersoon.
U houdt mij voor dat in 2011 op naam van [D] een bankrekening is geopend bij ING Bank. Dat was voorafgaand aan het faillissement. U, voorzitter, houdt mij voor dat na het faillissement op die rekening een bedrag van € 481.000 is gestort. Ik heb dat niet gemeld bij de curator. Het betrof oude vorderingen van F1 Racing uit 2007 en 2008. De bankrekening van [D] was de enige die ik tot mijn beschikking had. Ik had het geld contant ontvangen, op de rekening gestort en er vervolgens leveranciers mee betaald.”
6.3
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte op enig moment in contanten een bedrag van € 481.000 heeft ontvangen en dit bedrag na het faillissement op de rekening van [D] heeft gestort, waarna hij daarmee betalingen heeft verricht. Daaruit heeft het hof kennelijk afgeleid dat het bedrag van € 481.000 ten tijde van het faillissement tot het vermogen van de verdachte behoorde, dan wel dat hij dit bedrag gedurende het faillissement heeft verworven, en dus dat het op grond van artikel 20 Fw tot de boedel behoorde. Op grond hiervan oordeelde het hof dat sprake was van ‘baten’ die de verdachte aan de curator had moeten verantwoorden en dat, door dat niet te doen, hij handelde ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers. Dat oordeel geeft – tegen de achtergrond van de door het hof vastgestelde omstandigheden die onder 4.2.1 en 4.2.2 zijn weergegeven – niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.
6.4
Het cassatiemiddel faalt in zoverre.
7. Beoordeling van het zesde cassatiemiddel
7.1
Het cassatiemiddel klaagt over de beslissing van het hof dat de inbeslaggenomen geldtelmachine moet worden onttrokken aan het verkeer.
7.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 101 en 102.
8. Beoordeling van het zevende cassatiemiddel
8.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
8.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 38 maanden.
9. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
10. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen geldtelmachine;
- vermindert de gevangenisstraf in die zin dat deze 37 maanden beloopt;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden, opdat de zaak wat betreft dat inbeslaggenomen voorwerp opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren R. Kuiper en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 oktober 2025.
Conclusie 22‑04‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie A-G. Veroordeling voor 1. opzettelijk valse bankbiljetten in voorraad hebben (art. 209 Sr), 2. medeplegen van valsheid in geschrift en medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift (art. 225 Sr) en 3. faillissementsdelicten (art. 341 Sr). M1: klacht over bewijsvoering feit 1. M2 t/m M5: rechtsklachten en bewijsklachten over bewijsvoering feit 3. M6: klacht over de motivering van de oahv van een geldtelmachine. M7: klacht over schending redelijke termijn. De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft een deel van de beslissingen inzake feit 3 alsmede de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het hof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/02167
Zitting 22 april 2025
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 24 mei 2023 door het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden wegens 1. ‘bankbiljetten waarvan de valsheid hem, toen hij ze ontving, bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst te doen uitgeven, in voorraad hebben’, 2. ‘medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, en medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd’ en 3. ‘bedrieglijke bankbreuk, meermalen gepleegd en het als degene die in staat van faillissement is verklaard, voor of tijdens het faillissement enig goed aan de boedel onttrekken terwijl hij weet dat hierdoor een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot 38 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr. Het hof heeft voorts nader omschreven voorwerpen verbeurd verklaard en van nader omschreven voorwerpen de onttrekking aan het verkeer bevolen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte.1.Th.O.M. Dieben en G.A. Jansen-de Wolf, beiden advocaat in Amsterdam, hebben zeven middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel bevat een klacht over de bewijsvoering van feit 1. Het tweede tot en met vijfde middel bevatten klachten over de bewijsvoering van feit 3. Het zesde en zevende middel bevatten geen bewijsklachten. Ik geef in het navolgende eerst de bewezenverklaring en bewijsvoering van feit 1 weer, alsmede een deel van de pleitnota, en bespreek daarna het eerste middel. Vervolgens geef ik de bewezenverklaring en bewijsvoering van feit 3 weer alsmede een passage uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en een deel van de pleitnota. Aansluitend bespreek ik het tweede tot en met vijfde middel. Daarna komen het zesde en zevende middel aan bod.
Bewezenverklaring en bewijsvoering van feit 1; pleitnota
4. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaard dat:
‘hij, op 6 juli 2017 te [plaats] , opzettelijk 49 bankbiljetten van 500 euro, waarvan de valsheid verdachte, toen hij die bankbiljetten ontving, bekend was, met het oogmerk om die bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven in voorraad heeft gehad’
5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):
‘1. Het proces-verbaal van documentonderzoek, (…), voor zover inhoudende − zakelijk weergegeven:
Op donderdag 8 juni 2017 ontving ik van [betrokkene 1] van de Landelijke Eenheid 49 eurobiljetten met een denominatie van 500. Deze biljetten hebben de volgende kenmerken:
(…)
ONDERZOEK
Tijdens mijn onderzoek stelde ik vast dat in elk van de aangeboden biljetten de volgende echtheidskenmerken ontbreken:
- watermerken; en
- intaglio druktechniek.
Conclusie
Elk van de 49 aangeboden biljetten was totaal vals.
2. De kennisgeving van inbeslagneming, (…), voor zover inhoudende − zakelijk weergegeven:
Inbeslagneming
Adres: [a-straat 1]
Postcode, plaats: [plaats]
Datum en tijd: 7 juni 2017 te 07:40 uur
Omstandigheden: Doorzoeking woning t.b.v. onderzoek 26DanaPoint
Beslagene
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Adres: [a-straat 1]
Postcode, plaats: [plaats]
Omschrijving in beslag genomen goed
Aantal/eenheid: 49
Bijzonderheden: GELD: envelop met (valse) 500-eurobiIjetten
3. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, op 11 juni 2019, voor zover inhoudende − zakelijk weergegeven:
Het valse geld heb ik in de periode 2010/2012 ontvangen. Op het moment dat ik het geld zag, wist ik direct dat het vals was. Ik heb het geld onder mijn bed gestopt.’
6. Het hof heeft in verband met het bewijs van feit 1 voorts het volgende overwogen:
‘Feit 1: in voorraad hebben van vals geld met het oogmerk van het in omloop brengen
Vast staat dat:
- in de woning van verdachte in de slaapkamer onder het matras 49 biljetten van € 500 zijn aangetroffen;
- deze biljetten vals waren door het ontbreken van het watermerk en de intaglio druktechniek;
- verdachte op de hoogte was van de valsheid op het moment dat hij de biljetten zag.
(…)
Standpunt van de verdediging
Namens verdachte is ten aanzien van feit 1 vrijspraak bepleit. In dat verband heeft de verdediging aangevoerd dat bij verdachte het oogmerk ontbrak om het valse geld in omloop te brengen. Bovendien waren de biljetten dusdanig nep dat deze niet voor uitgave in aanmerking kwamen, gelet op het ontbreken van het watermerk en de intaglio druktechniek.
(…)
Oordeel van hef hof
Het hof is van oordeel dat de namens verdachte gevoerde verweren strekkende tot (deel)vrijspraak van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde worden weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt hierbij in het bijzonder als volgt.
Feit 1: in voorraad hebben van vals geld met het oogmerk van het in omloop brengen
De vragen die het hof in dit kader moet beantwoorden zijn of verdachte (1) opzet had op het in voorraad hebben van de aangetroffen biljetten. (2) op het moment van ontvangen van die biljetten wist dat deze vals waren en (3) het oogmerk had om die valse biljetten in omloop te brengen.
Met betrekking tot het opzet acht het hof van belang dat de biljetten zijn aangetroffen op een plek in de woning van verdachte waartoe hij niet slechts toegang had, maar waarvan hij ook als hij in de woning verbleef dagelijks gebruik maakte. De biljetten zijn namelijk aangetroffen onder het matras van zijn bed. Daaruit leidt het hof af dat de biljetten zich binnen de beschikkingsmacht van verdachte bevonden. Daarmee is sprake van opzet op het in voorraad hebben.
Over zijn wetenschap van de valsheid heeft verdachte bij de politie niets verklaard. Pas ter zitting van de rechtbank van 11 juni 2019 heeft hij verklaard dat hij bij het zien van het geld direct wist dat het vals was, het geld onder zijn bed heeft gestopt en er nooit meer aan heeft gedacht. Hij verklaarde het geld in periode 2010/2012 te hebben ontvangen. Verdachte had in die tijd een bedrijf dat snacks produceerde en "er werd veel contant betaald" en de klant van wie het geld door hem werd ontvangen was niet meer te traceren. Ter zitting van het hof heeft verdachte verklaard dat hij het geld had ontvangen van een Bulgaarse relatie, namelijk een afnemer van energy drinks, bij een hotel in [plaats] , het geld in gesealde pakketten verpakt zat, en hij er thuis achter kwam dat het geld vals was en het vervolgens bewaarde voor het geval dat hij de betreffende Bulgaarse relatie weer zou tegenkomen en hij dan het geld kon omruilen (het hof begrijpt: voor echt en onvervalst geld). Het was veel geld want verdachte had veel geld tegoed van de Bulgaarse afnemer en de Bulgaarse afnemer had het alleen cash.
Verdachte wist dat hij 49 valse biljetten van € 500 onder zijn matras had liggen. Het is een feit van algemene bekendheid dat mensen vaak geld of waardevolle goederen onder hun matras plegen te verstoppen. Voor verdachte vertegenwoordigden de valse bankbiljetten in elk geval waarde nu hij de bankbiljetten verstopte en bewaarde. Zowel deze verstopplek als het aantal en soort valse bankbiljetten maken duidelijk dat verdachte geen ander doel moet hebben gehad dan dit geld op enig moment uit te geven. Een ander gebruik van deze valse bankbiljetten dan deze als echt en onvervalst uit te geven dan wel te doen uitgeven laat zich zonder geloofwaardige andersluidende verklaring die niet gegeven is, niet denken. Ook het omruilen van valse bankbiljetten in echte en onvervalste bankbiljetten is aan te merken als "uitgeven” van valse bankbiljetten. Uit de verklaring van verdachte ter zitting dat hij de valse bankbiljetten wilde omruilen blijkt dus ook zijn oogmerk om de valse bankbiljetten uit te geven.
Verdachte heeft ter zitting een alternatief scenario opgeworpen, dat er in de kern op neer komt dat hij pas thuis wist dat het geld vals was en dat hij het geld niet in voorraad heeft gehouden om er zelf mee te betalen.
Het hof schuift de verklaring van verdachte ter zitting over de herkomst van het valse geld en de wijze van verkrijging als ongeloofwaardig terzijde op grond van het volgende.
- Verdachte heeft tijdens geen enkel verhoor bij de politie verklaard over de herkomst van het geld of zelfs maar gesteld dat hij niet het oogmerk heeft gehad om de betreffende valse bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven of deze te doen uitgeven. Verdachte heeft in een laat stadium, te weten ter zitting van de rechtbank een inhoudelijke verklaring afgelegd. Die verklaring over de herkomst van het valse geld heeft verdachte bijna vier jaar later ter zitting van het hof geheel gewijzigd en voorzien van enkele niet te verifiëren details. Verdachte heeft uiteindelijk twee verschillende en andersluidende verklaringen afgelegd over het valse geld onder zijn matras.
- Verdachte heeft geen van zijn verklaringen ter zitting onderbouwd met namen, bedragen, stukken als facturen en orderbevestigingen of andere te verifiëren gegevens. Niet alleen is zijn verklaring pas in een heel laat stadium afgelegd, zijn verklaring is ook niet toetsbaar en niet verifieerbaar.
- Bovendien tart zijn verklaring elke logica. Niet valt in te zien dat verdachte als professionele handelspartij de betalingsachterstand van een zakelijke relatie laat oplopen tot een bedrag van € 24.500 of meer; dat hij dat bedrag vervolgens in een geseald pakket biljetten laat betalen zonder te controleren of het gehele bedrag voldaan is en in welke valuta; dat hij zich laat betalen in een hotel en niet op zijn kantoor en dat hij moet wachten tot hij de afnemer weer tegenkomt en kennelijk dus geen contactgegevens heeft van deze afnemer.
De verdediging heeft ook nog het verweer gevoerd dat de bankbiljetten dusdanig nep waren dat ze niet voor uitgifte geschikt waren omdat het watermerk ontbrak en de druktechniek afweek. Het hof verwerpt dat verweer. Uit de enkele onderbouwing dat het watermerk ontbrak en de druktechniek afweek blijkt niet dat de biljetten niet voor uitgifte geschikt waren. Van evident valse bankbiljetten zoals bijvoorbeeld Monopoly geld is geen sprake.
Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het alleen plegen van het onder 1 tenlastegelegde.’
7. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 mei 2023 houdt onder meer het volgende in:
‘De verdachte verklaart op vragen van de voorzitter:
(…)
Feit 1
Ik heb het geld al in 2010 of 2012 ontvangen bij een hotel in [plaats] van een zakenrelatie in de drankenhandel. Bij thuiskomst zag ik dat het vals was. Ik heb geen aangifte gedaan. Wel heb ik geprobeerd die relatie te benaderen, maar dat is niet gelukt. Ik heb geld bewaard voor het geval ik hem weer zou tegenkomen. Er speelde ook schaamte.
(…)
De raadsman, mr. Kramer, voert het woord tot verdediging volgens zijn pleitnota die aan dit proces-verbaal is gehecht.’
8. De pleitnota houdt onder meer in:
‘Bovendien waren de bankbiljetten dusdanig nep dat deze niet voor uitgave in aanmerking kwamen. Er was immers op geen enkel van de biljetten een watermerk aanwezig, bovendien ontbrak de intaglio druktechniek. De [verbalisant] die het onderzoek heeft uitgevoerd komt ook tot de conclusie dat de biljetten totaal vals zijn. Het watermerk is een van de belangrijkste kenmerken om vals geld van echt geld te onderscheiden. Op het moment dat iemand een € 500 biljet ontvangt zal iedereen het bankbiljet tegen het licht houden om te zien of er een watermerk in zit. Indien dat watermerk er niet in gedrukt zit, zal iedereen weten dat het vals geld betreft.’
Bespreking van het eerste middel
9. Het eerste middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring van feit 1 voor zover inhoudende dat verdachte de in de bewezenverklaring genoemde valse bankbiljetten in voorraad heeft gehad ‘met het oogmerk om die bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven’ onbegrijpelijk dan wel ontoereikend is gemotiveerd. Aangevoerd wordt dat de bewijsvoering innerlijk tegenstrijdig is nu het hof enerzijds de verklaring van de verdachte over het weer willen omruilen van de biljetten bij de Bulgaarse relatie redengevend zou hebben geacht voor de bewezenverklaring van het oogmerk van verdachte terwijl het hof anderzijds diezelfde verklaring van de verdachte over een Bulgaarse relatie als ongeloofwaardig terzijde heeft gesteld.
10. Het hof heeft overwogen dat de verstopplek, het aantal en de soort van de valse bankbiljetten duidelijk maken dat de verdachte ‘geen ander doel moet hebben gehad dan dit geld op enig moment uit te geven’. Het hof overweegt vervolgens dat ook het omruilen van valse bankbiljetten in echte en onvervalste bankbiljetten is aan te merken als ‘uitgeven’ van valse bankbiljetten, en dat uit de verklaring van de verdachte dat hij de valse bankbiljetten wilde omruilen dus ‘zijn oogmerk om de valse bankbiljetten uit te geven’ blijkt. Naar ik begrijp ontleent het hof aan deze verklaring van de verdachte alleen dat de lezing van de verdachte geen bestrijding inhoudt van de bewijsvoering van bedoeld oogmerk. Daar komt bij dat het hof in de daarop volgende overwegingen, door aan te geven dat en waarom zijn verklaring ‘elke logica’ tart, alleen de verklaring voor zover inhoudend dat verdachte het valse geld bij de opgevoerde Bulgaarse relatie wilde omruilen ongeloofwaardig heeft geoordeeld.
11. In het licht van een ander meen ik dat de klacht dat de bewijsvoering innerlijk tegenstrijdig is, faalt.
12. De stellers van het middel menen dat de bewijsvoering de bewezenverklaring ook om een andere reden niet kan dragen. Het zou geen feit van algemene bekendheid zijn dat mensen vaak geld of waardevolle goederen onder hun matras plegen te verstoppen. Het zou op zijn hoogst een feit van algemene bekendheid zijn dat mensen ‘van alles en nog wat onder hun bed plegen te bewaren’. Daarbij zou het hof dit feit van algemene bekendheid in strijd met art. 301 Sv niet voorafgaand ter zitting aan de orde hebben gesteld. En ook als wordt aangenomen dat sprake is van een feit van algemene bekendheid, zou het enkele feit dat verdachte de biljetten kennelijk waardevol genoeg achtte om ze onder zijn bed te bewaren niets zeggen over de wens ze uit te geven.
13. In een arrest van 11 januari 2011 heeft Uw Raad overwogen dat van algemene bekendheid zijn ‘die gegevens die ieder van de rechtstreeks bij het geding betrokkenen geacht moet worden te kennen of die hij zonder noemenswaardige moeite uit algemeen toegankelijke bronnen kan achterhalen. Voor algemene ervaringsregels geldt hetzelfde’.2.Of het inderdaad een feit van algemene bekendheid is dat mensen vaak geld of waardevolle goederen onder hun matras plegen te verstoppen, kan, meen ik, in het midden blijven. Het hof heeft daarop volgend overwogen dat de valse bankbiljetten voor de verdachte in elk geval waarde vertegenwoordigden ‘nu hij de bankbiljetten verstopte en bewaarde’. Die feitelijke gevolgtrekking is niet onbegrijpelijk. In het licht van die overweging heeft hetgeen het hof als feit van algemene bekendheid heeft aangemerkt in de bewijsvoering geen zelfstandige, dragende functie.
14. Ingevolge art. 301, vierde lid, Sv, wordt ten bezware van de verdachte geen acht geslagen ‘op stukken, die niet zijn voorgelezen of waarvan de korte inhoud niet overeenkomstig het derde lid is meegedeeld’. Dat het hof als een feit van algemene bekendheid aanmerkt dat mensen vaak geld of waardevolle goederen onder hun matras plegen te verstoppen, maakt reeds duidelijk dat het hof dit gegeven niet heeft ontleend aan een stuk dat voorgelezen had moeten worden. Ik merk voorts op dat geen rechtsregel de rechter ertoe dwingt ‘een algemeen bekend gegeven bij het onderzoek op de terechtzitting ter sprake te brengen’. Dat is alleen anders als ‘niet zonder meer duidelijk is of het gaat om een algemeen bekend gegeven’.3.Die uitzondering doet zich hier – meen ik – niet voor.
15. Anders dan de stellers van het middel meen ik voorts dat het hof mede op grond van de verstopplek heeft kunnen aannemen ‘dat verdachte geen ander doel moet hebben gehad dan dit geld op enig moment uit te geven’. Het hof heeft uit die verstopplek – niet onbegrijpelijk – afgeleid dat het valse geld voor de verdachte waarde vertegenwoordigde, en dat zonder geloofwaardige andersluidende verklaring die niet gegeven is een ander gebruik van deze bankbiljetten (waarin, zo begrijp ik het hof, die waarde zich realiseert) dan (doen) uitgeven zich niet laat denken.
16. In het licht van een en ander meen ik dat ook deze deelklacht faalt.
17. De stellers van het middel leiden voorts uit rechtspraak van Uw Raad af dat de overweging dat ‘een ander gebruik van valse bankbiljetten dan deze uit te geven zich niet laat voorstellen’ weinig relevant zou zijn. En dat zou niet anders worden door de omstandigheid dat de verdachte geen plausibele verklaring zou hebben gegeven. Zij wijzen in dit verband op een arrest van 16 januari 2018.4.De stellers van het middel menen voorts dat van belang is of eerder vervalste bankbiljetten ‘met dezelfde oorsprong’ zijn uitgegeven, of de verdachte dergelijke bankbiljetten eerder bij zich heeft gehad, en of een link kan worden gelegd met een drugsdelict. En zij voeren ten slotte aan dat van belang is of in één oogopslag zichtbaar is dat de bankbiljetten niet deugen.
18. Het in voorraad hebben van vals geld met het oogmerk om het als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, was reeds strafbaar gesteld in het Wetboek van Strafrecht dat in 1886 in werking trad. De memorie van toelichting merkte over het oogmerk op: ‘Geen muntmisdrijf zonder uitgifte of oogmerk tot uitgifte. Wie tot eigen vermaak geld namaakt, vervalscht of in waarde vermindert en dat geld aan het verkeer onttrekt, tast niet aan de betrouwbaarheid van het ruilmiddel, is niet schuldig aan eene aanranding van de openbare trouw.’5.De Raad van State vroeg zich af of dit ‘geene aanleiding (zal) geven tot ontduiking der aangehaalde artikelen (…). Zal niet menig valsche munter zich verschuilen achter de voorgewende – zij 't vreemde – liefhebberjj om voor eigen genoegen en zonder eenig misdadig doel te doen wat artt. (…) bestemd zijn te keeren?’ Maar de regering hield in het Rapport aan den Koning aan haar opvatting vast: ‘Dat bij gebreke van direct bewijs het zoo bezwaarlijk zou zijn, voor het oogmerk der uitgifte het bewijs door aanwijzingen te leveren, kan ook niet worden toegegeven.’
19. De strafbaarstelling strekt tegenwoordig ook ter uitvoering van Richtlijn 2014/62/EU.6.Artikel 3, eerste lid, schrijft onder meer voor dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen ‘dat de volgende handelingen, indien zij opzettelijk worden verricht, strafbaar worden gesteld als strafbaar feit: (…) c) het invoeren, uitvoeren, vervoeren, ontvangen of zich verschaffen van valse of vervalste munt waarvan men weet dat zij vals zijn, teneinde deze in omloop te brengen’. Het derde lid voegt daar nog aan toe dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen ‘om ervoor te zorgen dat de in leden 1 en 2 genoemde handelingen ook strafbaar zijn met betrekking tot bankbiljetten en muntstukken die nog niet zijn uitgegeven, maar bestemd zijn om in omloop te worden gebracht als wettig betaalmiddel.’7.
20. De bewijsvoering van het oogmerk om vals geld als echt en onvervalst uit te geven werd ontoereikend geoordeeld in een arrest van 31 januari 2006.8.Uit de in het arrest weergegeven bewijsmiddelen volgt dat bij de aanhouding van de verdachte twee valse bankbiljetten waren aangetroffen in zijn woning. Het ging om bankbiljetten van NLG 100,- en DM 100,-. De verdachte had verklaard: ‘Ik heb die een keer gehad van iemand’. De valse bankbiljetten waren aangetroffen in een kledingkast in de slaapkamer. Dat de bankbiljetten vals waren, was afgeleid uit drie omstandigheden: ‘onjuiste gebruikte papiersoort’; ‘afwijkende gebruikte druk/reproductie technieken’; ‘ontbreken van de overige echtheidskenmerken’. Het proces-verbaal merkt daarbij op: ‘De bankbiljetten zijn vervaardigd door middel van een kopieertechniek’. Uw Raad overwoog dat de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niets inhielden ‘waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte het oogmerk had de bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven’. Ik merk in dat verband op dat het slechts om twee (verschillende) bankbiljetten ging, en dat uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat het om een slechte kwaliteit vervalsingen ging.9.Daar komt bij dat het hof geen bewijsoverwegingen had geformuleerd.
21. In het door de stellers van het middel genoemde arrest van 16 januari 2018 bleef de veroordeling wel in stand. Uw Raad overwoog dat uit de bewijsmiddelen bleek dat het hof had vastgesteld ‘dat in de auto waarin de verdachte zat 25 valse bankbiljetten van € 500,- zijn aangetroffen, dat de verdachte heeft erkend dat het valse geld van hem was, dat hij dat geld in zijn bezit had gekregen via een ander, dat de verdachte wist dat het geld vals was, dat hij wist dat hij vals geld niet in zijn bezit mocht hebben en dat de verdachte het geld op de bewuste dag had meegenomen en in zijn vest had gestopt’. Uw Raad was van oordeel dat het hof aan deze feiten en omstandigheden de gevolgtrekking had kunnen verbinden ‘dat de verdachte de valse biljetten met de bedoeling om deze in omloop te brengen had meegenomen, waarbij het mede betekenis heeft kunnen toekennen aan de omstandigheid dat de verdachte geen verklaring heeft gegeven waarom hij het valse geld bij zich had’.
22. Ook in een arrest van 7 november 2023 bleef de veroordeling in stand.10.Uit de conclusie van A-G Spronken blijkt dat de verdachte was veroordeeld voor het met het oogmerk om dit vals geld als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven in voorraad hebben van ‘een bankbiljet van 20 euro’. A-G Spronken vestigt de aandacht op ‘de omstandigheid dat de verdachte het valse biljet bij zich droeg, samen met een handelshoeveelheid drugs’. En zij vermeldt dat ‘de verdediging ten overstaan van het hof niet heeft aangevoerd dat het biljet zo slecht vervalst was dat het voor iedereen meteen zichtbaar was dat het om een vals biljet ging’. Zij acht daarbij van belang ‘dat de aard van drugshandel (vaak heimelijk op straat) ook meebrengt dat een potentiële ontvanger van het valse biljet waarschijnlijk – anders dan bij een normale transactie – niet altijd de tijd zal nemen om het biljet op zijn echtheid te controleren’ (randnummer 4.5.3). Uw Raad deed de zaak af met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering.
23. Met de stellers van het middel kan worden ingestemd dat aan de bewijsvoering van het in artikel 209 Sr omschreven oogmerk kan bijdragen of eerder bankbiljetten die tot dezelfde partij vervalsingen behoorden zijn uitgegeven, en dat ook betekenis kan toekomen aan de plaats waar de bankbiljetten zijn aangetroffen: thuis of op straat. Dat de verdachte de bankbiljetten heeft ‘meegenomen’, zoals in de casus van het arrest van 16 januari 2018, is een aanwijzing dat hij heeft gehandeld met het oogmerk om de bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven. Dat met dat oogmerk is gehandeld kan evenwel ook op andere aanwijzingen worden gebaseerd. Het hof heeft betekenis gehecht aan de verstopplek en aan het aantal en de soort bankbiljetten: 49 bankbiljetten van € 500,-. Daaraan heeft het hof – meen ik – ook betekenis kunnen hechten.
24. Anders dan de stellers van het middel meen ik voorts dat de vaststellingen inzake de kwaliteit van de bankbiljetten en hetgeen daaromtrent door de raadsman is aangevoerd geen contra-indicatie opleveren tegen de vaststelling van het oogmerk om de valse bankbiljetten uit te geven. In het arrest van 31 januari 2006 was vastgesteld dat het ging om een onjuiste gebruikte papiersoort, en dat de bankbiljetten waren vervaardigd door middel van ‘een kopieertechniek’. In het onderhavige geval is slechts vastgesteld dat een watermerk ontbrak en dat de intaglio druktechniek ontbrak. Intaglio betekent (onder meer) ‘diepdruk’.11.Dat is een grafische techniek ‘waarbij de af te drukken lijnen, vlakken en tekens verdiept in het oppervlak van een drukplaat of drukrol liggen en door inkt in de verdiepte delen worden overgebracht op het te bedrukken materiaal’.12.Dat de verbalisant uit het ontbreken van beide echtheidskenmerken concludeert dat elk van de 49 aangeboden biljetten ‘totaal vals’ was, impliceert voorts niet dat ‘de bankbiljetten dusdanig nep (waren) dat deze niet voor uitgave in aanmerking komen’, zoals de raadsman heeft aangevoerd.
25. Daar komt bij dat het hof, anders dan in de zaak waarin Uw Raad op 31 januari 2006 arrest wees, een bewijsoverweging heeft geformuleerd waarin het heeft aangegeven op welke feiten en omstandigheden het de bewezenverklaring van het oogmerk baseert. Daarin heeft het hof onder meer vastgesteld dat de verklaring die de verdachte omtrent het valse geld heeft afgelegd een voornemen tot uitgifte impliceerde.
26. Al met al meen ik dat het hof de bewezenverklaring voor zover inhoudend dat de verdachte de 49 valse bankbiljetten opzettelijk in voorraad heeft gehad ‘met het oogmerk om die bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven’ uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden en dat de bewezenverklaring in zoverre toereikend is gemotiveerd.
27. Het middel faalt.
Bewezenverklaring en bewijsvoering van feit 3
28. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 3 bewezenverklaard dat:
‘hij, op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 juli 2012 tot en met 8 juni 2018 in Nederland, terwijl hij in staat van faillissement is verklaard (bij vonnis van de rechtbank Groningen van 10 juli 2012),
ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers en (vanaf 1 juli 2016) terwijl hij wist dat hij een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld:
A) tijdens het faillissement goederen aan de boedel heeft onttrokken, te weten:
- 70.000 euro geleend aan [A] BV op 1 mei 2014 (voor de aankoop van een chalet):
- 175.000 euro ontvangen (uit de lening van [betrokkene 2] d.d. 23 maart 2017);
- 100.000,- euro verkregen op een Luxemburgse rekening (van verdachte) en 50.000.- euro door verdachte contant ontvangen (vanuit de lening van BV [B] (d.d. 24 maart 2017);
B) (tot 1 juli 2016) ter gelegenheid van het faillissement één of meer schuldeiser(s) op enige wijze wederrechtelijk heeft bevoordeeld, immers heeft hij, verdachte,
- zijn lening aan [betrokkene 3] (gedeeltelijk) afgelost door 97.500.- euro aan die [betrokkene 3] terug te betalen (in 2014 en 2015);
- zijn lening aan [betrokkene 4] (gedeeltelijk) afgelost door 195.000 euro aan die [betrokkene 4] terug te betalen (in de periode van 29 augustus 2013 tot en met 13 september 2013);
C) (tot 1 juli 2016) Lasten heeft verdicht en/of baten niet heeft verantwoord, te welen:
- 1.000.000.- euro door een lening van [C] BV d.d. 27 augustus 2013);
- 481.000.- euro aan contante stortingen op de bankrekening van [D] BV (in de periode van 10 juli 2012 tot en met 11 juni 2014);’
29. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):
‘Feit 3
13. Een schriftelijk bescheid, inhoudende een vonnis van de rechtbank Groningen, sector civielrecht van 10 juli 2012, zaaknummer 12/182 F, voor zover inhoudende − zakelijk weergegeven:
in de zaak van:
[E] B.V.,
verzoekende partij,
tegen:
[verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats] ,
verwerende partij.
BESLISSING
De rechtbank:
- verklaart schuldenaar voornoemd om 11:10 uur in staat van faillissement;
- benoemt tot rechter-commissaris het lid van de rechtbank te ’s-Hertogenbosch, mr. P.P.M. van der Brugt;
- stelt aan tot [curator] , gevestigd te [plaats] .
14. Een schriftelijk bescheid, inhoudende een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, (…), voor zover inhoudende − zakelijk weergegeven:
KvK-nummer 17113205 Uitgeschreven uit het handelsregister per 30-09-2015
Rechtspersoon
Rechtsvorm Besloten Vennootschap
Statutaire naam [D] B.V.
Datum ontbinding 30-09-2015
Reden ontbinding Ontbinding door de Kamer van Koophandel
Deponering jaarstuk De jaarrekening over boekjaar 2003 is gedeponeerd op 25-01-2005
Enig aandeelhouder
Naam [verdachte]
Geboortedatum en -plaats [geboortedatum] -1964, [geboorteplaats]
Enig aandeelhouder sedert 03-01-2011
Bestuurder
Naam [verdachte]
Geboortedatum en -plaats [geboortedatum] -1964, [geboorteplaats]
Datum in functie 03-01-2011
Bevoegdheid Alleen / zelfstandig bevoegd
15. Een schriftelijk bescheid, inhoudende een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, (…), voor zover inhoudende − zakelijk weergegeven:
KvK-nummer [nummer ] Uitgeschreven uit het handelsregister per 03-11-2017
Rechtspersoon
Rechtsvorm Besloten Vennootschap
Statutaire naam [I] B.V.
Datum ontbinding 03-11-2017
Reden ontbinding Ontbinding door de Kamer van Koophandel
Deponering jaarstuk De jaarrekening over boekjaar 2012 is gedeponeerd op 16-06-2014
Bestuurder
Naam [medeverdachte ]
Geboortedatum en -plaats [geboortedatum] -1959, [geboorteplaats]
Datum in functie 19-10-1990
Titel Directeur
Bevoegdheid Alleen / zelfstandig bevoegd
16. Een schriftelijk bescheid, inhoudende een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, (…), voor zover inhoudende − zakelijk weergegeven:
KvK-nummer [nummer ] Uitgeschreven uit het handelsregister per 03-11-2017
Rechtspersoon
Rechtsvorm Besloten Vennootschap
Statutaire naam [F] B.V.
Deponering jaarstuk De jaarrekening over boekjaar 2015 is gedeponeerd op 06-05-2016
Bestuurder
Naam [K]
Datum in functie 08-03-2017
Bevoegdheid Alleen / zelfstandig bevoegd
Functionarisgegevens uitgetreden functionaris(sen) rechtspers.
Naam [medeverdachte ]
Geboortedatum en -plaats [geboortedatum] -1959, [geboorteplaats]
Infunctietreding 18-03-2014
Bevoegdheid Alleen / zelfstandig bevoegd
Uit functie 08-03-2017
17. Het proces-verbaal van verhoor, (…), voor zover inhoudende − zakelijk weergegeven − als verklaring van [curator]:
O: U bent door de rechter-commissaris als curator aangesteld ten aanzien van het persoonlijk faillissement van [verdachte] . Daarnaast bent u ook als curator aangesteld binnen de faillissementen van de rechtspersonen [G] BV en [H] BV. [verdachte] staat in het insolventieregister nog steeds als failliet geregistreerd.
V: Kunt u aangeven wat u bekend is over [D] BV?
A: Die naam zegt mij wat. Ik weet enkel dat het een bv zou zijn zonder inhoud. Op 20 maart 2013 heb ik een mail gestuurd naar [verdachte] . Hierin antwoord ik op een bericht van 18 maart waarin [verdachte] aangeeft dat er niets in die vennootschap zit.
O: Uit opgevraagde bankrekeningen van [D] BV zien we een groot aantal contante stortingen en overboekingen die ogenschijnlijk niet zakelijk zijn. U heeft in het faillissementsverslag op laten nemen dat de gefailleerde heeft gezegd dat er geen activiteiten plaats vonden in [D] BV.
V: Mag iemand die persoonlijk failliet verklaard is via een zakelijke rekening van een BV, waarin géén activiteiten plaats vinden, financiële handelingen verrichten?
A: In dit geval heeft [verdachte] aangegeven geen activiteiten te hebben in deze bv dus is het niet toegestaan. In het geval van [D] is hij enig aandeelhouder en bestuurder en vallen de aandelen onder het vermogen en dus onder het faillissement. Hij mag dus niet als bestuurder optreden omdat hij enig aandeelhouder is.
18. Een schriftelijk bescheid, inhoudende een brief van [curator] aan verdachte, gedateerd 17 juli 2012, (…), voor zover inhoudende − zakelijk weergegeven:
Tot slot nog dit, ten overvloede vermeld ik nog eens dat U verplicht bent mij alle informatie te verschaffen waarom ik vraag, zelfs verplicht bent mij informatie te verschaffen waarvan U weet of behoort te weten dat deze voor mijn onderzoek van belang kan zijn of is, en U zonder de toestemming van de rechter-commissaris niet is toegestaan Nederland te verlaten.
19. Een schriftelijk bescheid, inhoudende een brief van [curator] aan verdachte, gedateerd 20 maart 2013, (…), voor zover inhoudende − zakelijk weergegeven:
Voor de goede orde wijs ik U erop dat U zonder mijn toestemming geen overeenkomsten kunt sluiten.
20. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 10 mei 2023, voor zover inhoudende − zakelijk weergegeven:
[F] B.V. ( [F] ) en [I] B.V. ( [I] ) stonden op naam van mijn vrouw, [medeverdachte ] . Zij deed niets met die bedrijven en heeft geen bestuurlijke handelingen verricht. Mijn faillissement was de reden dat de bedrijven op haar naam stonden. Ik heb maar marginaal iets met de bedrijven gedaan. Het was de bedoeling dat ik op de loonlijst zou worden gezet.
In 2007 leende [betrokkene 3] ons € 125.000. In 2012 of 2013 wilde hij dat bekrachtigd hebben. Ik heb die bekrachtiging niet bij de curator gemeld. Ik stond daar niet bij stil. Die man moet z’n geld terugkrijgen. Ik heb slecht gecommuniceerd met de curator, misschien door m’n eigenwijze gedrag.
U houdt mij voor dat op 15 en 28 augustus 2013 in totaal € 1 miljoen is overgemaakt door [C] B.V., een onderneming van [betrokkene 5] , naar [I] B.V. Dat was in verband met bedreigingen. Ik heb daarover niets gezegd tegen de curator.
[D] B.V. ( [D] ) is een lege rechtspersoon.
U houdt mij voor dat in 2011 op naam van [D] een bankrekening is geopend bij ING Bank. Dat was voorafgaand aan het faillissement. U, voorzitter, houdt mij voor dat na het faillissement op die rekening een bedrag van € 481.000 is gestort. Ik heb dat niet gemeld bij de curator. Het betrof oude vorderingen van [G] uit 2007 en 2008. De bankrekening van [D] was de enige die ik tot mijn beschikking had. Ik had het geld contant ontvangen, op de rekening gestort en er vervolgens leveranciers mee betaald.
U, jongste raadsheer, houdt mij voor dat van de lening van [C] B.V. ( [C] ) een bedrag van € 990.000 is doorgestort door [I] naar [D] . [betrokkene 4] moest zijn € 195.000 hebben. Dat was geen persoonlijke lening van hem aan mij, maar een vergoeding voor zijn borgstelling voor de lening van € 1 miljoen. [betrokkene 5] wist daar niets van. Ik heb dat niet besproken met de curator. Achteraf had ik dat wel moeten doen.
Alles liep door elkaar. Mijn vrouw reed in de Volkswagen Up. Die werd betaald van waar er geld was.
De lening van [betrokkene 3] is terugbetaald vanuit [I] .
Het Chalet in [plaats] heb ik gekocht van [betrokkene 6] . Hij was eigenaar van het vakantiepark. Ik werd gevraagd om te kijken wat het moest kosten. Inkoop was mijn kracht. Het stond al lang te koop en hij wilde ervan af. We waren een bedrag van € 70.000 overeengekomen en ik heb een boot en een oldtimer ingeruild.
Van het bedrag van € 175.000 dat ik van [betrokkene 2] heb geleend, heb ik dranken gekocht. Dat was een lening tegen vijf procent rente per week. Ik was opgehangen aan [betrokkene 2] , maar ik was allang blij dat ik kon handelen. Zo was het ook met de lening van [B] tegen tien procent rente per jaar.
21. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, op 11 juni 2019, voor zover inhoudende − zakelijk weergegeven:
De ondernemingen [A] , [F] en [I] waren allemaal van mij en niet van mijn vrouw. Ik heb er nooit bij stilgestaan dat ik geen overeenkomsten/financieringen mocht afsluiten. Het faillissement werd maar niet opgeheven en ik moest iets doen. Ik had geld nodig om mijn problemen op te lossen.
22. Een schriftelijk bescheid, inhoudende een leenovereenkomst, gedateerd 1 mei 2014, (…), voor zover inhoudende − zakelijk weergegeven:
De ondergetekenden:
de heer [verdachte] , hierna te noemen "Geldgever"
&
[A] BV, rechtsgeldig vertegenwoordigd door haar bestuurder [medeverdachte ] , hierna te noemen "Geldnemer"
verklaren door ondertekening van deze overeenkomst het volgende te zijn overeengekomen:
- [verdachte] heeft in het verleden besloten een pand te [plaats] te kopen;
- deze aankoop heeft inmiddels plaatsgevonden;
- de koopsom ad € 51.000 is door [verdachte] middels goederen voldaan;
- de uiteindelijke koper van het pand is [A] BV;
- [verdachte] heeft hiertoe een akte van contractsovername ondertekent;
- de uiteindelijke koper, [A] BV, heeft aldus de aankoopsom ter leen ontvangen van [D] BV.
Geldgever verklaart hiermee aan Geldgever ter leen te hebben verstrekt, zo ook Geldnemer verklaart van Geldgever ter leen te hebben ontvangen een bedrag groot € 51.000, zegge: - - - éénenvijftigduizendeuro - - - -.
Aldus overeengekomen te [plaats] op 1 mei 2014.
23. Een schriftelijk bescheid, inhoudende een leenovereenkomst, gedateerd 1 mei 2014, (…), voor zover inhoudende − zakelijk weergegeven:
De ondergetekenden:
[D] BV, rechtsgeldig vertegenwoordigd door haar bestuurder [verdachte] , hierna te noemen "Geldgever"
&
[A] BV, rechtsgeldig vertegenwoordigd door haar bestuurder [medeverdachte ] , hierna te noemen " Geldnemer"
verklaren door ondertekening van deze overeenkomst het volgende te zijn overeengekomen:
- [verdachte] heeft in het verleden besloten een pand te [plaats] te kopen;
- deze aankoop heeft inmiddels plaatsgevonden;
- de koopsom ad € 19,000 is in opdracht van [verdachte] voldaan door [D] BV;
- de uiteindelijke koper van het pand is [A] BV;
- [verdachte] heeft hiertoe een akte van contractsovername ondertekend;
- de uiteindelijke koper, [A] BV, heeft aldus de aankoopsom ter leen ontvangen van [D] BV.
Geldgever verklaart hiermee aan Geldgever ter leen te hebben verstrekt, zo ook Geldnemer verklaart van Geldgever ter leen te hebben ontvangen een bedrag groot € 19.000, zegge: - - - negentienduizendeuro - - - .
Aldus overeengekomen te [plaats] op 1 mei 2014.
24. Een schriftelijk bescheid, inhoudende akte van levering, gedateerd 28 juli 2014, (…), voor zover inhoudende − zakelijk weergegeven:
LEVERING
Heden, achtentwintig juli tweeduizend veertien, verschenen voor mij, [notaris] , notaris te [plaats] :
1. [betrokkene 7] , te dezer zake woonplaats hebbende te [plaats] , [b-straat 1] , geboren te [plaats] op [geboortedatum] negentienhonderd achtenvijftig, te dezen handelend als schriftelijk gevolmachtigde van:
[betrokkene 8] , (rijbewijs [nummer ] , afgegeven te [plaats] op vijfentwintig januari tweeduizend acht), wonende te [plaats] , [g-straat 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] negentienhonderd tweeënzestig, ongehuwd,
[betrokkene 8] , hierna genoemd: verkoper;
2. [betrokkene 9] , te dezer zake woonplaats hebbende te [plaats] , [b-straat 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] negentienhonderd negenenvijftig, te dezen handelend als schriftelijk gevolmachtigde van:
[medeverdachte ] , (paspoort [nummer ] , afgegeven te [plaats] op vijfentwintig november tweeduizend elf), wonende te [plaats] , [a-straat 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] negentienhonderd negenenvijftig, ongehuwd, bij het geven van de volmacht handelend als zelfstandig bevoegd bestuurder van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid: [F] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , adres: [a-straat 1] [plaats] , welke rechtspersoon is ingeschreven in het handelsregister onder dossiernummer [nummer ] , welke besloten vennootschap handelt als zelfstandig bevoegd bestuurder van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid: [A] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , adres: [a-straat 1] [plaats] , welke rechtspersoon is ingeschreven in het handelsregister onder dossiernummer [nummer ] , en als zodanig de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid rechtsgeldig vertegenwoordigende [A] B.V., hierna genoemd: koper.
LEVERING, REGISTERGOED, GEBRUIK
Verkoper heeft blijkens een met [verdachte] , wonende te [plaats] , [a-straat 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] negentienhonderd vierenzestig, ongehuwd, aangegane schriftelijke overeenkomst van verkoop en koop, gedateerd vijftien juli tweeduizend tien, en een schriftelijke contractsoverneming, gedateerd een mei tweeduizend veertien, aan koper verkocht de hierna vermelde onroerende zaak.
Koper neemt hierbij over van [verdachte] voornoemd, zoals vermeld in voormelde koopovereenkomst, de rechtsverhoudingen zoals die voor laatstgenoemde bestaan ingevolge de koopovereenkomst.
Alle rechten en verplichtingen uit hoofde van voormelde koopovereenkomst van [verdachte] , voornoemd, jegens verkoper gaan derhalve bij deze over op de koper en worden door laatstgenoemde en verkoper aanvaard.
Verkoper levert op grond daarvan aan koper in eigendom, die blijkens voormelde overeenkomst van verkoper heeft gekocht en bij deze voor zich in eigendom aanvaardt.
de recreatiewoning met alle verdere opstallen en aanhorigheden, ondergrond, erf en tuin, staande en gelegen te [plaats] ,
[c-straat 1]
, groot vier aren achtennegentig centiaren (4 a 98 ca).
25. Het proces-verbaal bedrieglijke bankbreuk, (…), voor zover inhoudende − zakelijk weergegeven:
9.2
Faillissement van [verdachte]
Blijkens het insolventieregister is [verdachte] bij het afsluiten van dit proces-verbaal nog steeds failliet.
10.3
[I]
BV is onder de naam [J] BV op 19 oktober 1990 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder registratienummer [nummer ] . Op 26 februari 1999 is de naam via een statutenwijziging veranderd naar [I] BV.
[medeverdachte ] was vanaf 1990 enig bestuurder en aandeelhouder.
Blijkens een boekenonderzoek van de belastingdienst was [medeverdachte ] enig aandeelhouder van [I] . Als activiteit stond "financiële holdings" vermeld.
Op 3 november 2017 is [I] B.V. ontbonden door de Kamer van Koophandel.
De laatste jaarrekening is van 2012 en is op 16 juni 2014 ingediend
Door de belastingdienst is in 2013 een boekonderzoek gedaan naar de rechtspersoon [I] BV. In het boekenonderzoek, wat in 2015 afgesloten werd, is onder andere weergegeven:
Uit gesprekken met de adviseur [betrokkene 10] en [verdachte] is gebleken, dat [medeverdachte ] feitelijk geen bemoeienis heeft met de activiteiten van de BV.
Alle (bestuurs-)activiteiten komen voor rekening van [verdachte] . Hij zou, volgens eigen zeggen, bij iedere bestuurshandeling gemachtigd zijn door [medeverdachte ] .
[I] heeft blijkens opgevraagde gegevens van de belastingdienst de laatste jaren géén omzet of inkomsten gegenereerd. Blijkens de Kamer van Koophandel zijn er géén jaarrekeningen aanwezig van na 2012 en is er géén administratie bijgehouden.
In het eerder genoemde boekenonderzoek is door de belastingdienst een recapitulatie opgenomen:
- De opgevoerde kosten worden niet door bescheiden gedekt.
- De ontvangen bedragen hebben mede gediend ter financiering van de persoonlijke uitgaven van [verdachte] en zijn partner [medeverdachte ] .
- De ontvangen lening van [C] is vnl. bestemd geweest voor de aflossing van oude privé schulden van [verdachte] en zijn partner [medeverdachte ] .
- De overige leningen kunnen niet worden gestaafd met overeenkomsten of anderszins met andere administratieve bescheiden.
10.3.1
Baten niet verantwoorden, enig goed aan de boedel onttrekken (lening 170.000 euro)
Onder beslagcode HOOS.02.03.007 zijn twee overeenkomsten d.d. 23 september 2013 en 26 april 2017 inbeslaggenomen. In de overeenkomst van 23 september 2013 staat vermeld dat [betrokkene 3] en [verdachte] een bedrag van 170.000 euro inclusief rente en kosten zijn overeengekomen, het totaalbedrag was 71.000 euro.
De overeenkomst is ondertekend door [betrokkene 3] , [verdachte] en [medeverdachte ] .
In de overeenkomst van 26 april 2017 staat dat op 23 september 2013 tussen partijen [betrokkene 3] en [verdachte] en [medeverdachte ] een bedrag van 170.000 euro (als lening) overeengekomen is, gevolgd door een overzicht van betalingen per bank en contante betalingen.
Per bank
26-2-2014 25.000 euro
22-4-2014 25.000 euro
Contant
Maart 2014 30.000 euro
April 2015 10.000 euro
2015 7.500 euro
97.500 euro totaal betaald
170.000 euro hoofdbedrag
97.500 euro totaal betaald
72.500 euro restant bedrag
In de overeenkomst d.d. 26 april 2017 staat verder vermeld dat als [verdachte] en [medeverdachte ] de 72.500 euro niet voor 15 mei 2017 hebben overgemaakt op [rekeningnummer] t.n.v. [betrokkene 3] , dan wordt er 10% rente per jaar opgeëist.
Achter de overeenkomsten zijn twee geprinte bankafschriften aangetroffen waarop handgeschreven "betaling 26-2-2014" en "betaling 22-4-2014 25.000" staat.
Beide bankafschriften betreffen twee overboekingen van ieder 25.000 euro naar [rekeningnummer] t.n.v. [betrokkene 3] vanaf [rekeningnummer] van [I] BV.
Op het bankafschrift waarop handgeschreven 22-4-2014 staat zag ik, verbalisant, de handgeschreven tekst:
[verdachte] heeft van dit blad copie gemaakt.
2x bank
1e x 25000 bank
2e x 25000 bank
+- maart 2014 contant 30000 contant
+- april 2015 contant 10000 contant
90000 E betaald
7500 betaald contant
Hoofdbedrag 170000
Betaald 90000
80000 tegoed
Betaald 7500
72500
[verdachte] 47000
[naam] 72500 Je zou me blij maken J
De aan [betrokkene 3] overgemaakte 2 x 25.000 euro vanaf de bankrekening van [I] BV is blijkens een mutatie overzicht van de ING bank afkomstig van de bankrekening van [D] BV. Het geld van [D] BV is deels afkomstig van derden, vermoedelijk leningen, en contante geldstortingen.
10.3.2
Baten niet verantwoorden, enig goed aan de boedel onttrekken (lening 1 miljoen euro)
Uit de bankmutaties van [I] BV blijkt dat op 15 en 28 augustus 2013 respectievelijk 250.000 euro en 750.000 euro (in totaal 1 miljoen euro) werd over gemaakt door [C] BV naar de bankrekening van [I] BV.
Op 16 augustus 2013 heeft [C] BV een lening ter grootte van 1 miljoen euro afgesloten met [I] BV, [medeverdachte ] en [betrokkene 4] tegen een rente van 10% per jaar. [betrokkene 4] , oud-accountant van [verdachte] , heeft ten behoeve van de lening een aantal panden als borg verpand aan [C] BV.
De 1 miljoen euro is in augustus 2013 door [C] BV in twee delen overgemaakt naar de bankrekening van [I] BV.
10.4
[D] BV
Op naam van [D] BV is in augustus 2011 [rekeningnummer] geopend welke door de ING op 11 juni 2014 werd opgeheven.
Na het faillissement van [verdachte] d.d. 10 juli 2012 werd de bankrekening van [D] BV voor ruim 1,8 miljoen euro gevoed, voornamelijk door contante stortingen (481.000 euro) en leningen, waarvan 990.000 euro afkomstig van [I] BV van de lening van [C] BV.
Blijkens gegevens van de belastingdienst was er géén sprake van enige omzet of inkomsten, noch was er enige administratie bijgehouden.
10.4.1
Wederrechtelijk bevoordelen schuldeiser tijdens faillissement
[betrokkene 4] is ook degene die borg heeft gestaan voor voornoemde lening van [C] BV ter grootte van 1 miljoen euro, waarvan uiteindelijk 990.000 euro naar de bankrekening van [D] werd overgemaakt.
Van voornoemde 990.000 euro die op de bankrekening van [D] BV terecht is gekomen is op vijf verschillende data in totaal 195.000 euro over gemaakt naar een bankrekening op naam van [betrokkene 4] met als bijschrift "aflossing lening" en "aflossing".
29-aug-2013 [betrokkene 4] aflossing lening, spoedbetaling [rekeningnummer] € 50.000,00
30-aug-2013 [betrokkene 4] aflossing, spoedbetaling [rekeningnummer] € 50.000,00
2-sep-2013 [betrokkene 4] aflossing, spoedbetaling [rekeningnummer] € 50.000,00
10-sep-2013 [betrokkene 4] aflossing € 25.000,00
13-sep-2013 [betrokkene 4] aflossing lening, spoedbetaling [rekeningnummer] € 20.000,00
Ik, verbalisant, merk op dat dat de bijschriften "aflossing lening" en "aflossing" impliceren dat er sprake was van een lening tussen [betrokkene 4] en [verdachte] , aangezien [D] BV een niet actieve BV was.
10.4.2
Baten niet verantwoorden, enig goed aan de boedel onttrekken (chalet)
Op 28 juli 2014 is bij de FIU een verdachte transactie gemeld door [notaris] omtrent de aan- en verkoop door [A] B.V, van een recreatiewoning ad € 70.000,- aan de [c-straat 1] te [plaats] .
In de bij de melding meegestuurde gegevens aan de FIU zaten een verklaring van de notaris alsmede een aantal overeenkomsten waarin het navolgende vermeld staat:
Op 15 juli 2010 is [verdachte] een koopovereenkomst aangegaan met [betrokkene 8] . [verdachte] heeft deze koopovereenkomst op 1 mei 2014 overgedragen aan [A] BV. In de contractovername van 1 mei 2014 staat onder andere vermeld dat ondergetekende sub 2 ( [verdachte] ) niet binnen afzienbare tijd het verkochte kan afnemen, dat ondergetekende sub 3 ( [medeverdachte ] namens [F] BV, namens [A] BV) volledig bekend is met de inhoud van de koopovereenkomst en dat ondergetekende sub 1 ( [betrokkene 8] ) bereid is hieraan zijn medewerking te verlenen.
Voornoemde recreatiewoning is door [betrokkene 8] op 28 juli 2014 verkocht aan [A] BV. In twee door de FIU verstrekte leningovereenkomsten staat samengevat:
• Dat [verdachte] in het verleden besloten heeft een pand in [plaats] te kopen;
• Deze aankoop inmiddels plaats heeft gevonden;
• De koopsom ad € 51.000, - door [verdachte] middels goederen is voldaan;
• De uiteindelijke koper van het pand is [A] BV;
• [verdachte] heeft hiertoe een akte van contract overname ondertekend;
• [verdachte] op 1 mei 2014 € 51.000, - leent aan [A] BV;
• De rentevergoeding 4% op jaarbasis bedraagt en op de lening zal worden bijgeschreven;
• De alsdan ontstane hoofdsom in principe niet zal worden afgelost;
• De gehele hoofdsom aangewend wordt ter financiering van de aankoop van het pand
• Dat [verdachte] in het verleden besloten heeft een pand in [plaats] te kopen;
• Deze aankoop inmiddels plaats heeft gevonden;
• De koopsom ad € 19.000, - is in opdracht van [verdachte] door [D] BV voldaan;
• De uiteindelijke koper van het pand is [A] BV;
• [verdachte] heeft hiertoe een akte van contract overname ondertekend;
• Dat [D] BV ( [verdachte] ) op 1 mei 2014 € 19.000, - leent aan [A] BV;
• De rentevergoeding 4% op jaarbasis bedraagt en op de lening zal worden bijgeschreven;
• De alsdan ontstane hoofdsom in principe niet zal worden afgelost;
• De gehele hoofdsom aangewend wordt ter financiering van de aankoop van het pand
Uit de opgevraagde bankafschriften van [D] BV blijkt dat er twee betalingen aan [betrokkene 8] hebben plaats gevonden van in totaal 19.000 euro.
Voorafgaand aan onderstaande overboekingen hebben er twee contante stortingen plaats gevonden op de bankrekening van [D] BV van in totaal 14.980 euro op 1 november 2013 en van 14.900 euro op 14 januari 2014.
1-nov-2013 [betrokkene 8] IAF REST BETALING CHALET TE [plaats] € 16.000,00
SPOEDBETALING [rekeningnummer]
15-jan-2014 SPOEDBETALING [rekeningnummer] [betrokkene 8] RESTERENDE € 3.000,00
Door de notaris is in de melding aan de FIU opgenomen dat de betaling reeds had plaats gevonden in de vorm van geld en goederen, namelijk een boot en een auto ter waarde van 51.000 euro en twee bankoverboekingen van in totaal 19.000 euro.
10.5.1
Enig goed aan de boedel onttrekken (goed)
Alle aandelen van [F] BV waren in handen van [medeverdachte ] en hun twee kinderen [zoon van verdachte] en [dochter van verdachte] . Daarvan zijn 72 aandelen van [medeverdachte ] op 8 maart 2017 verkocht aan [K] , vertegenwoordigd door [verdachte] .
10.6.1
Enig goed aan de boedel onttrekken (geld)
Sessie 103054 d.d. 28-02-2017 omstreeks 09.45 uur
[verdachte] wg wgd [betrokkene 2] wg
[alias betrokkene 2] stelt zich voor als [betrokkene 2] (fonetisch) uit [plaats] en zegt dat hij van de week bij [verdachte] was voor die lening.
[alias betrokkene 2] krijgt een bericht terug van de bank en zegt dat er nog drie letters/tekens achter de Swift code van de bank moeten.
[alias betrokkene 2] heeft het over een kopie van een bankafschrift wat [verdachte] heeft gestuurd, waar het ook niet op staat. NNman zegt dat ze om bewijstukken vragen omdat het zo'n groot bedrag is.
[alias betrokkene 2] zegt dat hij niet dat ding op kan sturen, die lening, want dan gaan ze vragen hoe [alias betrokkene 2] van die hoge rentes haalt. [verdachte] vraagt wat [alias betrokkene 2] dan moet hebben?
[alias betrokkene 2] moet bewijsstukken hebben van de overmaking; het bedrag waar het om gaat.
Het contract wil de [alias betrokkene 2] niet opsturen. [alias betrokkene 2] vraagt of [verdachte] hem niet een nota op kan sturen? [verdachte] zegt dat dat wel kan. [alias betrokkene 2] zegt dat het bedrijf, wat hij daar in [plaats] heeft, als hoofdtaak water heeft. Als [verdachte] daar iets van een nota van kan maken van dat bedrag. [verdachte] zegt dat dat goed is. [verdachte] gaat even achter de Swift code aan. EG
Sessie 103117 d.d. 28-02-2017 omstreeks 09.59 uur
[verdachte] (wg) bum [betrokkene 2] (wg)
[verdachte] zegt tegen [betrokkene 2] dat de BIC-code is […] .
[verdachte] mailt de rekening van het water door. [betrokkene 2] doet de rekening erbij. [verdachte] mailt hem. EG.
Sessie 141909 d.d. 23-03-2017 omstreeks 11.00 uur
[verdachte] (sh) bum [betrokkene 2] (ng) [betrokkene 2] : [betrokkene 2] , [verdachte] : [verdachte]
vraagt of het naar twee bankrekening mag één in Nederland en de andere opgegeven in (ntv). [betrokkene 2] zegt dat het niet uitmaakt en vraagt of [verdachte] het kan sms-en of mailen en vooral de swiftcode erbij zetten. [verdachte] gaat het regelen. EG.
Sessie 141910 d.d. 23-03-2017 omstreeks 11.04 uur
Smsu 100 k Luxmb aub
Sessie 141911 d.d. 23-03-2017 omstreeks 04 uur
Smsu En rest naar NL
Sessie 141918 d.d. 23-03-2017 omstreeks 11.15 uur
[verdachte] (sh) wgd [betrokkene 2] (ng) [betrokkene 2] zegt dat hij een berichtje niet kan openen en [betrokkene 2] neemt aan dat het de ING bankrekening is. De 75 is al weg zegt [betrokkene 2] , de andere zal hij overmaken, [betrokkene 2] zegt dat hij aan neemt dat het hetzelfde nummer is. Nee zegt [verdachte] , een ander nummer. [betrokkene 2] zegt dat [verdachte] dat dan door moet sturen want hij kan het bericht nu niet openen. De 75 is onderweg, die zal [verdachte] in de loop van de middag ontvangen. [verdachte] vraagt of [betrokkene 2] ok ING heeft. Nee zegt [betrokkene 2] , ik heb ABN. EG
Sessie 141919 d.d. 23-03-2017 omstreeks 11.17 uur
Smsu [rekeningnummer] [verdachte]
Uit de middels een vordering 126ND opgevraagde bankrekening van [A] BV, [rekeningnummer] , blijkt dat op 23 maart 2017 een bedrag van € 75.000,- binnen is gekomen afkomstig van [betrokkene 2] .
23-3-2017 IBAN: [rekeningnummer] //KN: [nummer ] //SPOEDBETALING [nummer ] //DERDENGELDEN [betrokkene 2] [d-straat 1] [plaats] NL//DEELBETALING OVEREENKOMST € 75.000,00
Op 8 juni 2017 heeft er een doorzoeking woning op het adres [a-straat 1] te [plaats] plaats gevonden waarbij onder ibn-code HOOS, 12.01.006 het navolgende document werd aangetroffen:
Leenovereenkomst d.d. 23-02-2017 tussen [betrokkene 2] , geboren [geboortedatum] -1959 te [geboorteplaats] , adres [d-straat 1] [plaats] en [verdachte] waarin [verdachte] een bedrag van 175.000 euro leent tegen een rente van 35.000 euro per vier weken De hoofdsom zal op 1 maart 2018 terug betaald moeten worden, vanaf 1 december 2017 is vervroegd aflossen toegestaan.
Ik, verbalisant, merk op dat het rentepercentage neerkomt op 5% per week.
Ik, verbalisant, merk op dat voornoemde lening ter grootte van 175.000 euro blijkens de overeenkomst is afgesloten door [verdachte] als privépersoon.
10.6.2
Enig goed aan de boedel onttrekken (geld)
Leenovereenkomst BV [B]
Blijkens de leenovereenkomst d.d. 24 maart 2017 heeft [verdachte] 150.000 euro tussen van BV [B] geleend tegen 10% rente op jaarbasis.
Van de 150.000 euro is 100.000 euro overgemaakt naar de Luxemburgse bankrekening [rekeningnummer] ten name van [verdachte] en is 50.000 euro contant aan [verdachte] gegeven.
Bankrekeningen
Uit de resultaten van het rechtshulpverzoek blijkt dat [verdachte] meerdere Luxemburgse bankrekeningen heeft geopend.
Ik, verbalisant, merk op dat de bankrekening die het meest gebruikt werd door [verdachte] [rekeningnummer] betreft, een bankrekening die op persoonlijke titel geopend is.
26. Een schriftelijk bescheid, inhoudende de uitwerking van een telefoongesprek gevoerd op 19 januari 2017 tussen verdachte en [betrokkene 4] , (…), voor zover inhoudende − zakelijk weergegeven:
[betrokkene 4] (hof: [betrokkene 4]) zegt dat hij begrijpt dat het faillissement van [verdachte] nog steeds niet is opgeheven. [verdachte] zegt dat dat komt door een ouwe maat van hem, die heeft naar de curator gebeld en nu moet [verdachte] met bewijzen komen. Daardoor heeft het vertraging opgelopen.
[verdachte] (hof: verdachte): het interesseert mij eigenlijk helemaal geen enne kut, of het er nou op ligt of niet er op ligt, ik heb er geen last van, ik heb er geen gemak van.
27. Een schriftelijk bescheid, inhoudende een leenovereenkomst, gedateerd 23 februari 2017, (…), voor zover inhoudende − zakelijk weergegeven:
SCHULDBEKENTENIS
a. [betrokkene 2] , geboren te [plaats] op [geboortedatum] negentienhonderdnegenenvijftig, houder van een paspoort met [nummer ] , afgegeven te [plaats] op 23 juli 2012, wonende aan het adres [d-straat 1] [plaats] , hierna ieder alsook te samen te noemen: "schuldeiser"; en
b. de [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1964, hierna te noemen: “schuldenaar”.
OVEREENKOMST VAN GELDLENING
De schuldenaar verklaart wegens ter leen ontvangen gelden hoofdelijk schuldig te zijn aan de schuldeiser, die deze schuldbekentenis erkent en aanvaard een geldsom ten bedrage van HONDERDVIJFENZENTIGDUIZEND EURO (€ 175.000,00).
BEPALINGEN EN BEDINGEN
Over de hoofdsom of het onafgeloste deel daarvan van de bij deze overeenkomst verstrekte geldlening ad honderdvijfenzeventigduizend euro (€ 175.000,00) zal een vergoeding worden berekend van € 35.000,= per 4 weken aan rente voor het eerst te voldoen op 26 april 2017 en daarna maandelijks volgend voor het eerst op 1 juni 2017.
Aldus overeengekomen en in tweevoud getekend te [plaats] op 23 februari 2017.
28. Het proces-verbaal van verhoor, (…), voor zover inhoudende − zakelijk weergegeven − als verklaring van [betrokkene 4]:
O: Wij tonen u een leenovereenkomst tussen [C] BV (met [betrokkene 5] als bestuurder) en [I] BV, [medeverdachte ] en u, [betrokkene 4] waarbij 1 miljoen euro geleend wordt.
V: Kunt u verklaren waarom deze leenovereenkomst tot stand is gekomen?
A: [medeverdachte ] , haar holding en ik werden uitgenodigd waar [betrokkene 5] bij werd uitgenodigd waarbij ik kreeg te horen dat de familie [verdachte] enorm onder druk gezet werd om geld te betalen, waarbij [betrokkene 5] aangaf best te willen lenen, maar daar wel borg voor wilde hebben. Aan mij werd gevraagd of ik daar borg voor wilde staan. Bij dat gesprek waren ik, [medeverdachte ] , [betrokkene 5] en [verdachte] aanwezig. Ik heb uiteindelijk de leenovereenkomst getekend.
V: Waar is de 1 miljoen euro uiteindelijk naar toe gegaan?
A: [betrokkene 5] heeft het geld namens [L] BV overgemaakt. Ik heb daar later 195.000 euro van gekregen.
29. Het proces-verbaal van verhoor, (…), voor zover inhoudende − zakelijk weergegeven − als verklaring van [betrokkene 5]:
O: U bent bestuurder van [M] BV en [M] BV is bestuurder van [C] BV. Zowel [M] BV als [C] BV hebben geld geleend aan [verdachte] en zijn partner [medeverdachte ] , danwel aan hun gelieerde rechtspersonen.
Wij tonen u een overzicht met openstaande leningen aan [verdachte] of aan hem te liëren rechtspersonen. Volgens dit overzicht was er eind 2013 in totaal ruim twee miljoen euro aan [verdachte] en partner uitgeleend.
V: Klopt dit overzicht en indien ja, kunt u bij benadering opgeven wat nu de openstaande schuld is?
A: Ja dat klopt, dit overzicht komt van ons af.
30. Een schriftelijk bescheid, inhoudende een leenovereenkomst, gedateerd 27 augustus 2013, (…), voor zover inhoudende − zakelijk weergegeven:
De ondergetekenden:
1. [C] B.V., vertegenwoordigd door haar bestuurder [N] B.V., vervolgens vertegenwoordigd door haar bestuurder [M] B.V. welke op haar beurt vertegenwoordigd wordt door [betrokkene 5] houdend aan [e-straat 1] te [plaats] ; in deze akte ook te noemen: de "Schuldeiser";
2. a. [I] B.V., gevestigd aan de [a-straat 1] [plaats] , vertegenwoordigd door haar directeur [medeverdachte ] , wonende aan de [a-straat 1] te [plaats] ;
b. [medeverdachte ] , wonende aan de [a-straat 1] te [plaats] ;
c. [betrokkene 4] , wonende aan de [f-straat 1] , [plaats] :
in deze akte (tezamen) ook te noemen: de "Schuldenaar”;
verklaren als te zijn overeengekomen als volgt:
A. De Schuldenaar heeft ter leen ontvangen en is mitsdien (hoofdelijk) schuldig aan de Schuldeiser, die aan de Schuldenaar ter leen heeft verstrekt een bedrag groot: € 1.000.000,--, in deze akte ook te noemen; de hoofdsom, waarvan 15-08-2013 € 250.000,- is gestort, vervolgens wordt er € 750.000,- gestort op 28-08-2013.’
30. Het hof heeft in verband met het bewijs van feit 3 het volgende overwogen:
‘Feit 3: bedrieglijke bankbreuk / onttrekking van geldbedragen aan de failliete boedel
Vast staat dat:
- verdachte op 10 juli 2012 persoonlijk failliet is verklaard door de rechtbank Groningen;
- in de ten laste gelegde periode geen economische activiteiten werden verricht binnen [D] BV en [I] BV;
- verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan voormelde rechtspersonen.
(…)
Standpunt van de verdediging
(…)
Ten aanzien van feit 3 is ook vrijspraak bepleit.
Daartoe is aangevoerd dat verdachte persoonlijk failliet was verklaard en dat dit betekent dat verdachte niet langer handelingen kan verrichten die "zijn" vermogen raken, maar dat verdachte de beschikkingsbevoegdheid en handelingsbekwaamheid voor de onderneming waarvan hij de bestuurder is, heeft behouden. De ten laste gelegde transacties zijn handelingen van of uit [A] , [I] , [D] of [K] , zijnde rechtspersonen die door verdachte werden vertegenwoordigd. Er is, anders dan kennelijk het openbaar ministerie meent, geen sprake van vereenzelviging van verdachtes positie met die van de rechtspersonen en de privéboedel van verdachte is door de transacties niet benadeeld.
Oordeel van hef hof
Het hof is van oordeel dat de namens verdachte gevoerde verweren strekkende tot (deel)vrijspraak van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde worden weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt hierbij in het bijzonder als volgt.
(…)
Feit 3: bedrieglijke bankbreuk / onttrekking van geldbedragen aan de failliete boedel
De verdediging heeft het verweer gevoerd dat geen van de tenlastegelegde bedragen in het privévermogen van verdachte zijn gevloeid, dat geen sprake is van vereenzelviging en dat dit ook volgt uit civiele vonnissen van de rechtbank Oost-Brabant omdat in die vonnissen de conclusie is getrokken dat met een paar geldtransacties die ook in de tenlastelegging voorkomen, de boedel van verdachte niet is benadeeld of schade berokkend en dat dus geen geld of vermogen aan de boedel is onttrokken. De verdediging stelt zich voorts op het standpunt dat in het geval wel sprake zou zijn van onrechtmatig handelen van verdachte via de rechtspersonen die betrokken zijn bij de tenlastegelegde transacties, in elk geval geen sprake is van strafbaar handelen.
De advocaat-generaal heeft erop gewezen dat het strafrecht een ander juridisch kader is dan het civiele recht.
Het hof stelt voorop dat de tenlastelegging moet worden beoordeeld binnen het strafrechtelijk kader. Civiele begrippen of conclusies kunnen bij de beoordeling een rol spelen maar dat hoeft niet. In dat verband is ook relevant dat niet is gesteld noch is gebleken dat de civiele rechter die kennelijk moest oordelen, de beschikking had of zicht had op het hele strafdossier en de verklaringen van verdachte, waarover het hof wel beschikt.
Het hof is op basis van het strafdossier en het verhandelde ter zitting van oordeel dat verdachte misbruik heeft gemaakt van rechtspersonen waar feitelijk hij en niet zijn medeverdachte echtgenote, te weten [medeverdachte ] , feitelijk zeggenschap over had.
Het hof acht voor de bewezenverklaring mede redengevend dat:
- verdachte van 3 januari 2011 tot en met 30 september 2015 enig aandeelhouder en formeel bestuurder was van [D] BV. [D] BV is op 30 september 2015 ontbonden omdat er sinds 2003 geen jaarrekeningen waren gedeponeerd en dat bij de belastingdienst geen omzet, inkomen of enige administratie bekend was;
- verdachte ter zitting van het hof heeft bevestigd dat sprake was van een lege BV zonder activiteiten en dat hij in 2011 voorafgaand aan zijn persoonlijk faillissement een bankrekening heeft geopend op naam van [D] BV;
- [medeverdachte ] , de echtgenote van verdachte, vanaf 1990 enig bestuurder en aandeelhouder was van [I] BV, zo blijkt onder meer uit een boekenonderzoek van de Belastingdienst dat afgesloten werd in 2015. De belastingdienst heeft in haar controlerapport genoteerd dat alle (bestuurs)activiteiten voor rekening komen van [verdachte] die naar eigen zeggen bij iedere bestuurshandeling gemachtigd is door [medeverdachte ] . Bij de Belastingdienst zijn geen inkomen en geen omzet bekend en in genoemd boekenonderzoek heeft de Belastingdienst onder meer vastgesteld dat ontvangen bedragen mede gediend hebben ter financiering van persoonlijke uitgaven van verdachte en zijn partner, de ontvangen lening van [C] voornamelijk bestemd is geweest voor de aflossing van oude privé schulden van verdachte en zijn partner en dat overige leningen niet kunnen worden gestaafd met overeenkomsten of andere stukken;
- blijkens de gegevens van de Kamer van Koophandel, [medeverdachte ] van 18 maart 2014 tot 8 maart 2017 als enig bestuurder van [F] BV geregistreerd stond. De naam is op 21 maart 2017 gewijzigd in [A] BV. Met ingang van 8 maart 2017 is [K] enig aandeelhouder en bestuurder van [A] BV. Alle aandelen van [F] BV / [A] BV waren in handen van [medeverdachte ] en de kinderen van verdachte en zijn medeverdachte. Op 8 maart 2017 zijn alle 72 aandelen van [medeverdachte ] verkocht aan [K] , vertegenwoordigd door [verdachte] .
- verdachte ter zitting van het hof heeft verklaard dat hij de ondernemingen die op naam stonden van zijn vrouw heeft gebruikt en dat hij feitelijk bestuurder was en dat hij "maar marginaal" iets met die ondernemingen heeft gedaan;
- er in de ten laste gelegde periode geen zakelijke activiteiten (meer) werden verricht binnen [D] BV en [I] ;
- er in die periode geen sprake was van personeel of bedrijfspanden;
- verdachte de beschikking had over de bankrekeningen van deze rechtspersonen en daarmee privé-uitgaven deed;
- verdachte uit naam van [D] BV en [I] leningen aanging en/of afloste die met de bedrijfsvoering of activiteiten van beide BV's niets van doen hadden;
- dat de kort voor persoonlijk faillissement geopende bankrekening van [D] BV na dat faillissement gevoed werd met zeer grote bedragen waaronder contante stortingen van € 481.000 en "leningen", onder andere een lening van € 990.000 van [I] BV terwijl van een zakelijke overeenkomst niet is gebleken. Dat dit bedrag afkomstig was van een lening van in totaal 1 miljoen euro van [C] BV aan [I] BV. Getuige [betrokkene 5] , bestuurder van [C] BV heeft verklaard dat [verdachte] die 1 miljoen euro nodig had omdat verdachte en zijn gezin ernstig bedreigd werden door Turkse mannen, hetgeen een persoonlijk en geen zakelijk belang is;
- een deel van de door verdachte geleende gelden gestort werd op een Luxemburgse [rekeningnummer] die door verdachte zelf geopend is en die door verdachte het meest werd gebruikt;
- en verdachte in een telefoongesprek met [betrokkene 4] over zijn (verdachtes) faillissement heeft gezegd: "het interesseert mij eigenlijk helemaal geen enne kut, of het er nou op ligt of niet er op ligt, ik heb er geen last van, ik heb er geen gemak van".
• Wetenschap verdachte dat een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld
Uit de verklaring van de [curator] blijkt dat verdachte de curator van de hierna te noemen leningen, contante stortingen, koopovereenkomsten, aflossingen, niet op de hoogte heeft gesteld terwijl verdachte daartoe wel gehouden was en kennelijk ook wist dat hij daartoe gehouden was. Uit twee in het dossier bevindende brieven van de curator aan verdachte van 17 juli 2012 en van 20 maart 2013 wist verdachte dat hij de verplichting had om dergelijke overeenkomsten en handelingen van tevoren aan de curator mee te delen of daarover te overleggen. Uit de verklaring van de curator blijkt ook dat verdachte als gefailleerde specifiek ten laste gelegde overeenkomsten niet mocht aangaan en die betalingen niet mocht doen of ontvangen zonder toestemming van de curator en dat de curator die toestemming niet zou hebben gegeven.
Verdachte heeft ter zitting van het hof verklaard dat hij een en ander niet besproken heeft met de curator en uit zijn verklaringen ter zitting van de rechtbank en het hof blijkt dat verdachte vond dat het te lang duurde dat zijn (het hof begrijpt: persoonlijk) faillissement werd opgeheven en hij iets moest doen en geld nodig had om zijn eigen problemen op te lossen en dat hij dacht dat hij als feitelijk bestuurder van de rechtspersonen wel mocht handelen.
Uit het voorgaande leidt het hof af dat verdachte dus wist dat hij die handelingen als gefailleerd privépersoon niet mocht verrichten. Gezien het feit dat verdachte in die wetenschap vervolgens geldtransacties zowel via de bankrekeningen van verschillende rechtspersonen als in contant liet plaatsvinden, was sprake van "bedrieglijke" verkorting van de rechten van de schuldeisers in het faillissement van verdachte.
• Onderdeel A: onttrekking van goederen aan de failliete boedel
Ten aanzien van de lening € 70.000 aan [A] (voor de aankoop van een chalet) is naar het oordeel van het hof redengevend dat:
- uit het proces-verbaal van bevindingen van FIU Nederland met bijlagen blijkt dat op 1 mei 2014 door verdachte een bedrag van € 51.000 in goederen is geleend aan [A] / [medeverdachte ] ;
- op 1 mei 2014 door verdachte / [D] BV een bedrag van € 19.000 is geleend aan [A] / [medeverdachte ] ;
- het betreffende chalet op 28 juli 2014 is geleverd aan [A] BV.
Ten aanzien van het bedrag van € 175.000 ontvangen (uit de lening [betrokkene 2] ) d.d. 23 maart 2017 is naar het oordeel van het hof redengevend dat:
- verdachte een lening van € 175.000 heeft afgesloten bij [betrokkene 2] op 23 februari 2017 te [plaats] ;
- [A] BV € 75.000 heeft ontvangen van [betrokkene 2] ;
- verdachte op 23 maart 2017 in een telefoongesprek aan [betrokkene 2] heeft gevraagd of het naar twee bankrekeningen mag en dat [betrokkene 2] in datzelfde telefoongesprek heeft aangegeven dat de "75" onderweg is;
- verdachte op 23 maart 2017 twee sms-berichten naar [betrokkene 2] heeft gestuurd, inhoudende respectievelijk "100k Luxemb aub" en "En rest naar NL";
- verdachte ter zitting van het hof heeft verklaard dat [betrokkene 2] een woekerrente vroeg, hij (verdachte) de lening nodig had voor de aankoop van dranken en dat hij was "opgehangen" aan [betrokkene 2] .
Ten aanzien van de bedragen van € 100.000 en € 50.000, ontvangen uit een lening van verdachte bij BV [B] , acht het hof redengevend dat:
- verdachte op 24 maart 2017 een lening van € 150.000 heeft afgesloten bij BV [B] , waarvan € 100.000 te ontvangen op de Luxemburgse bankrekening ten name van verdachte en € 50.000 contant; en
- verdachte ter zitting van het hof heeft bevestigd dat hij de lening tegen tien procent rente per jaar heeft gekregen ten behoeve van de aankoop van dranken.
Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder A ten laste gelegde geldbedragen heeft onttrokken aan de boedel, door de betreffende transacties buiten het zicht van de curator te laten plaatsvinden.
Het hof zal verdachte vrijspreken van de transactie van aandelen in [F] BV.
• Onderdeel B: wederrechtelijke bevoordeling van schuldeisers
In verband met de aflossing(en) van de lening bij [betrokkene 3] acht het hof redengevend dat:
- uit een overeenkomst 26 april 2017 tussen verdachte en [betrokkene 3] blijkt dat verdachte eerder € 170.000 heeft geleend van [betrokkene 3] en dat daarvan in 2014 en 2015 een bedrag van € 97.500 is afgelost per bank en in contanten en dat nog een bedrag van € 72.500 open staat.
- volgens een notitie op de achterkant van een bankafschrift verdachte twee keer € 25.000 per bank heeft afgelost en er drie bedragen van respectievelijk € 30.000, € 10.000 en € 7.500 contant zijn afgelost aan [betrokkene 3] ;
- uit bankafschriften blijkt dat op 26 februari 2014 en 22 april 2014 telkens € 25.000 vanuit [I] is betaald aan [betrokkene 3] .
Met betrekking tot de aflossing(en) van de lening bij [betrokkene 4] acht het hof redengevend dat:
- vanaf de bankrekening gesteld ten name van [D] BV op vijf verschillende data in augustus en september 2013 in totaal € 195.000 aan [betrokkene 4] is overgemaakt met de omschrijving "aflossing”;
- [betrokkene 4] heeft over de lening verklaard: "ik heb daar later 195.000 euro van gekregen";
- verdachte ter zitting van het hof heeft verklaard dat hij uit de door [betrokkene 5] (het hof begrijpt: [C] BV) betaalde 1 miljoen euro onder meer het bedrag van € 195.000 heeft betaald aan [betrokkene 4] .
Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder B ten laste gelegde geldbedragen heeft aangewend om deze schuldeisers wederrechtelijk te bevoordelen, door de betreffende transacties buiten het zicht van de curator te laten plaatsvinden.
• Onderdeel C: het niet verantwoorden van baten
In verband met de lening van € 1 miljoen bij [C] BV acht het hof redengevend dat:
- [I] op 27 augustus 2013 een lening is aangegaan bij [C] BV voor een bedrag van € 1 miljoen;
- uit een rekeningafschrift van [D] BV blijkt dat op 15 augustus 2013 een bedrag van € 250.000 en op 28 augustus 2013 een bedrag van € 750.000 is ontvangen van [C] BV;
- [betrokkene 5] , bestuurder van [C] BV, heeft bevestigd dat hij in totaal ruim € 2 miljoen aan verdachte en diens partner heeft geleend.
Ten aanzien van het totaalbedrag van € 481.000 aan contante stortingen is naar het oordeel van het hof redengevend dat:
- uit bankafschriften van [D] BV volgt dat in de periode van 10 juli 2012 tot en met de opheffing van de rekening op 11 juni 2014 in totaal een bedrag van € 481.000 aan contante stortingen is verricht op de rekening van [D] BV.
Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de baten uit de lening van [C] BV en de contante stortingen op de rekening van [D] BV niet heeft verantwoord door deze buiten het zicht van de curator te houden.
Het hof zal verdachte vrijspreken van het aangaan van de lening van € 170.000 met [betrokkene 3] .’
31. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, gehouden op 10 mei 2023, houdt onder meer het volgende in:
‘De advocaat-generaal voert als volgt het woord tot requisitoir:
(…)
Feit 3
Op 10 juli 2012 is verdachte failliet verklaard. Hij was zich daarvan bewust. Verdachte heeft leningen verstrekt, is leningen aangegaan en heeft leningen afgelost in de periode dat hij failliet was. Hij was daartoe niet gerechtigd, omdat hij geen toestemming van de curator had. Verdachte heeft de rechtspersonen [D] en [I] misbruikt en zodoende is sprake van vereenzelviging als bedoeld in het Rainbowarrest (ECLI:NL:HR:2000:AA7480).
(…)
De raadsman, mr. Krämer, voert het woord tot verdediging volgens zijn pleitnota die aan dit proces-verbaal is gehecht. In aanvulling daarop deelt hij mee:
(…)
Ad pagina 17. De conclusie dat sprake is van vereenzelviging moet uitgebreid worden gemotiveerd en gestaafd met bewijzen. Dat is niet gedaan door de advocaat-generaal. De rechtbank heeft het Rainbowarrest toegepast en heeft geconcludeerd dat geen sprake is van vereenzelviging.’
32. De pleitnota houdt onder meer het volgende in (met weglating van voetnoten):
‘Feit 3
Inleiding:
Cliënt wordt verweten dat hij in de periode 10 juli 2012 t/m 8 juni 2018 verschillende handelingen heeft verricht ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers of deze schuldeisers heeft benadeeld.
Aan de hand van de tenlastelegging zal ik feit 3 stap voor stap behandelen. Voordat ik begin aan de bespreking van de verschillende elementen van feit 3 denk ik dat het goed is om in zijn algemeenheid duidelijkheid te scheppen wat cliënt, als zijnde persoonlijk/privé failliet, wel en niet mocht doen. Het Openbaar Ministerie meent dat cliënt, omdat hij persoonlijk failliet is verklaard, geen enkele (rechts)handeling binnen een bedrijf mocht verrichten en dat elke handeling van of uit [A] , [D] of [K] van invloed is op de persoonlijke/prive boedel van cliënt. Dit is te kort door de bocht. Ik zal eerst ingaan op verschillende aspecten van de Faillissementswet (hierna Fw) aangezien de term 'wederrechtelijk' in artikel 341 Sr betekent dat de bevoordeling onrechtmatig is op grond van de Fw. In de strafbaarstelling van 341 Sr worden dus faillissementsrechtelijke normen weerspiegeld.
Vermogensbestanddelen en boedel
De strekking van artikel 23 Fw is dat vanaf de dag van het faillissement de gefailleerde niet langer handelingen kan verrichten die zijn vermogen (in de zin van artikel 20 Fw) raken.
In het geval van cliënt betekent dit dat, op het moment dat hij persoonlijk failliet wordt verklaard, hij de beschikkingsbevoegdheid en handelingsbekwaamheid behoudt voor de onderneming waar hij bestuurder van is. Voor alle handelingen aangaande zijn privé vermogen verliest hij die. De gefailleerde natuurlijke persoon die een baan heeft als bestuurder bij een vennootschap is onder normale omstandigheden over zijn bestuurswerk geen enkele verantwoording verschuldigd aan de curator. Daarover gaat de curator immers niet. De failliet verliest door zijn faillissement 'slechts' het beheer over zijn vermogen. De curator is belast met het beheer en de vereffening daarvan (artikel 68 Fw).
Het bestuurderschap dat de failliet uitoefent is geen vermogensbestanddeel en valt dus niet onder het bereik van de curator. Doordat het bestuurderschap geen vermogensbestanddeel is valt het dus ook niet onder het bereik van artikel 341 Sr.
Het begrip ‘boedel’ omvat immers alle vermogensbestanddelen die onder bereik en beheer van de curator vallen of rechtens behoren te vallen. De boedel omvat niet goederen die buiten het faillissement blijven, omdat ze aan een derde toebehoren en dus niet rechtens onder bereik en beheer van de curator behoren te komen.
Had cliënt in zijn hoedanigheid als bestuurder of werknemer van de bv’s loon ontvangen dan zou dat loon, uiteraard, in de failliete boedel stromen. De curator heeft hier echter nooit duidelijkheid over verschaft richting cliënt en [medeverdachte ] , noch is hij overgegaan tot gebruik van zijn bevoegdheid in artikel 479a Rv. Hiermee had de curator cliënt, en ook bestuurder [medeverdachte ] , kunnen 'dwingen' een redelijk salaris te ontvangen (dan wel te betalen) voor de door hem verrichte werkzaamheden. Deze weg is door de curator echter niet ingezet en cliënt heeft zijn werkzaamheden om niet verricht. Dit is echter niet strafbaar en levert geen overtreding van de Faillissementswet op.
Bij de behandeling van feit 3 gaat het er dus in de eerste plaats om wie welke handelingen heeft verricht. Is dat cliënt als natuurlijk persoon geweest of is dat een van de ondernemingen geweest (waarvoor cliënt werkzaamheden heeft verricht)? Als we een antwoord op die vraag hebben, weten we ook of de bedragen kunnen worden aangemerkt als vermogensbestanddelen en daardoor dus onderdeel uit hadden moeten maken van de boedel van cliënt. De stelling van de verdediging is in ieder geval dat de aangegane leningen of betalingen nooit in het privé vermogen van cliënt zijn gevloeid (en er, kort door de bocht, dus geen bedrieglijke bankbreuk heeft plaatsgevonden).
Ter onderbouwing van dit verweer heb ik Uw Hof op voorhand een tweetal uitspraken doen toekomen van de Rechtbank Oost-Brabant waarbij de curator in procedures tegen o.a. de partner van [verdachte] dit specifieke vraagstuk ook aan de Rechtbank heeft voorgelegd. Zaak 1 betreft een zaak waarbij [curator] een vordering in reconventie heeft ingediend bij een door [medeverdachte ] aangespannen civiele zaak. Voor de duidelijkheid, ik verwijs enkel naar wat de rechtbank heeft beslist aangaande de eis in reconventie, niet de initiële vordering van [medeverdachte ] . Wellicht ten overvloede: de curator heeft zich berust in beide vonnissen en is niet in hoger beroep gegaan.
De curator eist in eerste instantie de terugvordering van een bedrag van € 75.000 omdat deze kennelijk door [medeverdachte ] is ontvangen door/via [verdachte] . Ter comparitie heeft de curator vervolgens verklaard: “Dit is mijn zwakste stelling uit de reconventie. Ik heb geen informatie waaruit volgt dat het hier om een privé-lening van [verdachte] aan [medeverdachte ] gaat. Ik refereer me ten aanzien van deze kwestie aan uw oordeel". Wat m.i. hieruit volgt is dat de curator gewoonweg stellingen poneert zonder deze überhaupt te onderbouwen. De rechtbank oordeelt dan ook dat niet blijkt dat [verdachte] het geld aan [medeverdachte ] heeft geleend en wijst de vordering dan ook af op dit punt. Ik denk dat het zomaar opwerpen van meningen door de curator, zonder die te onderbouwen, exemplarisch is hoe de afhandeling van het faillissement van cliënt is verlopen. Het Openbaar Ministerie neemt deze redenering eigenlijk direct over: alles waar cliënt zich tegenaan heeft bemoeid valt direct aan te merken als vermogensbestanddelen en is dus onderdeel van de failliete boedel. Er wordt niet eens gekeken, laat staan onderzocht, of de in de tenlastelegging genoemde bedragen überhaupt wel in het privé vermogen van cliënt zijn gevloeid.
Over naar feit 3:
A) Tijdens het faillissement enig(e) goed(eren) aan de boedel heeft onttrokken, door (een deel van) zijn genoten inkomsten buiten het bereik en beheer van de [curator] te brengen en/of te houden, te weten:
- 70.000 euro geleend aan [A] op 1 mei 2014 (voor de aankoop van een chalet);
Dit onderdeel moet worden opgedeeld in twee delen:
- 19.000 euro leningovereenkomst tussen [D] BV en [A] BV
- 51.000 euro voldaan aan verkoper [betrokkene 8] (al dan niet middels levering van roerende lichamelijke zaken).
Te beginnen met het eerste deel, de 19.000. Dit is een lening overeenkomst tussen [D] BV en [A] BV. Dit gedeelte is dus niet door cliënt voldaan, het is door [D] BV voldaan. Er zijn geen bewijsmiddelen overgelegd waaruit blijkt dat het cliënt in privé was die dat bedrag aan [betrokkene 8] heeft voldaan of ten behoeve van de aankoop van dat chalet heeft betaald. Van onttrekking van 19.000 euro aan de failliete boedel is dan ook niets gebleken. Ook de rechtbank Oost-Brabant komt in de zaak van [medeverdachte ] / [curator] q.q. tot de conclusie dat (in dat geval) de vordering moet worden afgewezen omdat niet blijkt dat de boedel van [verdachte] voor dit bedrag van 19.000 is benadeeld of schade is berokkend. De rechtbank stelt vast dat uit de overgelegde stukken (dezelfde die in het strafdossier zijn gevoegd) niet blijkt dat de € 19.000 door [verdachte] is voldaan. Er zijn ook geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat het [verdachte] in privé was die dat bedrag aan de verkoper heeft voldaan of ten behoeve van de aankoop van het chalet heeft betaald. Volgens de curator is het onduidelijk wat de herkomst is van de €19.000. De conclusie die hier volgens de rechtbank uit moet volgen is dus dat niet blijkt dat de boedel van [verdachte] is benadeeld.
Het tweede gedeelte is de zogenaamde geldlening van cliënt aan [A] BV. Volgens client zijn de geleverde goederen (boot en auto) al in 2010 aan [betrokkene 8] overgegaan. Client heeft op verzoek van [betrokkene 6] in 2010 geholpen bij de onderhandeling over de aankoop van het chalet. Client heeft ten tijden van zijn faillissement nooit 51.000 euro aan goederen aan [betrokkene 8] overgemaakt. De auto is in 2010 op naam van [betrokkene 8] gezet: voor het faillissement van client. Dit geldt ook voor de boot, die is al in 2010 in eigendom overgegaan naar [betrokkene 8] . Het bedrag van 51.000 euro, de waarde van de goederen, is dus ook niet aan de boedel onttrokken.
(…)
- 175.000 euro ontvangen (vanuit de lening van [betrokkene 2] d.d. 23 maart 2017);
Dit betreft een garantstelling gesloten door client in privé maar het is bedoeld voor [K] . De vraag is of het geld ook daadwerkelijk tot de failliete boedel van client is gaan behoren. Cliënt geeft aan dat de lening enkel voor de bedrijfsactiviteiten van [K] is gesloten. Het geld is niet in het privévermogen van client gestroomd maar is aangewend voor de bedrijfsactiviteiten van [K] .
- 100.000,- euro verkregen op een Luxemburgse rekening (van verdachte) en 50.000,- euro door verdachte contant ontvangen (vanuit de lening van BV [B] d.d. 24 maart 2017);
Hiervoor geldt hetzelfde als voor de lening die is aangegaan met [betrokkene 2] . Het is een lening die bedoeld is voor [K] maar door [verdachte] privé ondertekend is. Ook hierbij is het de vraag of het geld ook daadwerkelijk in het failliete vermogen van client is gestroomd. Ik meen van niet. Het geld is bedoeld voor [K] en daarvoor is het ook gebruikt.
B) (tot 1 juli 2016) Ter gelegenheid van het faillissement één of meer schuldeiser(s) op enige wijze wederrechtelijk heeft bevoordeeld, immers heeft hij, verdachte,
- zijn lening aan [betrokkene 3] (gedeeltelijk) afgelost door 97.500,- euro aan die [betrokkene 3] terug te betalen (in 2014 en 2015);
De vraag in dezen is; wie heeft de lening betaald? Is dat client geweest? Of is dat iemand anders geweest? Volgens [betrokkene 3] is het [medeverdachte ] geweest die die lening heeft afbetaald, niet [verdachte] . Als er gekeken wordt naar het rekeningafschrift op pagina 57 van het zaaksdossier bedrieglijke bankbreuk dan zie je daar een bijschrijving op de rekening van [betrokkene 3] , afkomstig van [I] , en dus niet vanaf de privé rekening van cliënt. Eenzelfde verdenking speelt ook bij het volgende punt op de tenlastelegging, de aflossing bij [betrokkene 4] . Daarover is de rechtbank Oost-Brabant vrij helder: de aflossing van 195.000 euro is niet vanuit de privé boedel van cliënt betaald. Ik verwijs naar de overwegingen van de rechtbank Oost-Brabant bij het volgende gedachtestreepje, de lening van [betrokkene 4] . Er is geen enkel bewijs voor de stelling dat client prive deze aflossing heeft betaald, wat betekent dat er niet tot een veroordeling kan worden gekomen.
- zijn lening aan [betrokkene 4] (gedeeltelijk) afgelost door 195.000 euro aan die [betrokkene 4] terug te betalen (in de periode van 29 augustus 2013 tot en met 13 september 2013);
Zojuist al even aangestipt: deze kwestie is ook aan de orde geweest in de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant waarin [curator] [betrokkene 4] heeft gedagvaard voor deze aflossing van 195.000 euro. Kortgezegd komt het erop neer dat er, aldus de rechtbank, goederenrechtelijk moet worden vastgesteld wat in het vermogen van [verdachte] is gevloeid. De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van 'verwerven' zoals bedoeld in artikel 20 Fw, dat er geen sprake is van simulatie of een schijnconstructie die er toe leidt dat het geleende bedrag in het vermogen van [verdachte] is gekomen en, tenslotte, dat er geen sprake van verwerven zoals bedoeld in artikel 20 Fw langs de weg van misbruik van identiteitsverschil en vereenzelviging. De rechtbank concludeert dat de stelling van de curator dat de boedel niet aan de betaling gebonden is (artikel 24 Fw) en de boedel het bedrag van 195.000 als onverschuldigd betaald kan terugvorderen, niet slaagt. Er is geen sprake van dat [verdachte] onbevoegd (een deel van) zijn schuld aan [betrokkene 4] heeft afgelost. Nog daargelaten dat de 195.000 euro die aan [betrokkene 4] geen aflossing is (foutief vermeld in de omschrijving) maar een vergoeding voor het garant staan voor de lening met [C] BV. Het betreft dus helemaal geen afbetaling van een lening.
De rechtbank Oost-Brabant komt tot deze conclusie aan de hand van de navolgende overwegingen. M.i. zijn de overwegingen over te nemen in de door u te beantwoorden vragen, ik heb ze dan ook geheel overgenomen.
Er is geen sprake van 'verwerven' zoals bedoeld in artikel 20 Fw
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval geen sprake van is dat [verdachte] het bedrag van de geldleningsovereenkomsten tijdens zijn faillissement heeft verworven. Tussen partijen staat vast dat het bedrag van € 1.000.000,00 niet aan [verdachte] is overgemaakt op zijn bankrekening noch op een andere wijze feitelijk in het privévermogen van [verdachte] is gevloeid of anderszins in de macht van [verdachte] is geweest. Het geld is in het vermogen van eerst [I] en vervolgens in het vermogen van [D] gekomen door overboekingen op bankrekeningen op naam van respectievelijk [I] en [D] . [curator] q.q. stelt dat [verdachte] via [I] , waarvan hij volgens [curator] q.q. feitelijk bestuurder was, en [D] , waarvan hij bestuurder is, over het geld heeft beschikt. Maar daarmee is het geld nog niet in het privévermogen van [verdachte] gekomen. Het was en bleef in het vermogen van achtereenvolgens [I] en [D] . Bovendien heeft het faillissement van [verdachte] privé geen invloed op de positie van [verdachte] als (feitelijk) bestuurder. Wat [verdachte] als (feitelijk) bestuurder heeft gedaan, wordt niet door het faillissement van [verdachte] in privé getroffen. Dat het geld bedoeld was voor het gezin van [verdachte] om de bedreiging door de Turken mee af te wenden, leidt niet tot een ander oordeel. Het gaat hier namelijk om goederenrechtelijk vast te stellen wat in het vermogen van [verdachte] is gevloeid.
Mocht er worden aangevoerd dat er sprake is geweest van simulatie, waarbij iemand bewust een handeling stelt welke niet overeenstemt met de werkelijkheid, het navolgende.
4.5.
De rechtbank volgt het betoog van [curator] q.q. niet. Vaststaat dat de overeenkomsten van geldlening zijn gesloten tussen [C] enerzijds en [I] , [medeverdachte ] en [betrokkene 4] anderzijds. Vaststaat ook dat toen de lening niet werd terugbetaald, [C] die drie hoofdelijke schuldenaren heeft gedagvaard. [verdachte] is niet in de procedure betrokken door [C] , wat wel voor de hand had gelegen als hij degene was die de lening feitelijk zou hebben moeten terugbetalen en dat de wil van [C] dan wel [betrokkene 5] en [verdachte] daarop was gericht Kennelijk is [C] van mening dat zij alleen [I] , [medeverdachte ] en [betrokkene 4] tot terugbetaling kon aanspreken. [betrokkene 4] stelt ook dat de lening juist niet aan [verdachte] kon worden verstrekt, omdat hij failliet was. Als het de bedoeling was geweest dat [verdachte] zelf het geld zou lenen, dan zouden de geldleningsovereenkomsten nooit zijn gesloten, aldus [betrokkene 4] . Dat is door [curator] q.q. niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat [curator] q.q. in het licht van de voornoemde feiten en omstandigheden onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld om te kunnen oordelen dat het wel de bedoeling was dat de lening aan [verdachte] zou worden verstrekt. De enkele, onvoldoende concrete verklaring van [verdachte] en [medeverdachte ] is niet zwaarwegend genoeg, ook omdat daaruit niet de wil van [C] blijkt. Dat het geld uiteindelijk is gebruikt ter aflossing van een schuld van [verdachte] aan [betrokkene 4] maakt het voorgaande ook niet anders. Het gaat er namelijk om om vast te stellen wie juridisch gezien geldnemer was.
Mocht het verweer worden gevoerd dat [D] met cliënt moet worden vereenzelvigd het navolgende:
4.9.
In dit geval gaat het volgens [curator] q.q. om misbruik van het identiteitsverschil tussen [verdachte] en [D] dat tot vereenzelviging moet leiden. Uit de hiervoor genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat misbruik van het identiteitsverschil aan de orde is tussen twee (of meer) rechtspersonen. Daarvan is hier geen sprake. Voor zover vereenzelviging tussen een rechtspersoon en haar bestuurder al mogelijk zou zijn, geldt dat vereenzelviging alleen in uitzonderlijke omstandigheden kan worden aangenomen. Het enkele feit dat [verdachte] bestuurder is van [D] en het geld via [D] naar [betrokkene 4] is gevloeid, waardoor het buiten de boedel is gebleven, is daarvoor onvoldoende. Bovendien leidt vereenzelviging er nog niet toe dat goederenrechtelijk het vermogen van [D] als vermogen van [verdachte] moet worden beschouwd. Dus ook langs deze weg kan niet worden geoordeeld dat [verdachte] het geld van de lening heeft verworven zoals bedoeld in artikel 20 Fw. Daarnaast volgt uit het bovenstaande dat de geldleningsovereenkomsten nooit zouden zijn aangegaan als het geld naar [verdachte] zou gaan. Kortheidshalve wordt verwezen naar de onweersproken verklaring van [betrokkene 4] . Van benadeling van de boedel is dan ook geen sprake.
Kortom: de betaling aan [betrokkene 4] is niet vanuit het privé vermogen van client betaald, noch is het een aflossing op de bestaande lening maar een vergoeding voor de garantstelling voor de lening van [C] BV. Ik verzoek u client hiervan vrij te spreken.
C) (tot 1 juli 2016) Lasten heeft verdicht en/of baten niet heeft verantwoord, te weten:
(…)
- 1.000.000,- euro uit een lening van [C] BV d.d. 27 augustus 2013;
Dezelfde kwestie is aan de orde gekomen bij een tweetal zaken van [medeverdachte ] en [betrokkene 4] . De zaak van [betrokkene 4] heb ik al behandeld onder B tweede gedachtestreepje. Ik zal de overwegingen van de rechtbank aangaande de lening van [C] BV aan [betrokkene 4] , [I] en [medeverdachte ] niet nogmaals herhalen en ik verwijs dan ook naar feit 3, onder B , tweede gedachtestreepje.
Alle betrokkenen bij deze lening, zowel leninggever [C] , alsook leningnemer [medeverdachte ] en leningnemer/hoofdelijk aansprakelijke [betrokkene 4] , hebben verklaard dat de lening is aangegaan door [I] , [medeverdachte ] en [betrokkene 4] . [C] heeft ook slechts [I] , [medeverdachte ] en [betrokkene 4] in rechte betrokken en niet [verdachte] . [C] ziet [verdachte] dus zeer zeker niet als leningnemer.
De rechtbank Oost-Brabant heeft in haar vonnis tussen [medeverdachte ] / [curator] q.q. het navolgende overwogen aangaande deze lening:
3.21.
Vaststaat dat [C] BV € 1.000.000,00 heeft geleend aan onder meer [I] BV. De curator stelt zich op het standpunt dat dit materieel een lening was aan [verdachte] , althans dat het geld was bedoeld voor [verdachte] . Feit is echter dat onder meer [I] BV dit bedrag heeft geleend en ook bij vonnis van 9 november 2016 is veroordeeld tot terugbetaling van die lening. Verder is gesteld noch gebleken dat dit bedrag of een gedeelte daarvan werkelijk in het vermogen van [verdachte] is gevloeid en daaraan vervolgens weer is onttrokken. De curator stelt wel dat [verdachte] over het geld heeft beschikt via een of meer vennootschappen, maar daarmee is het geld nog niet in het vermogen van [verdachte] privé gekomen. Dat [verdachte] als bestuurder van een of meer vennootschappen (mogelijk) over (een deel van) de geldlening heeft beschikt, brengt verder nog niet mee dat geld aan het vermogen van [verdachte] privé is onttrokken.
De vordering van de curator is dus niet toewijsbaar, voor zover die op deze lening betrekking heeft.
De enkele stelling van het OM dat deze geldlening door cliënt is aangegaan en hij daardoor een strafbaar feit heeft begaan, is dan ook niet waar. Het OM schermt verder nog met een conclusie van antwoord voor de civiele kamer van de rechtbank waaruit zou moeten blijken dat de geldleningen in feite bedoeld waren voor cliënt. Die opmerking is door een advocaat in de zaak van [medeverdachte ] ingebracht en zegt niets over de daadwerkelijke geldstroom. Zoals de rechtbank in de zaak van [medeverdachte ] / [curator] heeft geoordeeld dat in het geval gesteld kan worden dat cliënt via een of meer vennootschappen over het geld heeft beschikt, dit moet betekent dat daarmee het geld in het vermogen van cliënt privé is gekomen. Ook betekent dit niet dat omdat cliënt als bestuurder van een (of meer) vennootschap(pen) over een (gedeelte van de) geldlening heeft beschikt, dat cliënt dat geld aan zijn eigen vermogen heeft onttrokken. Het feitelijk beschikken over gelden namens een vennootschap of in opdracht van de bestuurder van een vennootschap, is daarnaast evenmin gelijk te stellen met het dan zelf in privé verwerven van die gelden. De Rechtbank heeft dat de curator in haar vonnis duidelijk gemaakt en die overwegingen van de Rechtbank staan onherroepelijk vast tussen de betrokken partijen en vellen daarmee dus indirect ook een oordeel over het handelen van [verdachte] . Van enige strafbare gedraging kan dan ook geen sprake zijn, nu de geleende gelden niet door [verdachte] zijn geleend en dus ook niet in zijn vermogen terecht zijn gekomen.
- 481.000,- euro aan contante stortingen op de bankrekening van [D] BV (in de periode van 10 juli 2012 t/m 11 juni 2014);
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alles wat met [D] BV te maken heeft direct in het privé vermogen van cliënt vloeit. Op geen enkele wijze wordt inzichtelijk gemaakt waarom die contante stortingen op de bankrekening van [D] BV aan cliënt toekomen en hoe hij daar privé over heeft kunnen beschikken. Zoals ik eerder heb uitgelegd kan cliënt als zijnde persoonlijk failliet, nog steeds bestuurder zijn van een bedrijf en ook (rechts)handelingen verrichten voor dat bedrijf.
Als het OM zich op het standpunt stelt dat client de curator niet voldoende heeft ingelicht (over de vermogensbestanddelen van [D] BV) dan betreft dat een ander verwijt. In het geval van het tenlastegelegde gaat het erom of de contante stortingen op de rekening van [D] BV als vermogensbestanddeel in de boedel van client zijn gevloeid. Voor die verregaande conclusie is onvoldoende bewijs aanwezig. De enkele stelling dat client de rekening van [D] BV gebruikte voor privé doeleinden wordt door het OM niet concreet gemaakt. Op geen enkele manier heeft het OM concreet gemaakt waarom die bedragen tot het vermogen van [verdachte] /de boedel zouden behoren of hebben behoord.
Ik verzoek u client integraal vrij te spreken voor het tenlastegelegde feit 3.’
33. Eén van de vonnissen waar de raadsman aan refereert is door de rechtbank Oost-Brabant gewezen op 15 april 2020.13.Het betreft een procedure die door de curator is aangespannen tegen [betrokkene 4] . De rechtbank overweegt dat het bedrag van € 1.000.000,- niet aan de verdachte is overgemaakt noch anderszins in zijn macht is geweest, maar ‘in het vermogen van eerst [I] en vervolgens in het vermogen van [D] gekomen (is) door overboekingen op bankrekeningen op naam van respectievelijk [I] en [D] ’. Inzake de stelling dat [D] met de verdachte moet worden vereenzelvigd overweegt de rechtbank dat voor zover ‘vereenzelviging tussen een rechtspersoon en haar bestuurder al mogelijk zou zijn, geldt dat vereenzelviging alleen in uitzonderlijke omstandigheden kan worden aangenomen’. En dat vereenzelviging er bovendien niet toe leidt dat goederenrechtelijk het vermogen van [D] als vermogen van de verdachte moet worden beschouwd. De stelling dat de boedel niet aan de betaling aan [betrokkene 4] gebonden is en dat de boedel het bedrag van € 195.000,- als onverschuldigd betaald kan terugvorderen slaagt niet. Het andere vonnis (dat eveneens aan de pleitnota is gehecht) dateert van 27 mei 2020 en is niet gepubliceerd.14.
Toepasselijke artikelen
34. Voor 1 juli 2016 luidde art. 341 Sr als volgt:15.
‘Als schuldig aan bedrieglijke bankbreuk wordt gestraft hetzij met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren en geldboete van de vijfde categorie, hetzij met één van deze straffen, hij:
a. die in staat van faillissement is verklaard, indien hij ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers:
1°. hetzij lasten verdicht heeft of verdicht, hetzij baten niet verantwoord heeft of niet verantwoordt, hetzij enig goed aan de boedel onttrokken heeft of onttrekt;
(…)
3°. ter gelegenheid van zijn faillissement of op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen, een van zijn schuldeisers op enige wijze bevoordeeld heeft of bevoordeelt;’
35. Op 1 juli 2016 is de Wet herziening strafbaarstelling faillissementsfraude in werking getreden.16.Daardoor kwam art. 341 Sr, voor zover in deze zaak van belang, als volgt te luiden:
‘Hij die in staat van faillissement is verklaard wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien hij, wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld:
1°. voor of tijdens het faillissement enig goed aan de boedel heeft onttrokken of onttrekt;’
Bespreking van het tweede middel
36. Het tweede middel bevat een klacht over de bewijsvoering van feit 3. Aangevoerd wordt dat het hof heeft geoordeeld dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van een aantal rechtspersonen (te weten: [D] B.V., [I] B.V. en [F] B.V. / [A] B.V.) waar hij (en dus niet zijn echtgenote) feitelijk zeggenschap over had. Het hof heeft aan die vaststelling, aldus de stellers van het middel, kennelijk het rechtsgevolg verbonden dat bij de beoordeling van de tenlastelegging en de bewijsmiddelen het handelen en het vermogen van de verdachte en het handelen en het vermogen van de misbruikte rechtspersonen op één lijn kunnen worden gesteld, dat tussen het handelen en het vermogen van beide geen enkel onderscheid behoeft te worden gemaakt en dat het (civielrechtelijke) identiteitsverschil tussen de verdachte en deze rechtspersonen volledig kan worden weggedacht. Dat oordeel getuigt volgens de stellers van het middel van een onjuiste rechtsopvatting.
37. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 juli 2012 tot en met 8 juni 2018, terwijl hij in staat van faillissement was verklaard, (kort gezegd) tijdens het faillissement goederen aan de boedel heeft onttrokken, ter gelegenheid van zijn faillissement één of meer schuldeisers heeft bevoordeeld, alsmede lasten heeft verdicht en/of baten niet heeft verantwoord. In reactie op het verweer dat geen van de tenlastegelegde bedragen in het privévermogen van de verdachte is gevloeid en dat geen sprake is van vereenzelviging heeft het hof overwogen ‘dat verdachte misbruik heeft gemaakt van rechtspersonen waar feitelijk hij en niet zijn medeverdachte echtgenote, te weten [medeverdachte ] , feitelijk zeggenschap over had’. Het hof vermeldt vervolgens een groot aantal feiten en omstandigheden die het voor de bewezenverklaring ‘mede redengevend’ acht.
38. Het hof heeft aan die feiten en omstandigheden niet expliciet nadere gevolgtrekkingen verbonden. Daarmee blijft de betekenis van deze feiten en omstandigheden enigszins onduidelijk. Heeft het hof deze feiten en omstandigheden in kaart gebracht omdat zij de vaststelling dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van rechtspersonen ondersteunen? Of heeft het hof op basis van die feiten en omstandigheden (impliciet) de conclusie getrokken dat het handelen en vermogen van de verdachte en van (één of meer van) de misbruikte rechtspersonen op één lijn kunnen worden gesteld, zoals de stellers van het middel menen?
39. Uit de bewijsoverwegingen van het hof wordt duidelijk dat het hof, na de weergave van feiten en omstandigheden die het hof voor de bewezenverklaring ‘mede redengevend’ acht, niet nader ingaat op verweren die verband houden met de omstandigheid dat de rechtspersonen [D] B.V., [I] B.V en [F] B.V. / [A] B.V. een eigen vermogen zouden hebben. Heel in het algemeen heeft de verdediging de stelling betrokken ‘dat de aangegane leningen of betalingen nooit in het privé vermogen’ van de verdachte zijn gevloeid. Deze stelling wordt bij een groot aantal onderdelen van de tenlastelegging nader uitgewerkt. Het hof heeft niet nader op deze verweren gereageerd. Daaruit kan worden afgeleid dat het hof van oordeel is dat in de vaststelling dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van rechtspersonen waar hij feitelijk zeggenschap over heeft gehad, in samenhang met de feiten en omstandigheden die het hof ‘mede redengevend’ heeft geacht, besloten ligt dat en waarom deze verweren kunnen worden gepasseerd.
40. Het is de vraag hoe dit oordeel van het hof zich verhoudt tot de mogelijkheid van vereenzelviging, waar de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep aan refereerde, en tot de regel dat het faillissement (slechts) het vermogen van de schuldenaar omvat. Daarover het volgende.
41. Timmerman heeft vereenzelviging als volgt omschreven: ‘Vereenzelviging is het met het oog op het bereiken van een bepaald doel, zoals het tot zijn recht doen komen van een wetsbepaling of het bevorderen van redelijkheid en billijkheid, voorbijgaan aan de afzonderlijke identiteit van twee (rechts)personen. Bij vereenzelviging worden dus twee (rechts)personen voor het bereiken van een bepaald doel als een behandeld, gelijkgesteld. Anders gezegd - en wellicht meer precies -: bij vereenzelviging wordt de scheiding tussen twee (rechts)personen voor het oplossen van een bepaalde kwestie minder scherp gemaakt. (…) Met vereenzelviging kan men uiteenlopende doeleinden, zoals het toepassen van de wet overeenkomstig de bedoeling van de wetgever, het bevorderen van fairness enzovoort, proberen te bereiken. Bij vereenzelviging in aansprakelijkheidsprocedures wordt door het wegdenken van (rechts)persoonlijkheid gepoogd een aansprakelijkheid die op de ene (rechts)persoon rust naar de andere (rechts)persoon uit te breiden’. Vereenzelviging vereist volgens Timmerman een ‘multifactor-benadering’ waarin met veel uiteenlopende dimensies rekening wordt gehouden, en is volgens hem in alle rechtssystemen ‘met grote rechtsonzekerheid omgeven.’17.
42. In de zaak die ten grondslag lag aan het door de advocaat-generaal aangehaalde arrest van de civiele kamer van Uw Raad van 13 oktober 2000 had de Ontvanger ten laste van Rainbow ‘als verschijningsvorm van Démarrage B.V.’ executoriaal (derden)beslag doen leggen onder een aantal debiteuren van Rainbow.18.Rainbow had verzet ingesteld tegen door de Ontvanger tegen Démarrage B.V. uitgevaardigde dwangbevelen op grond waarvan deze executoriale (derden)beslagen waren gelegd. En Rainbow had in kort geding (onder meer) opheffing van die beslagen gevorderd. De President had de gevraagde voorzieningen geweigerd; het hof had – na vernietiging van een eerder in deze zaak gewezen arrest – de grieven tegen het vonnis ongegrond bevonden. Een van de onderdelen van het middel stelde de vraag aan de orde of voor vereenzelviging van Rainbow met Démarrage plaats is ‘indien zich feiten en omstandigheden voordoen als die waarop het Hof zijn oordeel heeft gegrond’.
43. De civiele kamer van Uw Raad overwoog dat ‘door degene die (volledige of overheersende) zeggenschap heeft over twee rechtspersonen, misbruik kan worden gemaakt van het identiteitsverschil tussen deze rechtspersonen, en dat hetgeen met zodanig misbruik werd beoogd, in rechte niet behoeft te worden gehonoreerd. Het maken van zodanig misbruik zal in de regel moeten worden aangemerkt als een onrechtmatige daad, die verplicht tot het vergoeden van de schade die door het misbruik aan derden wordt toegebracht’. De omstandigheden van het geval kunnen volgens Uw Raad ‘ook zo uitzonderlijk van aard zijn dat vereenzelviging van de betrokken rechtspersonen - het volledig wegdenken van het identiteitsverschil - de meest aangewezen vorm van redres is’. Het door het hof geconstateerde misbruik bestond in het ‘doen eindigen van de ondernemingsactiviteiten van Démarrage en het doen voortzetten van dezelfde activiteiten door Rainbow’ met geen ander oogmerk ‘dan de fiscus als crediteur te benadelen, en wel door het verijdelen van (verder) verhaal van de Ontvanger op het vermogen van Démarrage’. Een dergelijke handelwijze was volgens Uw Raad ‘onrechtmatig jegens deze crediteur en verplicht dan ook de (rechts)personen die voor deze handelwijze verantwoordelijk zijn, tot vergoeding van de schade welke die crediteur als gevolg daarvan lijdt. Dit betekent echter niet dat de omvang van deze schade zonder meer gelijk is aan het bedrag van de vordering waarvan men het verhaal wilde verijdelen. Reeds hierom is een vereenzelviging als door het Hof in het onderhavige geval voor mogelijk wordt gehouden, een vorm van redres die te ver gaat’.
44. De civiele kamer wees in het Rainbow-arrest op een arrest van 9 juni 1995 als een voorbeeld van een geval waarin de omstandigheden van het geval zo uitzonderlijk van aard waren ‘dat vereenzelviging van de betrokken rechtspersonen – het volledig wegdenken van het identiteitsverschil – de meest aangewezen vorm van redres is’.19.In de zaak die aan dat arrest ten grondslag lag, had Citco Bank Antilles N.V. (verder: de Bank) op 22 oktober 1990 onder Krijger conservatoir derdenbeslag laten leggen op alle gelden die Krijger verschuldigd mocht zijn of worden aan Lorimar, ter verzekering van een vordering van de Bank op Lorimar. Krijger had eerder aan Lorimar de opdracht verstrekt tot het bouwen van een huis. Bij brief van 22 oktober 1990 had Krijger de aannemingsovereenkomst met Lorimar opgezegd; op dezelfde dag waren Krijger en Intervorm op voorstel van de directeur/eigenaar van zowel Lorimar als Intervorm overeengekomen dat Intervorm het in aanbouw zijnde huis zou afmaken. Krijger had daarop een klein deel van de aanneemsom als verschuldigd aan Lorimar voldaan aan de Bank.
45. De Bank had daarop gevorderd (kort gezegd) Krijger op te roepen om verklaring af te leggen van al hetgeen hij aan Lorimar verschuldigd was of zou worden, Krijger te veroordelen om die gelden aan de Bank af te geven, en bij het in gebreke blijven van Krijger tot het doen van de verklaring, Krijger te veroordelen tot voldoening van het bedrag van de vordering. In hoger beroep had de Bank haar vordering vermeerderd in die zin dat zij vorderde dat Krijger werd veroordeeld om verklaring af te leggen van al hetgeen hij aan Lorimar alsmede aan Intervorm verschuldigd was. Het hof had in een tussenvonnis geoordeeld dat Krijger verklaring diende af te leggen van hetgeen hij op de dag van de beslaglegging aan Lorimar en Intervorm verschuldigd was. Uw Raad overwoog dat de gedachtegang van het hof berustte ‘op het juiste uitgangspunt dat van het identiteitsverschil tussen twee door dezelfde persoon beheerste rechtspersonen misbruik kan worden gemaakt, en op de eveneens juiste gedachte dat hetgeen met zodanig misbruik werd beoogd – naar ’s Hofs oordeel in dit geval: het ten nadele van de beslaglegger frustreren van een beslag – in rechte niet behoeft te worden gehonoreerd.’
46. Timmerman merkte in zijn eerdergenoemde artikel op dat Uw Raad in dit arrest vereenzelviging inzette ‘om uitholling tegen te gaan van een gelegd, volkomen legaal beslag’. Het gebruik van vereenzelviging in deze context ‘is meer defensief (het effectief houden van een al gelegd, door de rechter toegestaan beslag)’ terwijl de Staat in het Rainbow-arrest ‘iets offensiefs met de vereenzelviging (wilde) bereiken (het verkrijgen van een nieuwe mogelijkheid van verhaal)’. Wellicht, zo suggereert hij, brengt de redelijkheid en billijkheid mee dat men het zware geschut van de vereenzelviging eerder ‘in stelling mag brengen om zich te verdedigen dan bij het opzetten van een offensief’.20.
47. In een arrest van 7 oktober 2016 (Maple Leaf) heeft de civiele kamer van Uw Raad de kern van de overweging in het Rainbow-arrest als volgt weergegeven: ‘Vereenzelviging van de betrokken rechtspersonen kan, in uitzonderlijke omstandigheden, de meest aangewezen vorm van redres zijn. Maar indien een op benadeling van een bepaalde crediteur gerichte handelwijze onrechtmatig is jegens deze crediteur, brengt de verplichting de daardoor aangerichte schade te vergoeden niet mee dat de omvang van deze schade zonder meer gelijk is aan het bedrag van de vordering waarvan men het verhaal wilde verijdelen. In een dergelijk geval is vereenzelviging een vorm van redres die te ver gaat.’21.
48. A-G Assink leidt uit (in het bijzonder) het Rainbow-arrest en het Maple Leaf-arrest af ‘dat de Hoge Raad, zeker bij vereenzelviging voor genoemde aansprakelijkheidsdoeleinden, bepaald terughoudend is met het aanmerken van omstandigheden als zodanig uitzonderlijk van aard dat vereenzelviging van de betrokken (rechts)personen dan de meest aangewezen vorm van redres is’.22.Hij citeert onder meer Roelvink, die ruim vóór het Rainbow-arrest het standpunt innam ‘dat de regel van exclusieve aansprakelijkheid niet opzij kan worden geschoven in àlle gevallen waarin van misbruik kan worden gesproken. Er moet naar mijn mening sprake zijn van een zeer krasse vorm van misbruik’.23.Hij citeert ook Timmerman, die vereenzelviging ‘een gelegenheidsoplossing, een noodventiel’ noemt voor een beperkt aantal gevallen.24.Assink merkt (afrondend) op dat ‘in beginsel de partij die zich beroept op vereenzelviging van twee of meer (rechts)personen en de rechtsgevolgen daarvan een daarvoor afdoende feitelijke basis moet aanvoeren’. En dat vereenzelviging alleen kan worden aanvaard op basis van omstandigheden die (mede) betrekking hebben op de (rechts)persoon die met de schuldenaar vereenzelvigd wordt.25.
49. Bij wijze van voorlopige conclusie kan worden gesteld dat de civielrechtelijke benadering van vereenzelviging zoals die uit de genoemde arresten naar voren komt niet onverenigbaar lijkt met een strafrechtelijke benadering die in nader ingekaderde situaties van misbruik van rechtspersonen in de context van de faillissementsdelicten het (civielrechtelijke) identiteitsverschil tussen (rechts)personen negeert.
50. Het faillissement omvat het gehele vermogen van de schuldenaar ten tijde van de faillietverklaring, alsmede hetgeen hij gedurende het faillissement verwerft (art. 20 Fw). Door de faillietverklaring verliest de schuldenaar van rechtswege de beschikking en het beheer over zijn tot het faillissement behorend vermogen, te rekenen van de dag waarop de faillietverklaring wordt uitgesproken, die dag daaronder begrepen (art. 23 Fw). De faillietverklaring treft volgens deze bepalingen enkel het vermogen van de schuldenaar.
51. De enige in de wet geregelde situatie waarin het faillissement het vermogen van meer dan één persoon betreft, is die van een huwelijk of geregistreerd partnerschap in enige gemeenschap van goederen. Het faillissement van de persoon die in enige gemeenschap van goederen gehuwd is of in enige gemeenschap van goederen een geregistreerd partnerschap is aangegaan, wordt als faillissement van die gemeenschap behandeld (art. 63, eerste lid, Fw). Deze regeling is niet gebaseerd op de gedachte van vereenzelviging, maar een uitvloeisel van het huwelijksvermogensrecht.
52. In uitzonderlijke omstandigheden kan ‘geconsolideerde afwikkeling’ van faillissementen plaatsvinden. Reumers omschrijft geconsolideerde afwikkeling als ‘de samenvoeging van twee of meer failliete boedels, die vervolgens worden afgewikkeld als was er slechts sprake van één failliete boedel en één faillissement’.26.Reumers wijst op een uitspraak van de civiele kamer van Uw Raad van 25 september 1987.27.In die zaak was aan de rechter-commissaris verzocht de curatoren in twee faillissementen (kort gezegd) ‘een bevel te geven dat leidt tot een afzonderlijke afwikkeling van de boedel’ van beide rechtspersonen. Nadat de curatoren verweer hadden gevoerd, waren de verzoeken afgewezen. De beschikkingen van de rechter-commissaris waren door de rechtbank bekrachtigd. In beide faillissementen waren afzonderlijke verificatievergaderingen gehouden. Uw Raad overwoog onder meer dat volgens het stelsel van de Faillissementswet ‘alle schuldeisers voor wie de failliete boedel tot verhaal strekt, bevoegd (zijn) de juistheid van de vordering van een andere schuldeiser (…) te betwisten’. Dat bracht mee dat in het door de rechtbank aanwezig geachte geval ‘slechts als geverifieerde vorderingen kunnen gelden vorderingen die zijn geverifieerd op een in beide faillissementen tezamen gehouden verificatievergadering’. Dat Uw Raad die mogelijkheid erkent, sluit de mogelijkheid van een geconsolideerde afwikkeling in.
53. Reumers heeft in haar dissertatie verdedigd dat invoering van een regeling voor samengevoegde afwikkeling van faillissementen om verscheidene redenen meerwaarde heeft.28.Samengevoegde afwikkeling zou een oplossing kunnen bieden ‘wanneer na faillietverklaring van twee of meer onderling verbonden vennootschappen de samenstelling van de afzonderlijke boedels bijzonder lastig of zelfs onmogelijk blijkt doordat onduidelijk is welke van de aangetroffen activa en passiva aan welke vennootschap toebehoren’. Ook het probleem van ‘de toedeling van de faillissementskosten, waaronder met name het salaris van de curator aan de verschillende boedels’ zou zo kunnen worden opgelost (p. 426). Consolidatie zou alleen kunnen plaatsvinden ‘indien sprake is van een zodanige vermogensvermenging dat een reële scheiding van de vermogens niet meer mogelijk is of slechts kan plaatsvinden tegen zo hoge kosten dat vooraf duidelijk is dat alle crediteuren bij een consolidatie zullen zijn gebaat’ (p. 429). In haar monografie uit 2020 schrijft Reumers dat verschillend gedacht wordt over geconsolideerde afwikkeling in andere gevallen dan die betreffende onontwarbare vermogensvermenging.29.In de praktijk beoordeelt de curator volgens Reumers of een geconsolideerde afwikkeling aan de orde is; hij verzoekt vervolgens de rechter-commissaris om toestemming om over te gaan tot consolidatie.
54. Het ligt in de rede dat de keuze voor een geconsolideerde afwikkeling gevolgen heeft voor de toepassing van de strafbaarstellingen van faillissementsdelicten. Art. 341 Sr stelt onder meer strafbaar hij die in staat van faillissement is verklaard, indien hij, wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, voor of tijdens het faillissement enig goed aan de boedel heeft onttrokken of onttrekt. Indien sprake is van een geconsolideerde afwikkeling van faillissementen waar het faillissement van de betrokkene toe behoort, is deze delictsomschrijving – meen ik − vervuld als een goed aan de samengevoegde failliete boedels is onttrokken.
55. In het onderhavige geval is geen sprake van (geconsolideerde afwikkeling van) faillissementen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [D] B.V. op 30 september 2015 is ontbonden door de Kamer van Koophandel (bewijsmiddel 14). [I] B.V. is op 3 november 2017 ontbonden door de Kamer van Koophandel (bewijsmiddel 15). [F] B.V. is op die datum uitgeschreven uit het handelsregister; uit het uittreksel blijkt niet dat deze rechtspersoon is ontbonden (bewijsmiddel 16). De erkenning van de mogelijkheid van geconsolideerde afwikkeling van faillissementen illustreert evenwel dat soms afwijkende regels gelden in situaties waarin sprake is van een faillissement, meerdere betrokken rechtssubjecten en vermogensvermenging bij die subjecten.
56. Uw Raad heeft in een arrest van 6 september 2016 overwogen dat art. 341, aanhef en onder 1o, (oud), Sr ‘beoogt te treffen onder meer alle handelingen van de in staat van faillissement verklaarde, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers verricht, waardoor hetgeen rechtens onder het bereik en beheer van de curator in het faillissement behoorde te komen, buiten diens bereik en beheer wordt gehouden. Daarvan kan geen sprake zijn indien de desbetreffende goederen omdat zij aan een derde toebehoren buiten het faillissement blijven’.30.In het licht van het voorgaande meen ik dat er ruimte is om in uitzonderlijke omstandigheden aan te nemen dat een goed niet (alleen) aan een rechtspersoon toebehoort, maar (ook) aan de gefailleerde natuurlijk persoon die het daarin feitelijk volledig voor het zeggen heeft.
57. Het hof overweegt dat de verdachte van 3 januari 2011 tot en met 30 september 2015 enig aandeelhouder en formeel bestuurder was van [D] B.V. En dat deze rechtspersoon op 30 september 2015 is ontbonden omdat er sinds 2003 geen jaarrekeningen waren gedeponeerd; bij de belastingdienst was geen omzet, inkomen of enige administratie bekend. Het hof overweegt voorts (onder meer) dat de verdachte ter zitting van het hof heeft bevestigd dat sprake was van een lege B.V. zonder activiteiten en dat hij in 2011 voorafgaand aan zijn persoonlijk faillissement een bankrekening heeft geopend op naam van [D] B.V. En dat verdachte daarmee privé-uitgaven deed en uit naam van de rechtspersoon leningen aanging en/of afloste die met de bedrijfsvoering of activiteiten van de rechtspersoon niets van doen hadden.
58. Inzake [I] B.V. overweegt het hof onder meer dat de belastingdienst in haar controlerapport heeft vastgesteld dat alle (bestuurs)activiteiten voor rekening komen van verdachte, die naar eigen zeggen bij iedere bestuurshandeling gemachtigd is door zijn echtgenote, vanaf 1990 aandeelhouder en enig bestuurder van de B.V. Het hof overweegt voorts dat bij de belastingdienst ‘geen inkomen en geen omzet’ bekend zijn en dat de belastingdienst in een boekenonderzoek heeft vastgesteld ‘dat ontvangen bedragen mede gediend hebben ter financiering van persoonlijke uitgaven van verdachte en zijn partner’ en dat ‘de ontvangen lening van [C] voornamelijk bestemd is geweest voor de aflossing van oude privé schulden van verdachte en zijn partner’. En het hof stelt vast dat in de ten laste gelegde periode geen zakelijke activiteiten werden verricht binnen de rechtspersoon, dat verdachte de beschikking had over de bankrekening van deze rechtspersoon en daarmee privé-uitgaven deed en uit naam van de rechtspersoon leningen aanging en/of afloste die met de bedrijfsvoering of activiteiten van de rechtspersoon niets van doen hadden.
59. Het hof heeft uit in het bijzonder deze feiten en omstandigheden kennelijk in de eerste plaats afgeleid dat de verdachte het in deze beide rechtspersonen in de bewezenverklaarde periode alleen voor het zeggen had. Het hof heeft daaruit, zo begrijp ik, voorts afgeleid dat het geld dat op de bankrekeningen van beide rechtspersonen stond niet tot eigen bedrijfsactiviteiten herleidbaar was. En het hof heeft daaruit in de derde plaats afgeleid dat de verdachte privéuitgaven deed van geld op de bankrekeningen van beide rechtspersonen en van dat geld leningen afloste die niets met de betreffende rechtspersoon van doen hadden. Op basis van deze vaststellingen heeft het hof, zo begrijp ik, niet alleen geoordeeld dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van deze beide rechtspersonen, maar ook dat de bankrekeningen van beide rechtspersonen als bankrekeningen van de verdachte kunnen worden beschouwd en dat beide rechtspersonen in zoverre met de verdachte kunnen worden vereenzelvigd. Dat oordeel is – meen ik − niet onbegrijpelijk. Naar het mij voorkomt past het erkennen van een mogelijkheid van vereenzelviging op basis van deze vaststellingen bij de ‘defensieve’ benadering waar Timmerman over spreekt: de effectiviteit van het uitgesproken faillissement wordt erdoor bevorderd. Ik merk daarbij nog op dat beide rechtspersonen zijn ontbonden door de Kamer van Koophandel en dat (derhalve) geen sprake is van (separate) faillissementen van beide rechtspersonen.
60. Ik merk voorts op dat ingeval de weg van vereenzelviging in een geval als het onderhavige niet begaanbaar wordt geacht, een veroordeling wegens een faillissementsdelict mogelijk blijft als wordt vastgesteld dat bedragen die op de bankrekening van beide rechtspersonen zijn gestort door de verdachte ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers aan de boedel zijn onttrokken. Dat vereist evenwel andere vaststellingen.
61. Ervan uitgaand dat de verdachte de bankrekening van [D] B.V. als een bankrekening van de verdachte heeft kunnen aanmerken, kon het hof het verweer passeren dat van het bedrag van € 70.000,- dat is geleend aan [A] B.V. € 19.000,- door [D] B.V. is verstrekt. Ook kon het hof eraan voorbijgaan dat het bedrag van € 195.000,- aan [betrokkene 4] is afgelost vanaf de bankrekening van [D] B.V. En het hof kon ook het verweer passeren dat op geen enkele wijze inzichtelijk is gemaakt waarom de contante stortingen tot een bedrag van € 481.000,- op de bankrekening van [D] B.V. aan verdachte toekomen en hij daar privé over heeft kunnen beschikken.
62. Ervan uitgaand dat de verdachte de bankrekening van [I] B.V. als een bankrekening van de verdachte heeft kunnen aanmerken, kon het hof het verweer passeren dat bij het (gedeeltelijk) aflossen van de lening aan [betrokkene 3] sprake is van ‘een bijschrijving op de rekening van [betrokkene 3] , afkomstig van [I] , en dus niet vanaf de privérekening’ van verdachte. En dat de omstandigheid dat de lening van € 1 miljoen door [C] B.V. is overgemaakt naar de bankrekening van [I] B.V. er niet aan afdoet dat dit bedrag tot het vermogen van de verdachte is gaan behoren.
63. Inzake [F] B.V. heeft het hof overwogen dat [medeverdachte ] van 18 maart 2014 tot en met 8 maart 2017 als enig bestuurder van [F] B.V. geregistreerd stond. De naam is volgens het hof op 21 maart 2017 gewijzigd in [A] B.V.31.Met ingang van 8 maart 2017 was [K] enig aandeelhouder en bestuurder. Alle aandelen van [F] B.V. / [A] B.V. waren in handen van [medeverdachte ] en de kinderen van verdachte en medeverdachte, op 8 maart 2017 zijn alle 72 aandelen van [medeverdachte ] verkocht aan [K] , vertegenwoordigd door verdachte. Het hof overweegt voorts dat de verdachte ‘ter zitting van het hof heeft verklaard dat hij de ondernemingen die op naam stonden van zijn vrouw heeft gebruikt en dat hij feitelijk bestuurder was en dat hij “maar marginaal” iets met die ondernemingen heeft gedaan’. Inzake [K] heeft het hof niets naders vastgesteld.
64. Als ik het goed zie is het hof er bij deze drie rechtspersonen niet vanuit gegaan dat zij met de verdachte kunnen worden vereenzelvigd. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij tijdens het faillissement goederen aan de boedel heeft onttrokken door € 70.000,- te lenen aan [A] B.V. Voor zover dit onderdeel van de bewezenverklaring gebaseerd is op het door verdachte verstrekken van een lening van € 51.000,- aan [A] B.V., gaat het van twee afzonderlijke vermogens uit (bewijsmiddel 25, par. 10.4.2). Van de lening van [betrokkene 2] is € 75.000,- gestort op een bankrekening van [A] B.V.; mede in het licht van het voorgaande begrijp ik de bewijsvoering aldus dat dit bedrag niet op grond van vereenzelviging als tot het vermogen van de verdachte behorend is aangemerkt, maar op grond van de aangetroffen leenovereenkomst (bewijsmiddel 25, par. 10.6.1).32.Inzake het geldbedrag van € 100.000,- dat op een Luxemburgse rekening van de verdachte is ontvangen is aangevoerd dat dit ‘is aangewend voor de bedrijfsactiviteiten van [K] ’; die aanwending doet er evenwel niet aan af dat dit geld op de bankrekening van verdachte is verkregen (bewijsmiddel 25, par. 10.6.2).
65. Het middel faalt.
Bespreking van het derde middel
66. Het derde middel bevat eveneens een klacht over de bewijsvoering van feit 3. De klacht houdt in dat de bewezenverklaring voor zover inhoudend dat de verdachte bij een aantal gedragingen die na de faillietverklaring hebben plaatsgevonden, heeft gehandeld ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers dan wel terwijl hij wist dat één of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, ontoereikend dan wel onbegrijpelijk is gemotiveerd. De stellers van het middel noemen het bedrag van € 175.000,-, verkregen uit een lening van [betrokkene 2] , het bedrag van € 100.000,- verkregen op een Luxemburgse rekening en het bedrag van € 50.000,- dat door de verdachte contant is ontvangen vanuit een lening van B.V. [B] , alsmede het bedrag van € 1.000.000,- verkregen door een lening van [C] B.V. Zij voeren aan dat deze leningen zijn aangegaan na de datum van het persoonlijke faillissement van de verdachte. Het fixatiebeginsel zou meebrengen dat de bewezenverklaring voor zover inhoudend dat de verdachte in verband met deze leningen (voor 1 juli 2016) ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers’ heeft gehandeld dan wel (na 1 juli 2016) ‘terwijl hij wist dat een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld’ ontoereikend met redenen is omkleed.
67. Het faillissement omvat het gehele vermogen van de schuldenaar ten tijde van de faillietverklaring, alsmede hetgeen hij gedurende het faillissement verwerft (art. 20 Fw). Door de faillietverklaring verliest de schuldenaar van rechtswege de beschikking en het beheer over zijn tot het faillissement behorend vermogen, te rekenen van de dag waarop de faillietverklaring wordt uitgesproken, die dag daaronder begrepen (art. 23 Fw). Voor verbintenissen van de schuldenaar, na de faillietverklaring ontstaan, is de boedel niet aansprakelijk dan voor zover deze ten gevolge daarvan is gebaat (art. 24 Fw).
68. Het fixatiebeginsel brengt mee dat de rechtspositie van alle bij de boedel betrokkenen onveranderlijk wordt bij het begin van het faillissement.33.Deze fixatie heeft zowel betrekking op de activa (bezittingen) als op de passiva (schulden) van de schuldenaar. Uit de genoemde artikelen, in het bijzonder art. 24 Fw, vloeit voort dat schulden die de schuldenaar na de faillietverklaring aangaat, voor de boedel niet relevant zijn, tenzij de boedel gebaat is.34.
69. In een zaak waarin Uw Raad op 3 december 1974 arrest wees, was ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij, nadat hij op 21 maart 1968 in staat van faillissement was verklaard, in de periode van 21 maart 1968 tot 1 september 1970 ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers een bate niet had verantwoord of goederen aan de boedel had onttrokken, doordat hij een geldsbedrag ter grootte van 45.000 gulden voor de curator in zijn faillissement had verzwegen.35.In cassatie werd onder meer geklaagd dat uit de bewijsmiddelen niet kon volgen dat de verdachte ter bedrieglijke verkorting van zijn schuldeisers had gehandeld. Uit die bewijsmiddelen volgde dat de verdachte had verklaard dat hij eind maart 1969 bij een zekere Heuserer in Oberhausen 50.000 Duitse Marken had geleend en van dit geld 45.000 gulden had besteed ter voldoening van de koopsom van een hotel-café-restaurant. Uw Raad oordeelde dat ‘gelet op het bepaalde in de artt. 24 Fw. en 1791 BW het enkele door iemand die in staat van faillissement verkeert aan de boedel onttrekken, voor de curator in zijn faillissement verzwijgen of niet aan deze verantwoorden van een door hem na de faillietverklaring geleend geldsbedrag, nog niet leidt tot verkorting van de rechten van zijn schuldeisers’.
70. Het middel slaagde. Annotator Wachter was het met die beslissing eens: ‘Wanneer i.c. het door de failliet geleende bedrag bijgeschreven was op een bank- of girorekening, waarover slechts de curator kon beschikken, zou de ontvangst van het geleende bedrag als een bate in de zin van art. 20 Fw. aangemerkt zijn, doch tegelijkertijd zou een boedelschuld tot eenzelfde bedrag ontstaan zijn. Per saldo zouden de faillissementscrediteuren er dus geen cent beter van geworden zijn, zodat van een verkorting van hun rechten geen sprake was. In het onderhavige geval nam de failliet het geleende bedrag zelf in ontvangst, zonder het aan de curator af te dragen. De enige consequentie, welke hieruit voortvloeide, was het niet ontstaan van een boedelschuld ten gunste van de uitlener.’
71. In een zaak waarin Uw Raad op 12 mei 1992 arrest wees, had het hof vastgesteld dat de gefailleerde met een rechtspersoon was overeengekomen dat hij auto’s voor de rechtspersoon zou verkopen.36.En dat hij een bedrag van 80.000 gulden dat hij uit hoofde van die verkopen onder zich had, aan de verdachte (zijn raadsman) had overhandigd teneinde dit aan een schuldeiser af te dragen. De verdachte had aan deze opdracht voldaan. Namens de verdachte was het verweer gevoerd dat de activiteiten van de gefailleerde ‘budgettair neutraal’ waren voor de boedel. Het hof overwoog dat dit niet aannemelijk was geworden en het verweer zelfs als dit anders was, nog geen doel trof, nu de inkomsten van de gefailleerde op grond van art. 20 Fw tot de failliete boedel gingen behoren. De verdachte werd veroordeeld wegens medeplichtigheid aan bedrieglijke bankbreuk.
72. Uw Raad oordeelde dat de bewijsvoering in het licht van het gevoerde verweer ontoereikend was. Uit de overweging van het hof werd niet duidelijk of het hof de aan het verweer ten grondslag gelegde feiten niet aannemelijk geworden achtte dan wel of het die feiten als juist had aanvaard maar niettemin van oordeel was dat de uitkering aan de schuldeiser leidde tot verkorting van de rechten van de schuldeisers in het faillissement. Laatstbedoeld oordeel zou volgens Uw Raad onjuist zijn. Indien de verdachte het bedrag aan de curator in het faillissement zou hebben overhandigd, zou de boedel tot dit bedrag zijn gebaat, waardoor er ingevolge art. 24 Fw tot hetzelfde bedrag een boedelschuld aan de betaalde schuldeiser zou zijn ontstaan, ‘door voldoening waarvan de rechten van de schuldeisers in het faillissement niet kunnen zijn verkort’.
73. In beide arresten is gecasseerd, zo begrijp ik, omdat de bewezenverklaring voor zover inhoudend dat ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers is gehandeld ontoereikend met redenen is omkleed. Daaruit leid ik af dat wel sprake is van een onttrekking aan de boedel. Dat komt mij ook juist voor. Uit art. 20 Fw volgt dat het faillissement (onder meer) omvat hetgeen de schuldenaar gedurende het faillissement verwerft. Door de bedragen die uit een lening respectievelijk door de verkoop van auto’s verkregen zijn voor de curator te verzwijgen, is hetgeen rechtens onder het bereik en beheer van de curator in het faillissement behoorde te komen, buiten diens bereik en beheer gehouden.
74. In verband met de vraag of het niet afdragen van de verkregen bedragen tot verkorting van de rechten van schuldeisers kan leiden, is het onderscheid tussen faillissementsschulden en boedelschulden relevant. Van een faillissementsschuld is sprake bij schuldeisers die ‘op het tijdstip van de faillietverklaring iets van de failliet te vorderen hebben’. Ook de – op het moment van de faillietverklaring – niet opeisbare schulden zijn van belang. Schulden die na de faillietverklaring ontstaan, zijn in beginsel geen faillissementsschuld, maar op die regel bestaan uitzonderingen. Schulden die voortvloeien uit vernietiging of ontbinding van overeenkomsten die door de wederpartij vóór de faillietverklaring met de schuldenaar zijn gesloten zijn faillissementsschulden. Dat geldt ook voor schulden die betrekking hebben op schadevergoeding door een tekortschieten in de nakoming van een vóór de faillietverklaring ontstane verbintenis. Een uitzondering geldt ook voor schulden die voortvloeien uit een ten tijde van de faillietverklaring bestaande rechtsverhouding tussen schuldenaar en schuldeiser, mits de vereffening in faillissement op de voldoening van die schuld is gericht.37.
75. Uw Raad heeft boedelschulden omschreven als ‘die schulden die een onmiddellijke aanspraak geven jegens de faillissementsboedel hetzij ingevolge de wet, hetzij omdat zij door de curator in zijn hoedanigheid zijn aangegaan, hetzij omdat zij een gevolg zijn van een handelen van de curator in strijd met een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verbintenis of verplichting. Onder het aangaan van een schuld door de curator in deze is te verstaan dat de curator deze schuld op zich neemt bij een rechtshandeling, doordat zijn wil daarop is gericht (art. 3:33 en 35 BW).’38.Boedelschulden kunnen voortvloeien uit ‘gedragingen van de schuldenaar na de faillietverklaring zonder instemming van de curator. Hoewel de verplichtingen die hieruit voortvloeien in beginsel de boedel niet raken, wordt dit anders als de boedel daardoor gebaat blijkt te zijn (art. 24). Dan is het in het belang van de boedel om die verplichting na te komen, omdat het per saldo meer oplevert. De daarmee corresponderende schuld vormt dan wel een boedelschuld’.39.
76. Het is mogelijk dat de curator onvoldoende middelen heeft om alle boedelschulden te voldoen. In dat geval ‘verricht de curator zijn beheer- en vereffeningswerkzaamheden voor de boedelschuldeisers (onder wie hijzelf)’. De boedelschuldeisers hebben in dat geval een recht op uitkering naar rato van hun rangorde. De kosten van executie moeten daarbij als eerste worden voldaan voordat tot uitkering kan worden overgegaan.40.
77. In een en ander ligt besloten dat schuldeisers met een faillissementsvordering er inderdaad (om met Wachter te spreken) geen cent beter van worden als gelden die de gefailleerde verkrijgt uit een lening die hij na de faillietverklaring is aangegaan niet aan de curator worden afgedragen. Tegelijk is het wel mogelijk dat rechten van boedelschuldeisers daardoor verkort worden. Ook het welbewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van boedelschuldeisers volstaat – meen ik – voor een bewezenverklaring van het in art. 341 (oud) Sr vereiste oogmerk. Ik merk daarbij nog op dat Uw Raad in een arrest van 9 februari 2010 heeft geoordeeld dat niet is vereist dat komt vast te staan ‘dat de rechten van schuldeisers als gevolg van zijn handelen daadwerkelijk zijn verkort’.41.
78. Tegen deze achtergrond mogen de overwegingen van Uw Raad in de arresten van 3 december 1974 en 12 mei 1992 wellicht zo worden begrepen dat in geval gelden die de schuldenaar na de faillietverklaring heeft verworven niet aan de curator zijn afgedragen, voor een bewezenverklaring van handelen ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers’ vereist is dat de bewijsvoering zicht biedt op de afwikkeling van het faillissement. Indien de kans dat rechten van boedelschuldeisers daardoor verkort werden aanmerkelijk was, en de verdachte die kans welbewust heeft aanvaard, behoort een bewezenverklaring dan toch tot de mogelijkheden.42.In het onderhavige geval biedt de bewijsvoering evenwel geen zicht op de afwikkeling van het faillissement. Daarom ga ik verder aan deze mogelijkheid voorbij.
79. In het nieuwe strafrechtelijk faillissementsrecht is het bestanddeel ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers’ vervangen door het subjectieve bestanddeel ‘wetende dat hierdoor een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld’. Deze formulering sluit volgens de memorie van toelichting nauwer aan ‘bij de standaardwijzen die in het wetboek worden gebruikt om het opzetverband aan te duiden’. Ook de nieuwe formulering omvat voorwaardelijk opzet. De memorie van toelichting merkt op dat anders dan in de huidige strafbepalingen door de nieuwe formulering wordt geëist ‘dat een of meer schuldeisers in het faillissement daadwerkelijk zijn benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden’.43.
80. De bewezenverklaring houdt in verband met de eerste beide door de stellers van het middel genoemde verkregen leningen in dat de verdachte terwijl hij wist dat een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld, tijdens het faillissement de uit die lening ontvangen bedragen aan de boedel heeft onttrokken. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte op 10 juli 2012 in staat van faillissement is verklaard (bewijsmiddel 13). Uit een tot het bewijs gebezigd ‘proces-verbaal bedrieglijke bankbreuk’, par. 10.6.1, blijkt dat bij een doorzoeking die op 8 juni 2017 heeft plaatsgevonden een leenovereenkomst d.d. 23 februari 2017 tussen [betrokkene 2] en de verdachte is aangetroffen, waarin verdachte een bedrag van € 175.000,- leent tegen een rente van € 35.000,- per vier weken (bewijsmiddel 25). Daarvan is € 75.000,- gestort op een rekening van [A] (bewijsmiddel 25, par. 10.6.1). Uit ditzelfde proces-verbaal, par. 10.6.2, blijkt dat verdachte blijkens een leenovereenkomst d.d. 24 maart 2017 € 150.000,- heeft geleend van B.V. [B] , tegen 10% rente op jaarbasis. Daarvan is € 100.000,- overgemaakt naar de Luxemburgse bankrekening ten name van verdachte, en € 50.000,- contant aan de verdachte gegeven.
81. Uit de bewijsvoering kan, meen ik, niet worden afgeleid dat de boedel ten gevolge van deze verbintenissen is gebaat. Dat brengt mee dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de verdachte door uit deze leningen geld te ontvangen (en niet af te dragen) heeft gehandeld terwijl hij wist dat hierdoor één of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld. Ik merk daarbij op dat de € 75.000,- die in verband met de lening van [betrokkene 2] is binnengekomen op de rekening van [A] naar het mij voorkomt geen actief van de boedel is (vgl. de bespreking van het tweede middel). De bewezenverklaring voor zover inhoudend dat de verdachte handelde terwijl hij wist dat één of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld is in zoverre ook om die reden ontoereikend gemotiveerd.
82. De bewezenverklaring houdt in verband met de derde door de stellers van het middel genoemde lening in dat de verdachte ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers lasten heeft verdicht en/of baten niet heeft verantwoord. Onder de bewijsmiddelen is een schriftelijk bescheid opgenomen, inhoudende een leenovereenkomst, gedateerd 27 augustus 2013, tussen [C] B.V. enerzijds en [I] B.V., [medeverdachte ] en [betrokkene 4] anderzijds (bewijsmiddel 30). Deze leenovereenkomst houdt in dat € 1.000.000,- ter leen is verstrekt, waarvan op 15 augustus 2013 € 250.000,- is gestort, en op 28 augustus 2013 € 750.000,-.
83. De bewezenverklaring is niet nader toegelicht voor zover zij het verdichten van lasten zou betreffen. Dat de lening een last van de boedel van de verdachte zou zijn die is verdicht, kan zonder nadere toelichting niet uit de bewijsvoering worden afgeleid. De leenovereenkomst is onder de bewijsmiddelen opgenomen en uit de bewijsoverwegingen kan worden afgeleid dat het hof ervan is uitgegaan dat de lening daadwerkelijk is verstrekt. Uit die bewijsoverwegingen volgt dat het hof het oog heeft op het niet verantwoorden van baten; de bewezenverklaring ziet ook op de € 1.000.000,- die is verkregen door de lening. Uit de bewijsvoering kan – meen ik – evenwel niet worden afgeleid dat de verdachte door het op grond van deze lening verkregen bedrag voor de curator te verzwijgen de rechten van de schuldeisers heeft verkort. Uit die bewijsvoering volgt niet dat de boedel ten gevolge van deze verbintenis is gebaat.
84. Een en ander brengt mee dat het middel slaagt.
Bespreking van het vierde middel
85. Ook het vierde middel bevat een klacht over de bewijsvoering van feit 3. Deze klacht betreft specifiek de (gedeeltelijke) aflossing van de lening aan [betrokkene 4] ; dat de verdachte door de aflossing van die lening ter gelegenheid van zijn faillissement één of meer schuldeisers op enige wijze wederrechtelijk heeft bevoordeeld en heeft gehandeld ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers zou onbegrijpelijk dan wel ontoereikend zijn gemotiveerd.
86. De tenlastelegging inzake deze aflossing is toegesneden op art. 341, aanhef, onder a, sub 3o, (oud) Sr. Dat hield in dat als schuldig aan bedrieglijke bankbreuk werd gestraft, hij ‘die in staat van faillissement is verklaard, indien hij ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers: (…) 3o. ter gelegenheid van zijn faillissement of op een tijdstip waarop hij wist dat zijn faillissement niet kon worden voorkomen, een van zijn schuldeisers op enige wijze bevoordeeld heeft of bevoordeelt’.
87. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder meer bewezenverklaard dat hij ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers ter gelegenheid van zijn faillissement één of meer van zijn schuldeisers op enige wijze wederrechtelijk heeft bevoordeeld, door zijn lening aan [betrokkene 4] gedeeltelijk af te lossen door aan die [betrokkene 4] € 195.000,- terug te betalen in de periode van 29 augustus 2013 tot en met 13 september 2013. De bewijsmiddelen bevatten inzake deze terugbetaling onder meer een passage uit een verklaring van de verdachte, inhoudend: ‘ [betrokkene 4] moest zijn € 195.000,- hebben. Dat was geen persoonlijke lening van hem aan mij, maar een vergoeding voor zijn borgstelling voor de lening van € 1 miljoen’ (bewijsmiddel 20). Inzake die lening van € 1 miljoen houdt het tot het bewijs gebezigde ‘proces-verbaal bedrieglijke bankbreuk’ onder meer in: ‘Op 16 augustus 2013 heeft [C] BV een lening ter grootte van 1 miljoen euro afgesloten met [I] BV, [medeverdachte ] en [betrokkene 4] tegen een rente van 10% per jaar. [betrokkene 4] , oud-accountant van [verdachte] , heeft ten behoeve van de lening een aantal panden als borg verpand aan [C] BV’ (bewijsmiddel 25, par. 10.3.2; zie ook bewijsmiddel 30). Hetzelfde proces-verbaal houdt in dat van deze lening uiteindelijk € 990.000,- naar de bankrekening van [D] B.V. werd overgemaakt, en dat van dat bedrag ‘op vijf verschillende data in totaal 195.000 euro (is) over gemaakt naar een bankrekening op naam van [betrokkene 4] met als bijschrift “aflossing lening” en “aflossing”’ (par. 10.4.1). Deze ‘aflossingen’ zijn gedateerd op 29 en 30 augustus en op 2, 10 en 13 september 2013. Over een lening van [betrokkene 4] aan de verdachte bevatten de bewijsmiddelen geen nadere informatie, wel volgt daaruit dat [betrokkene 4] zekerheid heeft gesteld voor de lening van [C] BV (bewijsmiddel 25, par. 10.3.2) en in verband daarmee het geld heeft gekregen (bewijsmiddel 28).
88. De stellers van het middel voeren in de eerste plaats aan dat [betrokkene 4] ten onrechte is aangemerkt als ‘schuldeiser’ in de zin van art. 341 (oud) Sr; nu een lening die de failliet aangaat na de datum van zijn faillissement niet op de boedel kan worden verhaald tenzij de boedel daardoor is gebaat, kwalificeert de schuldeiser van een dergelijke lening niet als ‘schuldeiser’ in de zin van art. 341 Sr. Net als de lening van [C] B.V. zou ook de met deze lening samenvallende vordering van [betrokkene 4] buiten de boedel vallen. De stellers van het middel voeren voorts aan dat, nu de lening van [C] B.V. en de vordering van [betrokkene 4] buiten de boedel vallen, niet (zonder meer) valt in te zien hoe het deels aanwenden van deze hoofdsom ter voldoening van de vordering van [betrokkene 4] de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers van de verdachte heeft doen ontstaan.
89. In het Wetboek van Strafrecht zoals dat in 1886 in werking trad, was in art. 341 Sr strafbaar gesteld de koopman die in staat van faillissement is verklaard indien hij ter bedrieglijke verkorting van de rechten zijner schuldeisers ter gelegenheid van zijn faillissement of op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen, ‘een zijner schuldeischers op eenige wijze bevoordeeld heeft of bevoordeelt’.44.Aanvankelijk was voorgesteld strafbaar te stellen het ‘in het vooruitzigt of ter gelegenheid van’ het faillissement bevoordelen van een schuldeiser. De Raad van State bracht naar voren dat onduidelijk was of ook ‘betaling van eene vervallene schuld’ daaronder viel. De minister meende dat twijfel onmogelijk was als in het oog werd gehouden dat het bevoordelen ‘ter bedrieglijke verkorting van de regten zijner schuldeischers’ moest hebben plaatsgehad. De Tweede Kamer dacht daar anders over: ‘Immers men zou ook kunnen beweren, dat de volledige uitbetaling aan een crediteur bij onvoldoend vermogen om ook de anderen te voldoen, verkorting meebrengt van de regten dier crediteuren’. In nader overleg is de redactie daarop ‘verduidelijkt’.
90. Deze discussie illustreert dat de wetgever bij deze strafbaarstelling vooral oog had voor de bevoordeling van een schuldeiser boven andere schuldeisers die in het faillissement ‘rechten’ hadden. Tegelijk volgt daaruit niet dwingend dat de schuldeiser die bevoordeeld is, een vordering dient te hebben die voor de faillietverklaring is ontstaan. Dat volgt ook niet uit de redactie van art. 341 (oud) Sr.
91. Bij de bespreking van het vorige middel bleek dat Uw Raad de vraag of het door de gefailleerde aan de boedel onttrekken van een na de faillietverklaring geleend geldbedrag strafbaar is als faillissementsdelict, beoordeelt in het kader van de bewijsvoering van het subjectieve bestanddeel. Daar bleek ook dat er uitzonderingen zijn op de regel dat een schuld die na de faillietverklaring is ontstaan geen faillissementsschuld is. En dat boedelschulden, die door of na het faillissement ontstaan, verschillende oorzaken kunnen hebben. Mede tegen deze achtergrond ligt het niet voor de hand om door een restrictieve interpretatie van het begrip ‘schuldeiser’ onderscheid te maken tussen bevoordelen dat wel of niet een faillissementsdelict oplevert. Ik merk daarbij nog op dat ook een faillissementsschuldeiser er niet van verzekerd is dat zijn vordering deels voldaan wordt. En dat een restrictieve interpretatie van het begrip ‘schuldeiser’ niet afdoet aan de reikwijdte van de strafbaarstelling van het onttrekken van een goed aan de boedel. Schuldeiser in de zin van art. 341 (oud) Sr is – meen ik – elk rechtssubject dat gerechtigd is tot een prestatie waartoe de gefailleerde verplicht is.45.
92. Dat brengt mee dat de eerste deelklacht faalt.
93. Dat daadwerkelijk sprake was van een lening van [betrokkene 4] aan de verdachte kan niet zonder meer uit de bewijsvoering worden afgeleid. De voor het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte houdt – zo bleek - in: ‘ [betrokkene 4] moest zijn € 195.000,- hebben. Dat was geen persoonlijke lening van hem aan mij, maar een vergoeding voor zijn borgstelling voor de lening van € 1 miljoen’ (bewijsmiddel 20). Zie ik het goed, dan bestrijden de stellers van het middel evenwel niet dat van een vordering sprake was en dat het hof [betrokkene 4] (op die grondslag) als schuldeiser heeft kunnen aanmerken.
94. Waar het de stellers van het middel om gaat, is of de bewijsvoering van het handelen ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers’ toereikend is, nu ‘de lening van [C] BV en de vordering van [betrokkene 4] buiten de boedel vallen’. Aldus wordt een koppeling gelegd tussen de vordering van [C] BV en de vordering van [betrokkene 4] . De enkele omstandigheid dat de betalingen aan [betrokkene 4] verband hielden met (zijn zekerheidstelling in verband met) de verstrekking van de lening door [C] B.V. doet er, meen ik, evenwel niet aan af dat het om afzonderlijk te beoordelen gedragingen gaat. Door de faillietverklaring verliest de schuldenaar van rechtswege de beschikking en het beheer over zijn tot het faillissement behorend vermogen; daartoe behoort ook ‘hetgeen hij gedurende het faillissement verwerft’ (artikelen 20 en 23 Fw). Door van dat vermogen € 195.000,- aan [betrokkene 4] over te maken heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat rechten van (andere) schuldeisers werden verkort.
95. Het middel faalt.
Bespreking van het vijfde middel
96. Het vijfde middel bevat de laatste klacht over de bewijsvoering van feit 3. Deze klacht betreft specifiek het bedrag van € 481.000,- aan contante stortingen op de bankrekening van [D] B.V (in de periode van 10 juli 2012 tot en met 11 juni 2014). De bewezenverklaring voor zover inhoudend dat de verdachte daardoor baten niet heeft verantwoord en heeft gehandeld ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers zou onbegrijpelijk dan wel ontoereikend zijn gemotiveerd. De stellers van het middel voeren aan dat het hof kennelijk heeft aangenomen dat deze stortingen oude vorderingen betroffen van [G] BV, één van de ondernemingen waar de verdachte aan verbonden was voorafgaand aan het uitspreken van zijn persoonlijke faillissement. Daarom zou het oordeel van het hof dat het hier ging om ‘baten’ die in het persoonlijke faillissement van de verdachte vielen (zonder nadere motivering) niet begrijpelijk zijn. In het verlengde daarvan zou niet gezegd kunnen worden dat de verdachte door deze contante stortingen voor de curator te verzwijgen ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers’ heeft gehandeld.
97. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder meer bewezenverklaard dat hij, terwijl hij op 10 juli 2012 in staat van faillissement was verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers lasten heeft verdicht en/of baten niet heeft verantwoord, te weten € 481.000,- aan contante stortingen op de bankrekening van [D] B.V., in de periode van 10 juli 2012 tot en met 11 juni 2014. Onder de bewijsmiddelen is de verklaring opgenomen die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd, voor zover inhoudend: ‘ [D] B.V. ( [D] ) is een lege rechtspersoon. U houdt mij voor dat in 2011 op naam van [D] een bankrekening is geopend bij ING Bank. Dat was voorafgaand aan het faillissement. U, voorzitter, houdt mij voor dat na het faillissement op die rekening een bedrag van € 481.000 is gestort. Ik heb dat niet gemeld bij de curator. Het betrof oude vorderingen van [G] uit 2007 en 2008. De bankrekening van [D] was de enige die ik tot mijn beschikking had. Ik had het geld contant ontvangen, op de rekening gestort en er vervolgens leveranciers mee betaald’ (bewijsmiddel 20). Het ‘proces-verbaal bedrieglijke bankbreuk’ houdt inzake deze stortingen het volgende in: ‘Op naam van [D] BV is in augustus 2011 [rekeningnummer] geopend welke door de ING op 11 juni 2014 werd opgeheven. Na het faillissement van [verdachte] d.d. 10 juli 2012 werd de bankrekening van [D] BV voor ruim 1,8 miljoen euro gevoed, voornamelijk door contante stortingen (481.000 euro)’ (bewijsmiddel 25, par. 10.4).
98. De enkele omstandigheid dat de verdachte in zijn tot het bewijs gebezigde verklaring heeft verklaard dat de betalingen op de bankrekening van [D] B.V. hun grondslag vonden in oude vorderingen van [G] B.V. doet er – meen ik – niet aan af dat de stortingen van € 481.000 op de bankrekening van [D] B.V. tot het vermogen van de verdachte gerekend kunnen worden, indien er – op grond van de feiten en omstandigheden die het hof in aanmerking heeft genomen en die bij de bespreking van het tweede middel aan de orde zijn geweest – vanuit wordt gegaan dat de bankrekening van [D] B.V. als een bankrekening van de verdachte kan worden aangemerkt.
99. Het middel faalt.
Bespreking van het zesde middel
100. Het zesde middel bevat een klacht over de motivering van de onttrekking aan het verkeer van een geldtelmachine. Aangevoerd wordt dat het oordeel van het hof dat feit 1 is begaan met betrekking tot de aan het verkeer onttrokken geldtelmachine en dat de geldtelmachine van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang onbegrijpelijk althans ontoereikend is gemotiveerd.
101. Het hof heeft in het kader van de strafmotivering onder het kopje ‘Beslag’ onder meer het volgende overwogen:
‘Het onder 1 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot de onder verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten 49 valse biljetten van € 500 en een geldtelmachine. Zij zullen aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.’
102. Ingevolge art. 36c Sr zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer alle voorwerpen met betrekking tot welke het feit is begaan. Het onder 1 bewezenverklaarde feit (het opzettelijk 49 bankbiljetten van 500 euro waarvan de valsheid de verdachte toen hij die bankbiljetten ontving bekend was, met het oogmerk om die bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven in voorraad hebben), is niet met betrekking tot de geldtelmachine begaan. En met de stellers van het middel meen ik dat het ongecontroleerd bezit van een geldtelmachine niet in strijd is met de wet of met het algemeen belang.46.Dat kan anders liggen als deze voorwerpen onderdeel uitmaken van een gezamenlijkheid van voorwerpen waarvan het ongecontroleerd bezit in strijd is met het algemeen belang, maar dat is door het hof niet vastgesteld.47.
103. Het middel slaagt.
Bespreking van het zevende middel
104. Het zevende middel bevat een klacht over schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn in de cassatiefase.
105. Het cassatieberoep is ingesteld op 2 juni 2023. De stukken van het geding zijn op 29 mei 2024 op de griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat betekent dat de termijn van acht maanden met bijna vier maanden is overschreden. In geval Uw Raad de zaak terugwijst kan het met de berechting gemoeide tijdsverloop bij het hof aan de orde worden gesteld.
106. Het middel slaagt.
Afronding
107. Het eerste, tweede, vierde en vijfde middel falen; het eerste en vijfde middel kunnen met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering worden afgedaan. Het derde, zesde en zevende middel slagen. Ambtshalve wijs ik erop dat het cassatieberoep op 2 juni 2023 is ingesteld. Ingeval Uw Raad de zaak terugwijst, kan het met de berechting gemoeide tijdsverloop bij het hof aan de orde worden gesteld. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding zouden kunnen geven.
108. De steller van het middel heeft het beroep in cassatie partieel ingetrokken en daarbij de door het hof gegeven vrijspraken ter zake van feit 3 van het cassatieberoep uitgezonderd. Deze vrijspraken betreffen het tijdens het faillissement aan de boedel onttrekken van ‘(de waarde/opbrengst van) 72 aandelen in [F] B.V. verkregen op 8 maart 2017’ en het lasten verdichten en/of baten niet verantwoorden, ‘te weten: - 170.000 euro door een lening van [betrokkene 3] d.d. 23 september 2013’. Naar het mij voorkomt kunnen deze beperkingen in cassatie worden gerespecteerd; het gaat om onderdelen van de tenlastelegging waarin een zelfstandig strafrechtelijk verwijt is omschreven.48.Tegelijk kan de verwijzingsopdracht bij feit 3 – meen ik − worden beperkt tot de onderdelen waarvan de bewezenverklaring niet in stand kan blijven.
109. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen inzake het onder 3 ten laste gelegde feit, voor zover deze betreffen de passage ‘- 175.000 euro ontvangen (uit de lening van [betrokkene 2] ) d.d. 23 maart 2017;- 100.000,- euro verkregen op een Luxemburgse rekening (van verdachte) en 50.000,- euro door verdachte contant ontvangen (vanuit de lening van BV [B] (d.d. 24 maart 2017);’ en de passage ‘- 1.000.000,- euro door een lening van [C] BV d.d. 27 augustus 2013);’ alsmede de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 22‑04‑2025
HR 11 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0291, NJ 2011/116 m.nt. Mevis.
HR 11 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0291, NJ 2011/116 m.nt. Mevis.
HR 16 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:45, NJ 2018/65.
H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, tweede druk, herzien door J.W. Smidt, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1891, p. 233-235.
Voluit: Richtlijn 2014/62/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de strafrechtelijke bescherming van de euro en andere munten tegen valsemunterij en ter vervanging van Kaderbesluit 2000/383/JB van de Raad, PB L 151 van 21.5.2014.
Kaderbesluit 2000/383/JBZ kende vergelijkbare verplichtingen tot strafbaarstelling (zie de artikelen 3 en 5). De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat dit kaderbesluit implementeerde, gaf aan dat de term ‘bedrieglijk’ ‘in de Nederlandse strafwet tot uitdrukking is gebracht met het in de bepalingen van titel X opgenomen oogmerk’ (Kamerstukken II 2000/01, 27 494, nr. 3, p. 3). In artikel 209 Sr geeft het oogmerk, zo begrijp ik, uitdrukking aan de begrippen ‘teneinde’ en ‘bestemd’. In de nota naar aanleiding van het verslag wordt aan het oogmerk-vereiste vastgehouden (Kamerstukken II 2000/01, 27 494, nr. 5, p. 6) en aangegeven dat daarmee ‘geen ruimte wordt geboden voor voorwaardelijk opzet’.
HR 31 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU3446, NJ 2006/365 m.nt. Reijntjes.
Zie de conclusie van A-G Vellinga voor HR 3 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9861 (randnummers 19 en 22) alsmede de conclusie van A-G Spronken voor HR 7 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1500 (randnummer 4.5.2).
HR 7 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1500.
[medeverdachte ] vorderde in die zaak de afgifte door de curator van ‘onder meer een verzameling barbiepoppen, een verzameling munten en een aantal sieraden’; de curator vorderde in reconventie dat de rechtbank [medeverdachte ] zou veroordelen aan de curator een bedrag van € 75.000,00 te betalen. Voor de beslissingen in de strafzaak zijn deze vonnissen – meen ik – niet rechtstreeks van belang; dat wordt in cassatie ook niet aangevoerd. Het strafprocesrecht kent niet een regel die bepaalt dat een vonnis van de civiele rechter onder nadere voorwaarden dwingend bewijs van een nader omschreven feit oplevert (vgl. art. 161 Rv). Het beginsel van formele rechtskracht ziet op de verhouding tussen het bestuursrecht enerzijds en civiel recht en strafrecht anderzijds (vgl. de conclusie van plv. A-G Van Wees voor HR 12 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1621, NJ 2025/40 m.nt. Reijntjes). In het licht van een en ander heb ik dit verder laten rusten.
Daarvoor laatstelijk gewijzigd door de Wet van 8 september 2005, Stb. 2005, 455.
Wet van 8 april 2016, Stb. 2016, 154.
L. Timmerman, ‘Vereenzelviging als strijdmiddel in vennootschapsrechtelijke aansprakelijkheidsprocedures’, Ondernemingsrecht 2001, p. 294-295.
HR 13 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7480, NJ 2000/698 m.nt. Maeijer (Rainbow-arrest).
HR 9 juni 1995, NJ 1996/213 (Krijger/Citco).
Timmerman wijst in dat verband ook op de bespreking in M.L. Lennarts, Concernaansprakelijkheid, Deventer: Kluwer 1999, p. 237 e.v. van HR 19 september 1997, NJ 1997, 255 en 256, m.nt. Maeijer (Gaswacht I en II).
HR 7 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2285, NJ 2017/124 m.nt. Van Schilfgaarde (Maple Leaf). Zie voorts nog HR 27 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG6445, NJ 2009/318 m.nt. Van Schilfgaarde (Aerts e.a./Stichting Waaldijk), waarin de civiele kamer overwoog dat van misbruik van het identiteitsverschil tussen (rechts)personen sprake kan zijn ‘indien iemand een goed waarvan hij alle voordelen geniet met gebruikmaking van dat identiteitsverschil buiten zijn vermogen brengt of houdt zonder daarmee een zelfstandig belang van de betrokken rechtspersoon of – personen te dienen, maar enkel met het oogmerk dat goed aan verhaal van zijn crediteuren te onttrekken’ (rov. 3.3.2.). Annotator Van Schilfgaarde vermeldt dat de vordering van de curator primair was gebaseerd op vereenzelviging, maar dat deze vordering was afgewezen en in hoger beroep en cassatie niet meer aan de orde is gekomen.
Conclusie voor HR 27 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1315, randnummer 3.7.5-3.7.7.
H.L.J. Roelvink, Boekbespreking R.C. van Dongen , ‘Identificatie in het rechtspersonenrecht’, WPNR 1996, p. 112.
Timmerman, a.w, p. 299-300.
Zie over vereenzelviging voorts L. Timmerman, ‘Onderstromen in het privaatrechtelijke rechtspersonenrecht’, in: NJV-Preadviezen, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 2000, p. 154 e.v., waarin hij spreekt over een afweging van ‘het respect voor de rechtspersoonlijkheid en het doel van de in het concrete geval aan de orde zijnde norm’. Zie ook het eerdere preadvies van H.L.J. Roelvink, ‘Door rechtspersonen heen kijken’, in: NJV-preadviezen, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1977, p. 138 e.v., die als ‘waarschijnlijk zelden voorkomende vorm van benadeling’ signaleert ‘het door de enige aandeelhouder aan verhaal door zijn privé crediteuren onttrekken van vermogensbestanddelen door deze over te hevelen naar ‘zijn’ vennootschap’ (p. 147). Zie voorts J. Elbers, Misbruik van het identiteitsverschil en crediteursbenadeling: een onderzoek naar vereenzelviging en klassieke vormen van redres, Zutphen: Uitgeverij Paris 2014, p. 585, die in de context van het ‘wegdenken van het identiteitsverschil als middel tegen crediteursbenadeling die gepaard gaat met misbruik van het identiteitsverschil binnen faillissement’ onderscheid maakt tussen het toerekenen van goederen en verplichtingen van een rechtssubject aan een ander rechtssubject en meent dat de curator ‘exclusief bevoegd (is) in rechte een beroep op vereenzelviging voor de toerekening van goederen te doen’.
M.L.H. Reumers, De insolvente naamloze en besloten vennootschap (Recht & Praktijk, nr. InsR15), Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 262 e.v.
HR 25 september 1987, NJ 1988/136 (Van Kempen en Begeer/Zifa en DCW), m.nt. Van der Grinten. .
Zie in dit verband ook M.L.H. Reumers, Samengevoegde afwikkeling van faillissementen, Deventer: Kluwer 2007, p. 425-430.
A.w., p. 265-266.
HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2021, onder verwijzing naar HR 5 november 1996, NJ 1997/138. Vgl. in dit verband ook HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2017.
Uit de bewijsmiddelen 16 en 22 t/m 25 lijkt iets anders te volgen.
Ik ga er hier aan voorbij of de leenovereenkomst daarvoor een toereikende grondslag is. Zie in dat verband de bespreking van de klacht van het derde middel inzake dit onderdeel van de bewezenverklaring.
R.D. Vriesendorp, Insolventierecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 9.
Vriesendorp, a.w., p. 306.
HR 3 december 1974, NJ 1975/229 m.nt Wachter. Zie daarover ook C.M. Hilverda, Faillissementsfraude. Een studie naar de strafrechtelijke handhaving van faillissementsrechtelijke normen, Deventer: Kluwer 2009, onder meer p. 263.
HR 12 mei 1992, NJ 1992/630.
Vriesendorp, a.w., p. 305-309.
HR 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6108, NJ 2013/291, m.nt. Verstijlen, (Koot Beheer/Tideman), rov. 3.7.1.
Vriesendorp, a.w., p. 321.
Vriesendorp, a.w., p. 324-325.
HR 9 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BI4691, NJ 2010/104.
Kamerstukken II 2013/14, 33 944, nr. 3, p. 7 en 14.
H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, tweede druk, herzien en aangevuld door J.W. Smidt, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1891, deel III, p. 9-12.
Vriesendorp, a.w., p. 4.
Vgl. bijvoorbeeld HR 3 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1308; HR 6 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1815, NJ 2023/10; HR 8 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1586, NJ 2022/364.
Vgl. (de conclusie voorafgaand aan) HR 14 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:63.
HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1610, NJ 2018/59 m.nt. Mevis.
Beroepschrift 18‑08‑2024
Hoge Raad der Nederlanden
SCHRIFTUUR HOUDENDE
MIDDELEN VAN CASSATIE EX
ARTIKEL 437 WETBOEK VAN
STRAFVORDERING
Inzake: [verdachte]
Geeft eerbiedig te kennen:
[verdachte], geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats], hierna te noemen ‘verzoeker’, te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van de heer Th.O.M. Dieben (LL.B., LL.M.) aan het Amstelplein 40 te (1096 BC) Amsterdam, die tezamen met mevrouw mr. G.A. Jansen — de Wolf in deze zaak als zijn raadsman optreedt.
Verzoeker heeft de eer van een hem betreffend arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, (parketnummer 21/003613-19), uitgesproken op 24 mei 2023, de volgende middelen van cassatie voor te dragen:
Middel I:
Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, dan wel verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen.
In het bijzonder zijn geschonden artikel 209 Sr en de artikelen 301, 359 en 415 Sv.
Immers is de bewezenverklaring van feit 1 voor zover inhoudende dat — kort gezegd — verzoeker de in de bewezenverklaring genoemde valse bankbiljetten in voorraad heeft gehad‘met het oogmerk om die bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven’onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd.
De bewezenverklaring is daarmee niet naar de eis der wet met voldoende redenen omkleed als gevolg waarvan het bestreden arrest aan nietigheid lijdt.
Toelichting:
1.
Feit 1 ziet op het voorhanden hebben van — kort gezegd — 49 valse biljetten van EUR 500 die in de woning van verzoeker in een enveloppe onder zijn bed waren aangetroffen. Het Hof heeft bewezenverklaard dat verzoeker deze biljetten in voorraad heeft gehad met het door art. 209 Sr vereiste oogmerk om ze ‘als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven’. Daartoe heeft het Hof — samengevat — de volgende feiten en omstandigheden redengevend geacht:
- a.
De biljetten zijn aangetroffen onder het matras van verzoeker. Het is een feit van algemene bekendheid dat mensen vaak geld of waardevolle goederen onder hun matras plegen te verstoppen. In ieder geval voor verzoeker vertegenwoordigden de valse bankbiljetten dus waarde nu hij ze verstopte en bewaarde.
- b.
Zowel deze verstopplek als het aantal en soort valse bankbiljetten maken duidelijk dat verzoeker geen ander doel heeft gehad dan ze op enig moment uit te geven;
- c.
Een ander gebruik van deze valse bankbiljetten laat zich zonder geloofwaardige verklaring — die niet is gegeven — niet voorstellen;
- d.
Ook het omruilen van valse bankbiljetten in echte en onvervalste bankbiljetten is aan te merken als het ‘uitgeven’ daarvan. Uit de verklaring van verzoeker ter zitting blijkt dat hij de valse bankbiljetten wilde omruilen. Ook daaruit blijkt dus zijn oogmerk om deze uit te geven;
- e.
Anders dan aangevoerd door de verdediging was volgens het Hof geen sprake van evident valse bankbiljetten (zoals Monopoly geld).
2.
Voorts heeft het Hof de door verzoeker ter zitting in hoger beroep gegeven verklaring (volgens het Hof inhoudende dat hij de biljetten van een Bulgaarse relatie had gekregen, dat hij pas thuis er achter kwam dat het geld vals was en dat hij het geld niet in voorraad heeft gehouden om er zelf mee te betalen maar om weer om te ruilen als hij de Bulgaarse relatie weer tegen zou komen) als ongeloofwaardig terzijde gesteld.
3.
Uit het voorgaande volgt dat het Hof, enerzijds, de verklaring van verzoeker over het weer willen omruilen van de biljetten bij de Bulgaarse relatie redengevend heeft geacht voor de bewezenverklaring van het oogmerk van verzoeker, terwijl het, anderzijds, diezelfde verklaring van verzoeker over de Bulgaarse relatie als ongeloofwaardig terzijde heeft gesteld. De bewijsvoering is daarmee innerlijk tegenstrijdig. Daarbij komt dat in de tot het bewijs gebezigde verklaring van verzoeker (bewijsmiddel 3) helemaal geen gewag wordt gemaakt van de — kennelijk door het Hof redengevend geachte — wens van verzoeker om de biljetten weer om te ruilen.1. De bewezenverklaring van het oogmerk van verzoeker is reeds om deze redenen onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd.
4.
Dat wordt niet anders indien dit deel van de bewijsvoering buiten beschouwing wordt gelaten. Hetgeen resteert, kan de bewezenverklaring van het vereiste oogmerk immers ook niet dragen. Daartoe het volgende.
5.
Het in artikel 209 Sr vereiste oogmerk betreft de zwaarste vorm van opzet en sluit voorwaardelijk opzet uit.2. Uit de wetsgeschiedenis valt af te leiden dat het oogmerk een essentieel onderdeel is van de strafbaarstelling, omdat het pas redelijk werd gevonden iemand strafrechtelijk aansprakelijk te achten voor het in voorraad hebben van vals geld wanneer hij de bedoeling heeft dit geld in omloop te brengen.3.
6.
In een recente conclusie heeft AG Spronken een nuttig overzicht gegeven van de jurisprudentie van uw Raad over het door art. 209 Sr vereiste oogmerk.4.
7.
Uit dit jurisprudentieoverzicht blijkt allereerst dat uw Raad van belang acht of de valse bankbiljetten bij iemand thuis worden aangetroffen of dat de verdachte deze buiten bij zich heeft (al dan niet onderweg ergens naar toe).5. In dat eerste geval (thuis) ligt de lat voor de motivering van het oogmerk aanzienlijk hoger. In casu zijn de bankbiljetten bij verzoeker thuis aangetroffen. Het Hof heeft dit onderkend maar overwogen dat het een feit van algemene bekendheid is dat mensen waardevolle zaken plegen te bewaren onder hun bed. Gelet op de eisen die uw Raad aan feiten van algemene bekendheid stelt6. kan een en ander bezwaarlijk als zodanig worden bestempeld. Op z'n hoogst is een feit van algemene bekendheid dat mensen van alles en nog wat onder hun bed plegen te bewaren. Dit kunnen waardevolle voorwerpen zijn maar net zo goed (en waarschijnlijk veel vaker) gaat het om ongebruikte onbelangrijke voorwerpen waarvan men zich jaren later afvraagt waar het ook alweer was opgeborgen (om vervolgens het halve huis ondersteboven te moeten keren om ze te vinden). In strijd met art. 301 Sv heeft het Hof dit beweerdelijke ‘feit van algemene bekendheid’ bovendien niet voorafgaand ter zitting aan de orde gesteld.7. Maar zelfs aangenomen dat wel sprake is van een feit van algemene bekendheid, zegt het enkele feit dat verzoeker de biljetten kennelijk waardevol genoeg achtte om ze onder zijn bed te bewaren niets over de wens deze uit te geven. Het zegt op z'n hoogst dat verzoeker niet wilde dat anderen de biljetten in handen zouden krijgen. Zo dit op zichzelf niet reeds een contra-indicatie voor uitgifte is, is de wens biljetten niet kwijt te raken in ieder geval heel wat anders dan een wens deze uit te geven.
8.
Ten tweede blijkt uit het jurisprudentieoverzicht dat uw Raad de overweging dat ‘een ander gebruik van valse bankbiljetten dan deze uit te geven zich niet laat voorstellen’ niet bepaald relevant acht. Illustratief in dit verband is het arrest van 16 januari 2018 (ECLI:NL:HR:2018:45). Het Hof had bij het oordeel over het oogmerk in die zaak een overweging langs voormelde lijnen vooropgesteld. Uw Raad liet het oordeel dat voldaan was aan het oogmerkvereiste in stand maar daarbij speelde de ‘ander gebruik’-overweging geen enkele rol.8. Ook in de zaak van verzoeker legt de ‘ander gebruik’-overweging van het Hof dus geen gewicht in de schaal. Dit wordt niet anders door de eveneens door het Hof genoemde hoeveelheid (49) en aard (EUR 500) van de valse biljetten die verzoeker onder zijn bed had liggen. Ook in het arrest van 16 januari 2018 ging het om meerdere (25) valse biljetten van EUR 500.
9.
Het voorgaande wordt — ten derde — ook niet anders door de omstandigheid dat verzoeker geen plausibele verklaring zou hebben gegeven. Weliswaar achtte uw Raad het ontbreken van een verklaring van belang in het arrest van 16 januari 2018, maar het ging uw Raad daarbij om het feit dat de verdachte de valse biljetten mee had genomen in de auto ‘en geen verklaring heeft gegeven waarom hij het valse geld bij zich had’ (onze onderlijning, TD/GJ). Hiervoor is al aangegeven dat verzoeker niet ‘onderweg’ was met de valse biljetten. De door het Hof meegewogen omstandigheid dat geen plausibele verklaring zou zijn gegeven is daarmee niet relevant. Dat is ook logisch. Juist het bij zich hebben van vals geld impliceert, in beginsel, de wens dit uit te geven. Dat, wil het tegendeel worden aangenomen, een verklaring op z'n plaats is, ligt dan voor de hand. Een dergelijk ‘vermoeden van uitgifte’ is bij het thuis bewaren van valse biljetten niet aan de orde.
10
.Ten vierde blijkt uit het jurisprudentieoverzicht dat van belang is of (er aanwijzingen zijn dat) eerder vervalste biljetten met ‘dezelfde oorsprong’ zijn uitgegeven of de verdachte dergelijke biljetten eerder bij zich heeft gehad9. dan wel dat er een link kan worden gelegd met een drugsdelict (waarvan bekend is dat vaak contanten worden gebruikt)10.. Hiervan is in casu geen sprake.
11.
Ten vijfde — en tot slot — blijkt uit het overzicht dat van belang is of voor eenieder in één oogopslag zichtbaar is dat de biljetten niet deugen en dit ook door de verdediging is aangevoerd. Dat is in casu het geval. Niet alleen is namens verzoeker een beroep gedaan op de evidente valsheid van de biljetten,11. ook uit de bewijsmiddelen blijkt dat de valsheid van de biljetten zonneklaar is.12. Het oordeel van het Hof dat geen sprake is van ‘evident valse bankbiljetten’ maakt dit niet anders omdat het Hof daarbij kennelijk als maatstaf heeft gehanteerd dat sprake is van ‘bijvoorbeeld Monopoly geld’. Daarmee heeft het Hof de lat echter (veel) te hoog gelegd.
12.
Gelet op het voorgaande is het oordeel van het Hof dat bij verzoeker het voor art. 209 Sr vereiste oogmerk aanwezig was, onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd.
Middel II:
Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, dan wel verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen.
In het bijzonder zijn geschonden de artikelen 341 en 341 (oud) Sr alsmede de artikelen 359 en 415 Sv.
Het Hof heeft met betrekking tot feit 3 (faillissementsfraude) geoordeeld — kort gezegd — dat verzoeker misbruik heeft gemaakt van een aantal rechtspersonen (te weten: [D] B.V., [I] B.V. en [F] B.V. / [A] B.V.) waar hij (en dus niet zijn medeverdachte echtgenote, te weten mevrouw [medeverdachte]) feitelijk zeggenschap over had.
Het Hof heeft (kennelijk) aan die vaststelling het rechtsgevolg verbonden dat bij de beoordeling van de tenlastelegging en de bewijsmiddelen (handelen en vermogen van) verzoeker en (handelen en vermogen van) de misbruikte rechtspersonen op één lijn kunnen worden gesteld, tussen (het handelen en vermogen van) beide geen enkel onderscheid hoeft te worden gemaakt en het (civielrechtelijke) identiteitsverschil dat normaal gesproken bestaat tussen verzoeker en deze rechtspersonen volledig kan worden weggedacht.
Dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dit oordeel onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd.
De bewezenverklaring van feit 3 is daarmee niet naar de eis der wet met voldoende redenen omkleed als gevolg waarvan het bestreden arrest aan nietigheid lijdt.
Toelichting:
1.
Wat het verwijt van faillissementsfraude (feit 3) in deze zaak bijzonder maakt, is dat het faillissement waarin verzoeker gefraudeerd zou hebben een persoonlijk faillissement betreft maar vrijwel alle in feit 3 aan verzoeker verweten handelingen zijn verricht door aan hem (of zijn vrouw) gelieerde rechtspersonen. Ook in hoger beroep lag daarmee de vraag op tafel naar de verhouding tussen (het vermogen van) verzoeker enerzijds en (het vermogen van) deze rechtspersonen anderzijds.
2.
De advocaat-generaal heeft in dit verband ter zitting betoogd — kort gezegd — dat verzoeker de diverse in het dossier centraal staande rechtspersonen heeft ‘misbruikt’ en zodoende sprake is van ‘vereenzelviging’ zoals bedoeld in het ‘Rainbow arrest’ van uw Raad (ECLI:NL:HR:2000: AA 7480, NJ 2000/698).13. De verdediging heeft dit betwist en onder meer betoogd — samengevat — dat verzoeker en de diverse rechtspersonen juist niet met elkaar vereenzelvigd kunnen worden, dat sprake is van gescheiden vermogens en dat dit ook volgt uit een tweetal vonnissen van de Rechtbank Oost-Brabant in met het faillissement van verzoeker samenhangende civiele procedures.14.
3.
Het Hof heeft, in reactie op deze standpunten, geoordeeld dat civiele begrippen en conclusies in de strafzaak een rol kunnen spelen maar dit niet hoeft.15. Voorts heeft het Hof overwogen dat niet is gesteld (noch is gebleken) dat de civiele rechter die eerder heeft moeten oordelen de beschikking had over (of zicht had op) het hele strafdossier waarover het Hof in de strafzaak wel beschikte.16. Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat verzoeker misbruik heeft gemaakt van rechtspersonen waarna het Hof, ter onderbouwing, een reeks van — in de visie van Hof — relevante feiten en omstandigheden heeft opgesomd (waarover hierna meer).17.
4.
Het Hof heeft in het arrest niet expliciet tot uitdrukking gebracht welk rechtsgevolg het heeft verbonden aan het vastgestelde misbruik van rechtspersonen. Wel volgt uit de verdere bewijsvoering dat het Hof bij de beoordeling van de tenlastelegging en de bewijsmiddelen geen enkel onderscheid heeft gemaakt tussen, enerzijds, (handelen en vermogen van) verzoeker zelf en, anderzijds, (handelen en vermogen van) de door hem ‘misbruikte’ rechtspersonen (te weten: [D] B.V., [I] B.V. en [F] B.V. / [A] B.V.).18.
5.
Verzoeker houdt het er dan ook op dat het Hof — hoewel het Hof dit niet met zoveel woorden heeft overwogen19. — aan het vastgestelde misbruik van rechtspersonen het rechtsgevolg heeft verbonden dat (handelen en vermogen van) verzoeker en (handelen en vermogen van) de misbruikte rechtspersonen op één lijn kunnen worden gesteld, dat tussen (het handelen en vermogen van) beide geen enkel onderscheid hoeft te worden gemaakt en dat het (civielrechtelijke) identiteitsverschil dat normaal gesproken bestaat tussen verzoeker en deze rechtspersonen volledig kan worden weggedacht (hierna ook wel aangeduid als ‘vereenzelviging’).
6.
De vraag of het Hof terecht deze vereenzelviging heeft aangenomen, is van wezenlijk belang voor de bewijsbeslissing met betrekking tot feit 3. Immers, indien het Hof ten onrechte heeft aangenomen dat, bijvoorbeeld, de lening aan [I] B.V. c.s. door vereenzelviging feitelijk als een lening aan verzoeker persoonlijk moet worden beschouwd, kan reeds om die reden geen sprake zijn van faillissementsfraude wegens het verzwijgen van die lening door verzoeker voor zijn curator. Maar ook bijvoorbeeld betalingen die zijn gedaan door [I] B.V. aan een crediteur in het faillissement van verzoeker20. kunnen faillissementsrechtelijk door de beugel als het Hof ten onrechte vereenzelviging heeft aangenomen. [I] B.V kwalificeert ten opzichte van verzoeker dan immers als ‘derde’.21.
7.
Verzoeker stelt zich op het standpunt dat het kennelijke oordeel van het Hof dat aan het vastgestelde misbruik van rechtspersonen het rechtsgevolg van vereenzelviging moet worden verbonden, getoetst moet worden aan dezelfde maatstaf die uw Raad ook toepast in civiele zaken. Er is geen grond om in het strafrecht een andere maatstaf toe te passen.22. Dat geldt in casu te meer nu het bij feit 3 gaat om faillissementsfraude. Bij dit delict staat het vermogen van verzoeker in civielrechtelijke zin centraal en hetgeen is bepaald over handelingen ten aanzien van dit vermogen in de, eveneens civielrechtelijke, Faillissementswet (Fw).
8.
Indien het Hof een andere maatstaf zou hebben toegepast heeft het dan ook blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het Hof wel de juiste maatstaf heeft toegepast, is zijn (kennelijke) oordeel dat aan het vastgestelde misbruik van rechtspersonen het rechtsgevolg van vereenzelviging dient te worden verbonden onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd.
9.
Uw Raad heeft in het Rainbow-arrest geoordeeld23. dat misbruik van rechtspersonen in de regel tot gevolg heeft dat op grond van onrechtmatige daad een civielrechtelijke verplichting tot schadevergoeding ontstaat. Slechts als de omstandigheden ‘zo uitzonderlijk van aard zijn’, komt volgens uw Raad ‘vereenzelviging van de betrokken rechtspersonen — het volledig wegdenken van het identiteitsverschil’ als vorm van redres aan de orde.24. Dat uw Raad zeer terughoudend is als het gaat om het aannemen van vereenzelviging als ultiem rechtsgevolg van misbruik van rechtspersonen volgt niet alleen uit de gebruikte formulering (‘zo uitzonderlijk van aard’) maar ook uit de daaropvolgende overweging dat voor vereenzelviging zelfs onvoldoende is dat is gehandeld met geen ander oogmerk dan het benadelen van een crediteur. Ook in het Maple Leaf-arrest25. achtte uw Raad vereenzelviging als ultieme sanctie op misbruik van rechtspersonen te ver gaan. Dat de misbruikte rechtspersoon geen activiteiten ontwikkelde (en derden bij vereenzelviging dus niet geschaad zouden worden) achtte uw Raad onvoldoende evenals de omstandigheid dat de schuldeiser(s) geen enkel ander verhaalsobject hadden.26.
10.
De door het Hof in de zaak van verzoeker vastgestelde feiten en omstandigheden27. komen er in de kern bezien op neer dat verzoeker over de rechtspersonen in kwestie feitelijke zeggenschap had, er verder geen activiteiten (meer) werden ontplooid door deze rechtspersonen en verzoeker (ook) persoonlijke, niet-zakelijke, belangen nastreefde door middel van deze rechtspersonen.
11.
Die vaststellingen zijn voldoende om verzoeker als feitelijk leidinggever van deze rechtspersonen aan te merken. Ze zijn ook voldoende om aan te nemen dat verzoeker misbruik heeft gemaakt van de desbetreffende rechtspersonen. Maar ze zijn — in het licht van voormelde, zeer restrictieve jurisprudentie, van uw Raad — onvoldoende voor het oordeel dat aan dit misbruik de ultieme sanctie van vereenzelviging moet worden verbonden, in ieder geval zonder nadere motivering die in het geheel ontbreekt.
12.
Bovendien — en in zoverre ten overvloede — blijken meerdere feiten en omstandigheden die het Hof redengevend heeft geacht voor zijn (kennelijke) oordeel dat sprake is van misbruik van rechtspersonen en dat dit vereenzelviging tot gevolg dient te hebben niet uit de bewijsmiddelen dan wel is onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd, hoe die feiten en omstandigheden aan dit (kennelijke) oordeel zouden kunnen bijdragen. Meer in het bijzonder gaat het dan om:
Overweging: | Toelichting: |
|---|---|
‘verdachte ter zitting van het hof heeft verklaard dat hij de ondernemingen die op naam stonden van zijn vrouw heeft gebruikt en dat hij feitelijk bestuurder was en dat hij ’maar marginaal’ iets met die ondernemingen heeft gedaan’ (P. 11) | Uit de tot het bewijs gebezigde verklaring van verzoeker in hoger beroep (bewijsmiddel 20) blijkt niet dat verzoeker heeft verklaard dat hij ‘feitelijk bestuurder’ was van de ondernemingen die op naam stonden van zijn vrouw. De verklaring van verzoeker dat hij maar ‘marginaal’ iets met die ondernemingen zou hebben gedaan kan bovendien niet redengevend zijn voor het bewijs dat verzoeker misbruik heeft gemaakt van deze rechtspersonen. Dit impliceert immers het tegenovergestelde (namelijk dat verzoeker nauwelijks tot niets met deze rechtspersonen te maken had). |
‘er in die periode geen sprake was van personeel of bedrijfspanden’ (p. 11) | Dit blijkt niet uit de bewijsmiddelen. Ook anderszins is de vindplaats niet voldoende gespecificeerd door het Hof. |
‘dat de kort voor persoonlijk faillissement geopende bankrekening van [D] B.V.’ (p. 11) | Uit bewijsmiddel 25 (aanvulling arrest, p. 25) blijkt dat de bankrekening van [D] B.V. is geopend in augustus 2011. Verzoeker is persoonlijk failliet verklaard op 10 juli 2012 (bewijsmiddel 13). Een periode van bijna een jaar kan bezwaarlijk als ‘kort voor het faillissement’ worden gekwalificeerd. |
‘Getuige [getuige 1], bestuurder van [C] BV heeft verklaard dat [verdachte] die 1 miljoen euro nodig had omdat verdachte en zijn gezin ernstig bedreigd werden door Turkse mannen, hetgeen een persoonlijk en geen zakelijk belang is’ (p. 11) | Dat [getuige 1] dit verklaard zou hebben blijkt niet uit zijn door het Hof tot het bewijs gebezigde verklaring (bewijsmiddel 29). Ook anderszins blijkt uit de bewijsmiddelen niet dat verzoeker en zijn gezin ernstig bedreigd werden door Turkse mannen.28. Hoe dan ook valt zonder nadere motivering (die ontbreekt) niet in te zien waarom het nodig hebben van geld wegens bedreigingen niet ook een zakelijk belang zou kunnen zijn. De bedreigingen kunnen immers ook het gevolg zijn van het niet voldoen van schulden door de onderneming. |
‘een deel van de door verdachte geleende gelden gestort werd op een Luxemburgse bankrekening LU 56 0141 5572 9640 0000 die door verdachte zelf geopend is en die door verdachte het meest werd gebruikt’ (p. 11). | Dat gelden op een rekening in Luxemburg zijn gestort blijkt alleen ten aanzien van de leningen van [B] en [E]. Uit de bewijsvoering (zie bewijsmiddel 25 (aanvulling arrest, p. 30–32) en het arrest, p. 12) volgt echter dat het hier om persoonlijke leningen gaat. Dat deze gelden op een op naam van verzoeker gestelde bankrekening in Luxemburg zijns gestort (zie bewijsmiddel 25 (aanvulling arrest, p. 31)) kan dus bezwaarlijk redengevend zijn voor het oordeel dat verzoeker misbruik heeft gemaakt van rechtspersonen (laat staan dat hieraan het rechtsgevolg van vereenzelviging moet worden verbonden. |
‘Uit de verklaring van de curator [curator] … … en dat de curator die toestemming niet zou hebben gegeven.’ (p. 11–12) | Het Hof heeft kennelijk redengevend geacht voor de bewezenverklaring dat de curator heeft verklaard dat verdachte de tenlastegelegde overeenkomsten niet mocht aangaan. Voor zover voor dit middel relevant (nl. de overeenkomsten gesloten door rechtspersonen die verzoeker zou hebben misbruikt) is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk. De curator heeft verklaard dat verzoeker ‘niet als bestuurder [mag] optreden omdat hij enig aandeelhouder is’ van [D] BV (bewijsmiddel 17). Daarmee is echter niet gezegd dat het kennelijk overnemen van dit juridische standpunt door het Hof begrijpelijk is. Een bestuurderschap van een failliet is geen vermogensbestanddeel dat binnen het faillissement valt. Het enkele feit dat de enig aandeelhouder van een vennootschap persoonlijk failliet is betekent nog niet dat hij geen bestuurder meer kan zijn van een vennootschap en namens die vennootschap overeenkomsten kan aangaan. Over andere rechtspersonen (laat staan door deze rechtspersonen gesloten overeenkomsten) heeft de curator zich in het geheel niet uitgelaten in zijn tot het bewijs gebezigde verklaring zodat ook niet begrijpelijk is hoe uit zijn verklaring zou kunnen volgen dat deze rechtspersonen deze overeenkomsten niet mochten sluiten. |
‘[getuige 1], bestuurder van [C] B.V., heeft verklaard dat hij in totaal € 2 miljoen aan verdachte en diens partner heeft geleend.’ (p. 32) | De desbetreffende verklaring van getuige [getuige 1] is opgenomen als bewijsmiddel 29. Daaruit volgt dat [getuige 1] door verbalisanten een overzicht wordt getoond ‘met openstaande leningen aan Louis [verdachte] of aan hem te liëren rechtspersonen’ (onderlijning TD/GJ). De verklaring van [getuige 1] zelf behelst niet meer dan dat dit overzicht ‘klopt’ en ‘van ons af [komt]’. Dat — zoals het Hof heeft overwogen — [getuige 1] heeft verklaard dat hij in totaal € 2 miljoen aan ‘verdachte en diens partner’ heeft geleend is dan ook een denaturering van diens verklaring. |
Middel III:
Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, dan wel verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen.
In het bijzonder zijn geschonden de artikelen 341 en 341 (oud) Sr, de artikelen 20, 23 en 24 Fw en de artikelen 359 en 415 Sv.
Immers is de bewezenverklaring van feit 3 voor zover inhoudende dat verzoeker ten aanzien van de volgende handelingen:
- —
‘175.000 euro ontvangen (uit de lening van [B]) d.d. 23 maart 2017’; en/of
- —
‘100.000 euro verkregen op een Luxemburgse rekening (van verdachte) en 50.000 euro door verdachte contant ontvangen (vanuit de lening van BV participatiemaatschappij [E] (d.d. 24 maart 2017’; en/of
- —
‘1.000.000 euro door een lening van [C] BV d.d. 27 augustus 2013’
heeft gehandeld‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers’(voor 1 juli 2016) en/of‘terwijl hij wist dat hij[sic]een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld voor of tijdens het faillissement’(na 1 juli 2016)
onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd.
De bewezenverklaring is daarmee niet naar de eis der wet met voldoende redenen omkleed als gevolg waarvan het bestreden arrest aan nietigheid lijdt.
Toelichting:
1.
Een tweede omstandigheid die het verwijt van faillissementsfraude (feit 3) in deze zaak bijzonder maakt is dat daarin een centrale rol wordt gespeeld door leningen die verzoeker29. bij derden30. is aangegaan na de datum van zijn persoonlijke faillissement. Het verwijt dat verzoeker met betrekking tot de in dit middel genoemde handelingen wordt gemaakt is steeds het aangaan c.q. ontvangen van de hoofdsom van dergelijke na faillissement aangegane leningen.31. Dit roept allereerst de, complexe, vraag op hoe dergelijke na faillissement aangegane leningen moeten worden geduid vanuit faillissementsrechtelijk perspectief.
I.A. Inleidende opmerking 1: fixatiebeginsel en aangaan leningen na faillissement
2.
Dat de leningen zich hebben voorgedaan na het uitspreken van het faillissement is van groot belang gelet op het zogenoemde ‘fixatiebeginsel’. Kort gezegd, komt dit beginsel erop neer dat de failliet van rechtswege de beschikking en het beheer over zijn vermogen verliest vanaf de dag waarop het faillissement wordt uitgesproken (art. 23 Fw). Het faillissement omvat het gehele vermogen van de schuldenaar ten tijde van de faillietverklaring, alsmede hetgeen hij gedurende het faillissement verwerft (art. 20 Fw). Voor verbintenissen ontstaan ná het faillissement is de faillissementsboedel niet aansprakelijk, tenzij de boedel door die verbintenissen is gebaat (art. 24 Fw). Het fixatiebeginsel weerspiegelt de kernidee van de wet dat de schuldenaar met zijn handelingen geen invloed meer heeft op (de samenstelling en waarde van) de boedel.32.
3.
Anders dan vaak gedacht betekent het ‘fixatiebeginsel’ niet dat de failliet handelingsonbekwaam en is geen nieuwe verbintenissen kan aangaan. Dat kan hij wel, maar dergelijke handelingen kunnen de boedel niet binden, tenzij deze door de betreffende handeling is gebaat.33. Dit betekent dat bij baten die de failliet verwerft tijdens het faillissement een genuanceerde benadering op zijn plaats is.
4.
Wachter heeft deze benadering als volgt treffend samengevat in zijn annotatie bij een arrest van uw Raad uit 1975 (ECLI:NL:HR:1974: AB 6908, NJ 1975/229). Het draaide in deze zaak om een failliet die een lening was aangegaan na het uitspreken van zijn faillissement. De lening werd door de failliet verzwegen aan de curator. Het Hof veroordeelde daarop wegens overtreding van art. 341 (oud) Sr. Uw Raad casseerde: ‘het enkele door iemand die in staat van faillissement verkeert aan de boedel onttrekken, voor de curator in zijn faillissement verzwijgen of niet aan deze verantwoorden van een door hem na de faillietverklaring geleend geldsbedrag’ leidde volgens uw Raad immers nog niet ‘tot verkorting van de rechten van zijn schuldeisers’.
5.
Wachter is het daar in zijn noot onder dit arrest hartgrondig mee eens:
‘Verdachte had tijdens zijn faillissement ƒ 45 000 geleend teneinde daarmede — naar zijn zeggen — te voldoen de koopprijs van een door hem na zijn faillietverklaring gekocht Horeca-bedrijf. Geen bestrijding zal ondervinden de opmerking van de Adv.-Gen., t.w. dat het slot van art. 20 Fw. er geen twijfel over laat bestaan, dat het faillissementsbeslag mede dit geleende bedrag omvatte. Aan het enkele feit, dat deze ƒ 45 000 niet aan de curator verantwoord en afgedragen werden, kon i.c. echter onmogelijk de consequentie verbonden worden, dat de faillissementscrediteuren benadeeld werden.
De faillissementscrediteuren, waarop art. 341 Sr. doelt, zijn degenen, in wiens belang de faillissementstoestand in het leven geroepen werd, d.w.z. degenen, die ten tijde van het uitspreken van het faillissement reeds een vordering op de debiteur hadden. Vgl. N.J. Polak, Faillissement en Surseance van Betaling, 7e druk, pag. 2; H.J. Smidt, deel III, pag. 10/11; Noyon-Langemeijer-Remmelink, aant. 9 op art. 47.
Zij worden wel zonder meer benadeeld, indien de failliet reeds ten tijde van het vonnis van faillietverklaring aanwezige baten niet verantwoordt en afdraagt. Hierdoor vermindert immers het voor hen bestemde actief.
Met betrekking tot baten, verworven na het vonnis van faillietverklaring, is een meer genuanceerde benadering nodig, en wel door de herkomst van de baten na te gaan. Wint de failliet een prijs in de toto of ontvangt hij een legaat zonder dat daaraan enige verplichting is verbonden, dan vermeerderen deze activa het reeds aanwezige actief zonder dat dit nadelige consequenties kan hebben, welke deze toename weer geheel of ten dele teniet zouden kunnen doen. Verzwijgt een failliet een dergelijke ‘aanwas’ voor de boedel, dan is ook hier zonder meer voldaan aan de delictsomschrijving van art. 341 Sr. (Ik laat buiten beschouwing het zeer theoretische geval, waarin de failliet ten tijde van zijn handelen wist, dat zijn faillissement zou eindigen door integrale voldoening van alle schulden. In een dergelijk geval kan moeilijk volgehouden worden, dat de schuldeisers benadeeld zijn.)
Wezenlijk anders wordt het beeld, indien de bate — gelijk i.c. het geval was — terug te voeren is op een rechtshandeling, welke een wederkerig karakter draagt. In een dergelijk geval ontstaat een boedelschuld, indien en voorzover de boedel gebaat werd. Wanneer i.c. het door de failliet geleende bedrag bijgeschreven was op een bank- of girorekening, waarover slechts de curator kon beschikken, zou de ontvangst van het geleende bedrag als een bate in de zin van art. 20 Fw. Aangemerkt zijn, doch tegelijkertijd zou een boedelschuld tot eenzelfde bedrag ontstaan zijn. Per saldo zouden de faillissementscrediteuren er dus geen cent beter van geworden zijn, zodat van een verkorting van hun rechten geen sprake was. In het onderhavige geval nam de failliet het geleende bedrag zelf in ontvangst, zonder het aan de curator af te dragen. De enige consequentie, welke hieruit voortvloeide, was het niet ontstaan van een boedelschuld ten gunste van de uitlener. Vgl. N.J. Polak, Faillissement en Surseance van Betaling, 7e druk, pag. 107, alsmede H.C.F. Schoordijk, WPNR 5284 (rechtsvraag), betreffende een tijdens faillissement door de failliet buiten medeweten van de curator in eigendom verworven woning, waarvan de koopprijs gefinancierd was met behulp van hypothecaire leningen.’
(onderlijning TD/GJ)
6.
Anders gezegd: bij wederkerige overeenkomsten (zoals leningen) is het van tweeën een: wil de boedel aanspraak maken op de baat (de hoofdsom) dan zal het ook de corresponderende vordering moeten aanvaarden. Maar juist daardoor wordt de boedel niet gebaat (in tegendeel, bijv, als sprake is van zeer hoge rentes).
7.
Het voorgaande geldt ook als een failliet weer gaat ‘handelen’ tijdens zijn faillissement. Illustratief in dit verband is een uitspraak van het Hof Den Bosch (NJ 1994/761). Het draaide in die zaak om een failliet die na zijn faillissement auto's was gaan verkopen. De curator eiste van de kopers betaling van de verkoopprijs. Het Hof Den Bosch ging niet in die eis mee:
‘Uitgangspunt is dat een failliet door zijn faillietverklaring niet handelingsonbevoegd of — onbekwaam wordt. Weliswaar kan hij tijdens het faillissement niet de boedel binden en valt hetgeen hij verwerft aan vermogen in de boedel, doch hij kan verbintenissen aangaan. Ingevolge artikel 24 Faillissementswet is de boedel daarvoor slechts aansprakelijk voorzover deze daardoor is gebaat, hetgeen meebrengt dat de curator de vorderingen welke tegenover die verbintenissen staan slechts kan opeisen voorzover er sprake is van een netto actiefsaldo. De curator kan niet nopens een transactie van zijn failliet buiten de boedel het actieve deel daarvan opeisen doch het daarmee samenhangende passief niet voor rekening van de boedel brengen.
In casu kan als vaststaand worden aangenomen dat [naam 2] al of niet onder het mom van [F] NV, [G] BV of [H] BV slechts auto's verkocht aan [naam 2] die hij zelf, nog zonder die te hebben betaald, had betrokken van grote auto(lease)bedrijven als Riva Amsterdam en dat hij na ontvangst van de koopsom daarvoor zijn leveranciers afbetaalde, blijkens het overgelegde politie-p.v. slechts ten dele, zodat een aanzienlijke schuld aan Riva resteerde.
De curator heeft nopens enig netto provenu voor [naam 2] en dus voor de boedel niets gesteld en het bestaan (hebben) daarvan is ook onaannemelijk. Nu derhalve niet is gesteld en nog minder is gebleken dat de boedel door de litigieuze transacties van [naam 2] op enigerlei wijze is gebaat staat de boedel buiten die transacties en kan de curator dienaangaande niets opvorderen.’
(onderlijning, TD/GJ)
8.
Van Zanten vat deze lijn als volgt samen:
‘De curator die wil beschikken over de prestaties van de wederpartij bij een ná de intrede van het faillissement met de schuldenaar gesloten overeenkomst, zal die overeenkomst naar mijn mening dus gestand moeten doen, met als gevolg dat alle contractuele aanspraken van de wederpartij de status van boedelschuld krijgen.’ 34.
9.
Waar het — resumerend — dus op neerkomt is de vraag of de rechtshandelingen van de failliet een nettoresultaat (‘winst’) hebben opgeleverd voor de boedel. Eerst als daarvan sprake is en ook deze winst door de failliet wordt verzwegen worden de schuldeisers benadeeld en is sprake van faillissementsfraude.35. Bij leningen is een dergelijk nettoresultaat niet aan de orde. In het beste geval (geen rente) is het resultaat voor de boedel neutraal. Leningen zijn echter meestal — zoals ook in casu het geval is — juist wel rentedragend zodat ze in de regel de boedel meer zullen kosten dan ze opleveren (lees: tot een netto ‘verlies’ voor de boedel zouden leiden).
I.B. Inleidende opmerking 2: Benadeling schuldeisers en het opzetvereiste:
10.
Een tweede complicerende factor met betrekking tot de in het middel genoemde leningen is dat deze zowel voor als na 1 juli 2016 zijn aangegaan.36. Dit betekent dat zowel de oude als de nieuwe variant van art. 341 Sr van toepassing is. Dit is met name van belang voor de vraag of bewezenverklaard moet worden dat verzoeker door zijn handelen zijn schuldeisers ook daadwerkelijk heeft benadeeld.
11.
Voor 1 juli 2016: Het is vaste rechtspraak van uw Raad dat de in art. 341 Sr (oud) gebezigde bewoordingen ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers’ tot uitdrukking brengen dat de verdachte het opzet moet hebben gehad op de verkorting van de rechten van de schuldeisers. Voor het bewijs van dat opzet volstaat volgens uw Raad dat de handeling van de verdachte de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers heeft doen ontstaan. Niet vereist is dat de rechten van de schuldeisers daadwerkelijk zijn verkort (zie o.a. ECLI:NL:HR:2010:BI4691, NJ 2010/104).
12.
Na 1 juli 2016: Sinds de wetswijziging van 1 juli 2016 is (naast voorwaardelijk opzet van de hierop) wel vereist de rechten van de schuldeisers door het handelen van de verdachte daadwerkelijk zijn verkort. Volgens uw Raad is in dit verband echter geen sprake van een gewijzigd inzicht van de wetgever (vgl. ECLI:NL:HR:2020:128, NJ 2020/156). Anders gezegd, voor feiten begaan voor 1 juli 2016 kan, ook als de berechting daarvan na die datum plaatsvindt, nog steeds het oude regime worden toegepast.
13.
Resumerend geldt voor de leningen die in dit middel centraal staan het volgende:
Datum handeling: | Opzetvereiste: | Daadwerkelijke verkorting vereist:? |
|---|---|---|
Voor 1 juli 2016 | ||
Lening [C] BV (EUR 1 miljoen), 27/08/2013 | Tenminste voorwaardelijk opzet | Nee |
Na 1 juli 2016 | ||
Lening van [B] (EUR 175.000), 23/03/2017 | Tenminste voorwaardelijk opzet | Ja |
Lening BV participatiemaatschappij [E] (EUR 150.000), 24/03/2017 | Tenminste voorwaardelijk opzet | Ja |
II. Toepassing op de in het middel genoemde leningen:
II.A. Lening [c] BV (EUR 1 miljoen), 27/08/2013
14.
De lening van [C] BV is bewezenverklaard als ‘het niet verantwoorden van baten’ (Feit 3, onderdeel C). Uit de bewezenverklaring volgt dat deze lening is aangegaan op 27 augustus 2013, dat wil zeggen ruim na het intreden van het faillissement van verzoeker op 10 juli 2012.
15.
Zoals hiervoor aangegeven binden rechtshandelingen van de failliet na zijn faillissement de boedel niet tenzij deze hierdoor gebaat is. Een dergelijk ‘baat’ is bij het aangaan en ontvangen van een lening niet aan de orde.
16.
Dat het handelen van verzoeker terzake de lening van [C] BV een nettoresultaat (‘winst’) voor de boedel heeft opgeleverd heeft het Hof, terecht, niet vastgesteld. Zoals hiervoor uiteengezet geldt bij wederkerige rechtshandelingen (zoals leningen) immers dat het van tweeën een is: de curator kan de baat (hoofdsom) alleen dan in boedel laten vloeien als dat ook voor de corresponderende terugbetalings-verplichting geldt. Dat dit het geval is geweest bij de lening van [C] BV blijkt niet uit de bewijsvoering en is ook bepaald niet evident, reeds gelet op de hoge — voor de boedel zeer ongunstige — rente op de hoofdsom (10%).37.
17.
Bij die stand van zaken is het oordeel van het Hof dat verzoeker met het niet verantwoorden van deze lening aan de curator (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de verkorting van de rechten van zijn schuldeisers, zonder nadere motivering, onbegrijpelijk. Een dergelijke nadere, op de lening van [C] BV toegespitste, motivering ontbreekt echter.
18.
Wel heeft het Hof enkele algemene overwegingen gewijd aan de benadeling van schuldeisers en de wetenschap van verzoeker hieromtrent (zie arrest, p. 11–12). Uit deze algemene overwegingen volgt dat het Hof kennelijk redengevend heeft geacht dat verzoeker als gefailleerde de specifiek ten laste gelegde overeenkomsten niet mocht aangaan en dat hij de genoemde betalingen niet mocht doen zonder toestemming van de curator (die ontbrak). Het Hof heeft verder redengevend geacht dat verzoeker dit wist maar desalniettemin heeft gehandeld zoals hij gedaan heeft omdat het hem ‘te lang duurde’ voor zijn faillissement werd opgeheven, hij ‘iets moest doen’ om zijn problemen op te lossen en hij ‘dacht dat hij als feitelijk bestuurder van de rechtspersonen wel mocht handelen’. Aldus is volgens het Hof sprake geweest van ‘bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers’ in het faillissement van verzoeker.
19.
Deze algemene motivering volstaat niet. Ten eerste wordt — anders dan het Hof kennelijk heeft aangenomen — een failliet niet handelingsonbekwaam door zijn faillissement en kan deze weldegelijk nieuwe overeenkomsten aangaan (zie hierboven randnummer 3). Voorts kan van een verdachte die dacht ‘dat hij als feitelijk bestuurder van de rechtspersonen wel mocht handelen’ — zoals het Hof heeft vastgesteld — niet zonder meer gezegd worden dat hij opzet had op verkorting van de rechten van zijn schuldeisers. Een dergelijke verdachte denkt nu juist immers dat het wel mag wat hij doet. Tot slot — en hier zit de kern — gaat het bij het aangaan van een lening om een handeling die om voormelde redenen evident buiten de boedel zal vallen. Met het handelen van verzoeker werden de schuldeisers in zijn faillissement dan ook niet benadeeld. Daarmee valt niet (zonder meer) in te zien hoe dit handelen de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers van verzoeker heeft doen ontstaan (laat staan dat verzoeker die kans heeft aanvaard).
20.
Het voorgaande betekent dat het oordeel van het Hof dat verzoeker met het aangaan van de lening van EUR 1 miljoen met [C] B.V. voorwaardelijk opzet op de verkorting van de rechten van zijn schuldeisers heeft gehad onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.
21.
De bewezenverklaring voor zover inhoudende dat verzoeker door het niet verantwoorden van de uit deze lening voortvloeiende baten (door deze te verzwijgen voor de curator) heeft gehandeld ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers’ kan daarmee geen standhouden.
II.B. Leningen [b] (EUR 175.000), 23/03/2017 en bv participatiemaatschappij [e] (EUR 150.000), 24/03/2017
22.
Het ontvangen van de leningen van [B] en BV participatiemaatschappij [E] is bewezenverklaard als ‘onttrekken van goederen aan de boedel’ (Feit 3, onderdeel A). Uit de bewijsvoering volgt dat deze leningen zijn aangegaan op 23 respectievelijk 24 maart 2017 (dat wil zeggen ruim na het intreden van het faillissement van verzoeker op 10 juli 2012).
23.
Hetgeen hiervoor is betoogd over de onbegrijpelijkheid van het oordeel van het Hof terzake ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers’ met betrekking tot de lening van [C] BV (randnummers 15–19) geldt mutatis mutandis voor de leningen van [B] en BV participatiemaatschappij [E], met dien verstande dat bij de lening van [B] het rentepercentage nog veel hoger was, te weten 20% per maand38. (lees: deze lening was nog veel ongunstiger). Ook deze leningen vallen dus evident buiten de boedel.
24.
Het oordeel van het Hof dat verzoeker door het aangaan van deze leningen desalniettemin voorwaardelijk opzet op de verkorting van de rechten van zijn schuldeisers heeft gehad, is daarmee ook onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd.
25.
Daarbij komt dat — nu deze leningen hebben plaatsgevonden na 1 juli 2016 — ook bewezen moet worden verklaard dat de rechten van schuldeisers van verzoeker daadwerkelijk zijn verkort (zie hierboven randnummer 12). Dat van daadwerkelijke verkorting sprake is geweest — zoals het Hof heeft aangenomen — kan echter niet uit de bewijsvoering worden afgeleid en is — nu de leningen evident buiten de boedel vallen — zonder nadere motivering, die ontbreekt, ook niet begrijpelijk.
26.
De bewezenverklaring voor zover inhoudende dat verzoeker beide leningen heeft onttrokken aan de boedel (door deze buiten het zicht van de curator te laten plaatsvinden) ‘wetende dat een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld’ kan daarmee geen standhouden.
Middel IV:
Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, dan wel verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen.
In het bijzonder zijn geschonden artikel 341 (oud) Sr, de artikelen 20, 23 en 24 Fw en de artikelen 359 en 415 Sv.
Immers is de bewezenverklaring van feit 3 voor zover inhoudende dat verzoeker ten aanzien van de volgende handeling:
- —
‘zijn lening aan [betrokkene 4] (gedeeltelijk) afgelost door 195.000 euro aan die [betrokkene 4] terug te betalen (in de periode van 29 augustus 2013 tot en met 13 september 2013)’
(eerste deelklacht)
"ter gelegenheid van het faillissement één of meer schuldeiser(s) op enige wijze wederrechtelijk heeft bevoordeeld"
en/of
(tweede deelklacht)
heeft gehandeld‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers"
onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd.
De bewezenverklaring is daarmee niet naar de eis der wet met voldoende redenen omkleed als gevolg waarvan het bestreden arrest aan nietigheid lijdt.
Toelichting:
1.
Dit middel ligt in het verlengde van het voorgaande middel. Bij de ‘lening’39. van [betrokkene 4] draait het echter niet zozeer om het aangaan daarvan maar om de terugbetaling. De lening roept daarmee net weer ander vragen op zodat deze in een separaat middel aan de orde wordt gesteld.
2.
De betalingen aan [betrokkene 4] zijn bewezenverklaard als ‘het wederrechtelijk bevoordelen van schuldeisers’ (Feit 3, onderdeel B). Uit de bewijsvoering volgt dat de onderliggende ‘lening’ is aangegaan in de zomer van 2013, dat wil zeggen ruim na het intreden van het faillissement van verzoeker op 10 juli 2012.40. Uit de bewijsvoering volgt voorts dat de aan [betrokkene 4] betaalde EUR 195.000 rechtstreeks afkomstig is uit de hiervoor besproken lening van [C] B.V. en dat hij deze betaling heeft ontvangen als vergoeding voor het borg staan voor terugbetaling van de lening van [C] B.V.41.
3.
Hieruit volgt, allereerst, dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat [betrokkene 4] een ‘schuldeiser’ in de zin van art. 341 (oud) Sr is die ‘bevoordeeld’ kon worden (eerste deelklacht). Daarnaast geldt ook hier dat het oordeel van het Hof dat verzoeker bij deze ‘lening’ heeft gehandeld ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers’ geen stand kan houden (tweede deelklacht). Dit wordt als volgt nader toegelicht.
Eerste deelklacht: [betrokkene 4] ten onrechte aangemerkt als ‘schuldeiser’ in de zin van art. 341 (oud) sr die ‘bevoordeeld’ kon worden
4.
De tenlastelegging van feit 3 is toegesneden op art. 341 (oud) Sr. Daarom moet de in de tenlastelegging voorkomende uitdrukking ‘schuldeiser’ geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in genoemde bepaling. Met ‘schuldeisers’ in de zin van art. 341 (oud) Sr wordt vanzelfsprekend alleen gedoeld op schuldeisers wier vordering op de boedel kan worden verhaald. Andere schuldeisers staan buiten het faillissement en hoeven dus ook niet beschermd te worden tegen het onrechtmatig aantasten van de boedel. Op deze schuldeisers heeft art. 341 (oud) Sr dan ook geen betrekking.
5.
Een lening die de failliet aangaat na de datum van zijn faillissement kan niet op de boedel worden verhaald tenzij de boedel daardoor is gebaat (zie uitgebreid hierboven, Middel III, randnummer 2 e.v.) Dit betekent weer dat de schuldeiser van een dergelijke lening — bij gebreke van enige baat voor de boedel — ook niet als ‘schuldeiser’ in de zin van art. 341 Sr kwalificeert.
6.
De uit de lening van [C] B.V. voortvloeiende terugbetalings-verplichting (+ rente) valt, zoals gezegd, evident buiten de boedel nu deze niet batig was voor die boedel (zie uitgebreid hierboven, Middel III, randnummer 14 e.v.). Hetzelfde geldt uiteraard voor de met deze lening samenhangende vordering van [betrokkene 4] ad EUR 195.000 ter vergoeding voor het ‘borg’ staan voor terugbetaling. Sterker, deze vergoeding onderstreept alleen maar dat de lening de boedel niet baatte. Het enkele aangaan daarvan kostte immers al EUR 195.000 aan vergoedingen, zonder dat die betalingen de hoogte van de verplichting tot terugbetaling van de hoofdsom + rente beïnvloedde (onder de streep moest nog steeds EUR 1 miljoen + rente worden terugbetaald).
7.
Hieruit volgt dat ook de vordering van [betrokkene 4] evident niet op de boedel kon worden verhaald en hij dus ook niet als ‘schuldeiser’ in de zin van art. 341 (oud) Sr kwalificeert. Dat betekent weer dat de betalingen door verzoeker aan [betrokkene 4] van in totaal EUR 195.000 ook niet het ‘wederrechtelijk bevoordelen van een schuldeiser’ opleveren.
8.
Voor zover het Hof zou hebben geoordeeld dat reeds de enkele betaling door de failliet aan een schuldeiser wier vordering niet op de boedel kan worden verhaald ‘wederrechtelijke bevoordeling van schuldeisers’ in de zin van art. 341 (oud) Sr oplevert heeft het Hof het voorgaande dan ook miskend en getuigt zijn oordeel van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het Hof dit niet heeft miskend maar zou hebben aangenomen dat [betrokkene 4] als ‘schuldeiser’ in de zin van art. 341 (oud) Sr kwalificeert die ‘bevoordeeld’ kon worden is dat oordeel — bij gebrek aan enige nadere motivering op het punt van hoe de boedel door deze lening zou zijn gebaat (en de vordering van [betrokkene 4] dus ook op de boedel kon worden verhaald) — onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd.
Tweede deelklacht: motivering ‘ter bedrieglijke verkorting’ schiet te kort
9.
Los van het voorgaande is ook het oordeel van het Hof dat verzoeker met de betalingen aan Van Koolwijk voorwaardelijk opzet op de verkorting van de rechten van zijn schuldeisers heeft gehad onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd.
10.
Zoals hiervoor reeds uiteengezet, vallen zowel de uit de lening van [C] B.V. voortvloeiende terugbetalingsverplichting (+ rente) als de vordering van [betrokkene 4] evident buiten de boedel. De op grond van de lening van [C] B.V. ter beschikking gestelde hoofdsom van EUR 1 miljoen valt daarmee eveneens buiten de boedel (het is van tweeën een). Daarmee valt niet (zonder meer) in te zien hoe het deels aanwenden van deze hoofdsom ter voldoening van de vordering van [betrokkene 4] de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers van verzoeker heeft doen ontstaan (laat staan dat verzoeker deze kans heeft aanvaard).
11.
Het oordeel van het Hof dat verzoeker desalniettemin voorwaardelijk opzet op de verkorting van de rechten van zijn schuldeisers heeft gehad door [betrokkene 4] EUR 195.000 te betalen is daarmee ook onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd.
12.
De bewezenverklaring voor zover inhoudende dat verzoeker met de betalingen aan [betrokkene 4] (door deze buiten het zicht van de curator te laten plaatsvinden) heeft gehandeld ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers’ kan dan ook eveneens geen standhouden.
Middel v:
Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, dan wel verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen.
In het bijzonder zijn geschonden artikel 341 (oud) Sr, de artikelen 20, 23 en 24 Fw en de artikelen 359 en 415 Sv.
Immers is de bewezenverklaring van feit 3 voor zover inhoudende dat verzoeker ten aanzien van de volgende handeling:
- —
‘481.000.- euro aan contante stortingen op de bankrekening van [D] BV (in de periode van 10 juli 2012 tot en met 11 juni 2014)’
(eerste deelklacht)
‘baten niet heeft verantwoord’
en/of
(tweede deelklacht)
heeft gehandeld‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers’
onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd.
De bewezenverklaring is daarmee niet naar de eis der wet met voldoende redenen omkleed als gevolg waarvan het bestreden arrest aan nietigheid lijdt.
Het arrest lijdt als gevolg daarvan aan nietigheid.
Toelichting:
Eerste deelklacht: motivering dat EUR 481.000 ‘baten’ van verzoeker waren schiet te kort
1.
De tenlastelegging van feit 3 is toegesneden op art. 341 (oud) Sr. Daarom moet de in de tenlastelegging voorkomende uitdrukking ‘baten’ geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in genoemde bepaling. Met ‘baten’ in de zin van art. 341 (oud) Sr wordt vanzelfsprekend gedoeld op alle activa die tot het vermogen van de failliet behoren. Vermogensbestanddelen van derden zijn dan ook geen ‘baten’ in de zin van art. 341 (oud) Sr.
2.
Het Hof heeft bewezenverklaard dat verzoeker met de contante stortingen ad EUR 481.000,- op de rekening van [D] BV ‘baten niet heeft verantwoord’42. (ad C).
3.
Tot de bewijsmiddelen behoort onder meer de verklaring van verzoeker afgelegd ter zitting van het Hof op 10 mei 2023 (bewijsmiddel 20). Deze verklaring luidt — voor zover hier relevant — als volgt:
‘U, voorzitter, houdt mij voor dat na het faillissement op die rekening een bedrag van € 481.000 is gestort. Ik heb dat niet gemeld bij de curator. Het betrof oude vorderingen van [K] uit 2007 en 2008. De bankrekening van [D] was de enige die ik tot mijn beschikking had. Ik had het geld ontvangen, op de rekening gestort en er vervolgens leveranciers mee betaald.’
4.
Aldus heeft het Hof kennelijk aangenomen dat de stortingen van EUR 481.000,- oude vorderingen betroffen van [K] BV, zijnde een van de ondernemingen waar verzoeker aan verbonden was voorafgaand aan het uitspreken van zijn persoonlijke faillissement.43.
5.
Bij die stand van zaken is het oordeel van het Hof dat de EUR 481.000,- ‘baten’ waren die binnen het persoonlijke faillissement van verzoeker vielen en die hij diende te verantwoorden aan de curator in zijn persoonlijke faillissement, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.
Tweede deelklacht: motivering ‘ter bedrieglijke verkorting’ schiet te kort
6.
In het verlengde van de eerste deelklacht geldt dat eveneens onbegrijpelijk is het oordeel van het Hof dat verzoeker door de contante stortingen te verzwijgen voor de curator heeft gehandeld ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers’. Niet gezegd kan immers worden dat verzoeker daarmee de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers heeft doen ontstaan (laat staan dat verzoeker deze kans heeft aanvaard). De oude vorderingen van [K] BV behoorden niet tot zijn privévermogen (maar dat van [K] BV) zodat zijn privé-schuldeisers daar hoe dan ook geen verhaal op zouden hebben gehad.
Middel VI:
Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, dan wel verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen.
In het bijzonder zijn geschonden artikel 36b en 36c Sr en de artikelen 353, 359 en 415 Sv.
Immers is het oordeel van het Hof
(eerste deelklacht)
dat feit 1 is begaan met betrekking tot de aan het verkeer onttrokken geldtelmachine (‘HO008.12.01.008’)
en/of
(tweede deelklacht)
voormelde geldtelmachine van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang
onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd.
Het arrest lijdt als gevolg daarvan aan nietigheid.
Toelichting:
Eerste deelklacht: ‘begaan met betrekking tot’
1.
Het Hof heeft in het arrest onder meer de onttrekking aan het verkeer bevolen van een geldtelmachine. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd:
‘Het onder 1 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot de onder verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten 49 valse biljetten van € 500 en een geldtelmachine. Zij zullen aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.’44.
2.
Feit 1 betreft het in voorraad hebben van 49 valse biljetten van EUR 500. Dat de aan het verkeer onttrokken geldtelmachine ook maar op enigerlei wijze in relatie staat tot dit bewezenverklaarde feit, blijkt niet uit het arrest (en ook niet uit het verhandelde ter terechtzitting). Wat de geldtelmachine met dit valse geld te maken heeft, is daarmee een mysterie. Het oordeel van het Hof dat dit feit 1 desalniettemin met betrekking tot de geldtelmachine is begaan, is, zonder nadere motivering die ontbreekt, derhalve niet begrijpelijk.
Tweede deelklacht: ‘ongecontroleerde bezit’
3.
Het Hof heeft voorts geoordeeld dat het ongecontroleerde bezit van de geldtelmachine in strijd is met de wet en het algemeen belang. Dat eerste (in strijd met de wet) is zonder meer onbegrijpelijk nu het uiteraard niet verboden is om een geldtelmachine te bezitten. Dat tweede (in strijd met algemeen belang) behoeft eveneens nadere motivering.
4.
Dat, ondanks het op zichzelf niet verboden karakter van het bezit van een geldtelmachine, van ongeoorloofd gebruik door verzoeker sprake is geweest, heeft het hof niet vastgesteld. In het verlengde daarvan en mede gelet op het feit dat men een geldtelmachine in de regel voor het tellen van geld pleegt te gebruiken, hetgeen nog altijd niet verboden is, kan ook niet gezegd worden dat dergelijk ongeoorloofd gebruik niettemin voor de hand lag.45.
5.
De beslissing tot onttrekking aan het verkeer van de geldtelmachine is ook om deze reden derhalve onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd.
Middel VII:
Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, dan wel verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen.
In het bijzonder zijn artikel 6 EVRM en artikel 17 Gw geschonden.
Immers heeft de behandeling van het cassatieberoep niet plaatsgevonden binnen een redelijke termijn zoals bedoeld in deze artikelen.
Dit moet leiden tot vermindering van de aan verzoeker opgelegde straf.
Toelichting:
1.
Het cassatieberoep is ingesteld op 2 juni 2023. Conform vaste rechtspraak van uw Raad moet onder overschrijding van de redelijke termijn in cassatie mede worden begrepen de overschrijding van de termijn voor het inzenden van de stukken naar uw Raad nadat cassatieberoep is ingesteld. Deze inzendingstermijn is voor zaken zoals de onderhavige, waarin de verdachte niet in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert, gesteld op acht maanden (vgl. ECLI:NL:HR:2008:BD2578, r.o. 3.3).
2.
Blijkens de ‘Mededeling betekening aanzegging’ d.d. 25 juni 2024 zijn de stukken van het geding op 29 mei 2024 ter griffie van uw Raad ontvangen. Dit betekent dat tussen het instellen van het cassatieberoep en de binnenkomst van de stukken de maximale termijn van acht maanden is overschreden (te weten: met twee maanden en zevenentwintig dagen). Voorts kan in dit kader niet onbenoemd blijven dat de aanvulling op het arrest bevattende de bewijsmiddelen evenmin tijdig — dat wil zeggen binnen de termijn van vier maanden als bedoeld in artikel 365a Sv — is geschied.
3.
Conclusie: de redelijke termijn is in casu geschonden.
Toelichting belang ex art. 80a RO:
Het belang van verzoeker bij vernietiging en verwijzing op grond van de voorgestelde middelen van cassatie is evident.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door de heer Th.O.M. Dieben (LL.B., LL.M.) en mevrouw mr. G.A. Jansen — de Wolf, advocaten te Amsterdam die verklaren tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker tot cassatie.
Amsterdam, 18 augustus 2024
b/a Th.O.M. Dieben, advocaat
Th.O.M. Dieben
G.A. Jansen — de Wolf
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 18‑08‑2024
Dit volgt overigens ook niet uit de verklaring van verzoeker zoals weergegeven in PV van de zitting van het Hof. Daarin is alleen te lezen ‘Ik heb geld bewaard voor het geval ik hem weer zou tegenkomen.’ (zie p. 2).
Zie ECLI:NL:PHR:2023:766, punt 4.4.1 onder verwijzing naar J. de Hullu, Materieel Strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 241 en — specifiek met betrekking tot art. 209 Sr — de conclusie van AG Knigge (onder 3.8) voor HR 16 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:45, NJ 2018/65.
Zie ECLI:NL:PHR:2023:766, punt 4.4.1 onder verwijzing naar Kamerstukken II, 2000/01, 27 494, nr. 5, p. 6.
Zie ECLI:NL:PHR:2023:766, punt 4.4.2. Aan dit overzicht van AG Spronken kan worden toegevoegd een beschrijving van de zaak waar haar conclusie betrekking op had. Het draaide in die zaak om een vals bankbiljet van EUR 20,- dat de verdachte bij zich had toen hij werd aangehouden op straat. Gelet op het gelijktijdig aantreffen van een handelshoeveelheid verdovende middelen bij de verdachte, bij welke handel ook geld wordt uitgewisseld tussen de kopende en verkopende partij, vond het hof dat bewezen kon worden verklaard dat de verdachte het oogmerk had het bankbiljet als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven. AG Spronken meende dat sprake was van ‘een twijfelgeval’ maar concludeerde uiteindelijk toch tot verwerping. Daarbij achtte zij doorslaggevend de omstandigheid dat de verdachte het valse biljet bij zich droeg, samen met een handelshoeveelheid drugs en het feit dat de verdediging ten overstaan van het hof niet had aangevoerd dat het biljet zo slecht vervalst was dat het voor iedereen meteen zichtbaar was dat het om een vals biljet ging. AG Spronken achtte dit relevant omdat de aard van drugshandel (vaak heimelijk op straat) ook meebrengt dat een potentiële ontvanger van het valse biljet waarschijnlijk anders dan bij een normale transactie niet altijd de tijd zal nemen om het biljet op zijn echtheid te controleren. Uw Raad deed de zaak af met art. 81 R.O. (Zie ECLI:NL:HR:2023:1500)
Zie de besproken arresten van 3 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9861 (aangetroffen in auto, wel oogmerk), 31 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU3446 (aangetroffen in kast thuis, geen oogmerk), 16 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:45 (aangetroffen in auto, wel oogmerk) en het arrest van 7 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1500 in de zaak waarin AG Spronken concludeerde (aangetroffen in portemonnee terwijl verdachte op straat was). In het arrest van 20 juli 1926, ECLI:NL:HR:1926:278 was sprake van een mix (tijdens een fouillering werd een biljet (zilverbon) aangetroffen tussen de papieren die de verdachte bij zich had, ook thuis werden biljetten in een kast aangetroffen opgeborgen in een portefeuille (hetgeen verbruik impliceert) en verdachte had verklaard dat hij ook wel eens een biljet op zak had gehad).
Zie o.a. ECLI:NL:HR:2022:44, r.o. 2.4: ‘Van algemene bekendheid zijn die gegevens die ieder van de rechtstreeks bij het geding betrokkenen geacht moet worden te kennen of die hij zonder noemenswaardige moeite uit algemeen toegankelijke bronnen kan achterhalen. Voor algemene ervaringsregels geldt hetzelfde (vgl. HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0291, rechtsoverweging 3.2.1). Bij dergelijke feiten of omstandigheden gaat het in de regel om gegevens waarvan de juistheid redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar is (vgl. HR 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:522, rechtsoverweging 2.4).’
Zie ECLI:NL:HR:2016:522, r.o. 2.4.
Vgl. de opsomming door uw Raad volgend op ‘Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. Daarbij neemt de Hoge Raad het volgende in aanmerking.’
Zie de besproken arresten van 3 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9861 (vergelijkbare biljetten waren eerder al uitgegeven) en het arrest van 20 juli 1926, ECLI:NL:HR:1926:278 (naast de valse biljetten thuis in een portemonnee in de kast was een vergelijkbaar biljet bij de fouillering van de verdachte aangetroffen).
Zie het arrest van 7 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1500 in de zaak waarin AG Spronken concludeerde (aangetroffen in portemonnee verdachte terwijl deze ook een handelshoeveelheid drugs bij zich had).
Zie pleitaantekeningen mr. Krämer in hoger beroep, p. 5.
Zie bewijsmiddel 2 (‘Conclusie: elk van de 49 aangeboden biljetten was totaal vals’) en bewijsmiddel 3 (‘Op het moment dat ik het geld zag, wist ik direct dat het vals was’.)
Zie proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 10 mei 2023, p. 6
Zie pleitaantekeningen mr. Krämer in hoger beroep, p. 11 e.v. en proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 10 mei 2023, p. 7. Beide vonnissen waren op voorhand door de verdediging toegezonden aan het Hof. Zie proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 10 mei 2023, p. 3. Beide vonnissen zijn tevens als bijlage aan de pleitnota gehecht.
Zie arrest, p. 10.
Idem.
Idem, p. 10–11.
Ter illustratie kan worden gewezen op bijvoorbeeld de lening van EUR 1 miljoen van [C] B.V. aan [I] B.V. (zie bewijsmiddel 30) en de lening van EUR 19.000 van [D] B.V. aan [A] B.V. (zie bewijsmiddel 23.) In beide gevallen gaat het om leningen waarbij verzoeker geen partij was. Desalniettemin worden deze leningen door het Hof beschouwd als te zijn verstrekt c.q. aangegaan door verzoeker persoonlijk.
De term ‘vereenzelviging’ wordt door het Hof nergens expliciet gebruikt, mogelijk omdat het — ten onrechte — heeft gemeend dat de enkele vaststelling van misbruik al volstaat om vereenzelviging aan te nemen. Dat is niet het geval (zie ook hieronder randnummer 9 e.v.).
Zie bijvoorbeeld bewijsmiddel 23.
Vgl. over betalingen door een ‘derde’ ook ECLI:NL:HR:2014:98 en ECLI:NL:HR:2022:80.
Voor zover verzoeker heeft kunnen nagaan heeft uw Raad zich nog nimmer in z'n algemeenheid uitgelaten over het leerstuk van misbruik van rechtspersonen en daaruit voortvloeiende vereenzelviging in het strafrecht. Wel is er de nodige jurisprudentie van de strafkamer van uw Raad over vereenzelviging in ontnemingszaken (zie bijv. ECLI:NL:HR:2001: AB 1522, NJ 2001/507 en ECLI:NL:HR:2012:B W 5645, NJ 2012/348), beslagprocedures (bijv. ECLI:NL:HR:1996:ZD0345 en ECLI:NL:HR:2020:1749) en ne bis in idem (zie bijv. ECLI:NL:HR:2022:364, NJ 2022/196). Deze jurisprudentie geeft geen aanleiding om te veronderstellen dat uw Raad een onderscheid maakt tussen ‘vereenzelviging’ in het civiele recht en in het strafrecht.
Zie ECLI:NL:HR:2000: AA 7480, NJ 2000/698 (Rainbow Products) .
Idem, r.o. 3.5. De vordering uit onrechtmatige daad wordt ook wel ‘indirecte doorbraak’ genoemd en vereenzelviging ‘directe doorbraak’.
ECLI:NL:HR:2016:2285, NJ 2017/124(Maple Leaf). Deze zaak draaide om misbruik van een rechtspersoon door een natuurlijke persoon (deze laatste zou op oneigenlijke zijn villa hebben ondergebracht in een stichting zodat deze villa onttrokken was aan verhaal door de werkgever na de ontdekking van grootschalige fraude).
Het mag gelet op het voorgaande niet verbazen dat — zoals AG Assink het recent samenvatte — uw Raad ‘bepaald terughoudend is met het aanmerken van omstandigheden als zodanig uitzonderlijk van aard dat vereenzelviging van de betrokken (rechts)personen dan de meest aangewezen vorm van redres is.’ Zie ECLI:NL:PHR:2024:645, randnummer 3.7.5. Over het waarom van deze terughoudendheid heeft uw Raad zich overigens nooit expliciet uitgelaten (en dit doet voor de onderhavige zaak ook eigenlijk niet ter zake). In de literatuur is echter wel geopperd dat de rechtsvorm van vereenzelviging niet past in het stelsel van de wet en evenmin aansluit bij wel in de wet geregelde gevallen. Zie D.J. van der Kwaak, Een nieuw perspectief voor misbruik van identiteitsverschil: misbruik van recht als fundament voor rechtstreeks verhaal door crediteuren, WPNR 7397 (2013), p. 6. Van der Kwaak voegt daar nog aan toe ‘In het Citco-arrest, waarin de Hoge Raad een vorm van vereenzelviging toepaste, heeft hij in elk geval niet uiteengezet wat de rechtsgrond voor die toepassing was, maar slechts overwogen dat wat met misbruik van identiteitsverschil wordt beoogd ‘in rechte niet behoeft te worden gehonoreerd.’ Dat is een wel heel magere grond om de eigen identiteit van een rechtspersoon geheel opzij te zetten. Voor de hand liggend lijkt daarom dat dit reden is voor de Hoge Raad om met deze figuur uiterst terughoudend te zijn.’
Zie in dit verband in het bijzonder ook de opsomming op p. 11–12 van het arrest.
Wel is er een summiere tot het bewijs gebezigde verklaring van verzoeker (bewijsmiddel 20) over de overboeking van [C] B.V. naar [I] B.V. (‘Dat was in verband met bedreigingen’). Bij gebrek aan verdere details is dit echter onvoldoende om de omissie in de tot het bewijs gebezigde verklaring van [getuige 1] te dekken. Te meer nu het deel van de verklaring van verzoeker dat specifiek over bedreigingen door Turkse mannen gaat (‘Dat bedrag is doorgestort naar de Turken door wie ik werd bedreigd, omdat ik niet wilde dat [naam 1] erbij betrokken raakte’; zie proces-verbaal van de zitting in hoger beroep d.d. 10 mei 2023, p. 3) juist niet door het Hof is overgenomen in bewijsmiddel 20. Dit impliceert dat het Hof dit deel van zijn verklaring niet geloofwaardig heeft geacht. Daarmee is niet, zonder meer, begrijpelijk dat het Hof de bedreiging door Turkse mannen op het punt van misbruik van rechtspersonen ineens weer wel redengevend (en dus betrouwbaar) achtte.
Waarbij nog wordt opgemerkt dat voor zover het de lening door [C] BV betreft vereist is dat ‘vereenzelviging’ wordt aangenomen. Deze lening is immers niet aangegaan door verzoeker persoonlijk maar door [I] B.V. Voor de goede orde: het oordeel van het Hof dat sprake is van vereenzelviging wordt, zoals hiervoor uiteen is gezet, door verzoeker betwist (zie Middel II).
Voor alle duidelijkheid, de lening aan [A] B.V. (Feit 3, onderdeel A) is deels verstrekt door verzoeker persoonlijk en deels door [D] B.V. Indien ‘vereenzelviging’ wordt aangenomen moet ook het deel van de lening dat door [D] B.V. is verstrekt worden beschouwd als door verzoeker persoonlijk te zijn verstrekt (zodat geen sprake is van een lening van een ‘derde’ zoals bij de andere leningen die in dit middel aan de orde zijn wel het geval is). Deze lening blijft in dit middel dus verder buiten beschouwing. Ook hier moet echter worden opgemerkt dat verzoeker betwist dat het Hof terecht ‘vereenzelviging’ heeft aangenomen (zie Middel II).
Dat een en ander bij de lening van [C] BV ten laste is gelegd en bewezenverklaard als ‘het niet verantwoorden van baten’ (Feit 3, onderdeel C) en bij de leningen van [B] en BV participatiemaatschappij [E] als ‘onttrekken aan de boedel’ (Feit 3, onderdeel A is (vermoedelijk) het gevolg van de herziening van art. 341 Sr (per 1 juli 2016). Als gevolg van die herziening zijn diverse — aanvankelijk separaat genoemde verboden gedragingen in art. 341 Sr — samengevoegd onder het containerbegrip ‘onttrekken van enig goed aan de boedel’ komen te vallen, (zie verder ook T&C Sv, aant. 9 bij art. 341 Sr. Ten tijde van de lening van [C] BV (2013) gold nog het oude art. 341 Sr. Ten tijde van de leningen van [B] en BV participatiemaatschappij [E] (2017) was dit wel al het nieuwe art. 341 Sr.
Vgl. ook Prof. mr. B. Wessels, Beschikken door de failliet en betalen aan de failliet, Vermogensrechtelijke Analyses (VRA) 2008/3, p. 2.
Idem, p. 19 (‘Ontstaan voor de schuldenaar na de faillietverklaring verbintenissen en is bij gebrek aan baat de boedel niet aansprakelijk, dan is hijzelf aansprakelijk. Door de gefailleerde aangegane verbintenissen zijn immers alleen relatief nietig ten opzichte van de curator. De door de schuldenaar verrichte handelingen binden de gefailleerde wel persoonlijk jegens de wederpartij. Ná faillietverklaring blijft hij immers handelingsbekwaam en uit een door hem aangegane overeenkomst ontstaan verbintenissen tussen partijen (waaraan evenwel de curator niet gebonden is). Dit is vaste rechtspraak.’)
Zie Prof. mr. T.T. van Zanten, De overeenkomst in het Insolventierecht, R&P 2012, par. 4.5.2.3 (Overeenkomsten die de schuldenaar ná datum faillissement is aangegaan).
Zie ook de al eerder genoemde noot van Wessels (NJ 1975/229): ‘I.v.m. het feit, dat het op de weg van het OM lag aan te tonen, dat de verdachte gehandeld had met het oogmerk van bedrieglijke verkorting van de rechten van de faillissementscrediteuren, zou de steller van de dagvaarding het zich m.i. gemakkelijker gemaakt hebben, indien hij niet het door verdachte ontvangen en onverantwoord laten van de geleende gelden, doch het niet afdragen en verantwoorden van de opbrengst van het later doorverkochte Horeca-bedrijf centraal gesteld had. Afgezien van het feit, dat dit bedrijf blijkens de verklaring van een der getuigen met een winst van ƒ 5000 doorverkocht werd, hetgeen een bate vormde, waarop de faillissementscrediteuren aanspraak konden maken zonder voor deze winst een boedelcrediteur op hun weg te ontmoeten, zou het bij deze benadering op de weg van de verdachte gelegen hebben, waar te maken, dat de door hem bij aankoop betaalde koopprijs geheel voldaan was met behulp van daartoe tijdens het faillissement door hem geleende gelden. Slechts indien hij daarin geslaagd was, zou de verkorting van de rechten van zijn faillissementscrediteuren beperkt gebleven zijn tot het niet aan de curator verantwoorden en afdragen van de bij doorverkoop gemaakte winst.’
Zie ook hierboven voetnoot 31.
Zie bewijsmiddel 25.
Zie bewijsmiddel 27.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat sprake is van een vergoeding van [betrokkene 4] voor het borg staan voor terugbetaling van de lening van [C] B.V. Het is dus zuiverder om te spreken van een ‘vordering’.
Hier onderscheidt deze lening zich van de eveneens in Feit 3, onderdeel B genoemde lening van [naam 3]. Het Hof heeft — in navolging van het betoog van de verdediging (zie pleitaantekeningen hoger beroep, p. 18) — geoordeeld dat deze lening is aangegaan voor het intreden van het faillissement van verzoeker. Dat had als consequentie dat verzoeker is vrijgesproken voor het verwijt dat hem werd gemaakt voor wat betreft het aangaan van deze lening (Feit 3, onderdeel C). Keerzijde is echter dat het zelf zonder toestemming van de curator deels aflossen van deze lening (zoals tenlastegelegd als Feit 3, onderdeel B) dan weer wel het wederrechtelijk bevoordelen van schuldeisers op. Daarbij moet echter worden opgemerkt dat de aflossingen in kwestie (deels) zijn gedaan door [I] B.V. Behoudens ‘vereenzelviging’ zijn dit ‘derden’ ten opzichte van verzoeker zodat een dergelijke aflossing faillissementsrechtelijk bezien door de beugel kan (zie ook hierboven voetnoot 21). Dit onderstreept het belang van de vraag of het Hof terecht ‘vereenzelviging’ heeft aangenomen. Verzoeker meent zoals hiervoor is gebleken van niet (zie Middel II).
Zie o.a. bewijsmiddel 25 en 28.
Strikt genomen ziet de bewezenverklaring van feit 3 onder C op het verdichten van lasten en/of het niet verantwoorden van baten. Blijkens de nadere bewijsoverweging (arrest, p. 13) heeft het Hof echter alleen dat laatste aangenomen en is per abuis het verdichten van lasten niet weggestreept. Mocht uw Raad dat anders zien dan geldt overigens dat het aangaan van een nieuwe lening na datum faillissement uiteraard niet het ‘verdichten van lasten’ op kan leveren. Het gaat daarbij immers om lasten die bestaan voor datum faillissement. De desbetreffende lening is echter na die datum aangegaan en bindt — bij gebrek aan baat — de boedel niet.
Zie ook de verklaring van verzoeker ter zitting in hoger beroep (‘Ik ben failliet gegaan door de historie met [K] en alle rechtszaken. Het was een hel.’ PV van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 10 mei 2023, p. 5) en de verklaring van de curator dat hij ook de curator was van [K] BV (bewijsmiddel 17).
Zie arrest, p. 19.
Vgl. ook bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2017:1298, r.o. 2.3 (over broodmes en foedraal) en ECLI:NL:HR:2023:225 (auto met verborgen ruimte)