Vastgoedtransacties in de Europese btw
Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/7.6.4.3:7.6.4.3 Praktijk lidstaten
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/7.6.4.3
7.6.4.3 Praktijk lidstaten
Documentgegevens:
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291228:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De gegevens in dit overzicht zijn ontleend aan: F. Annacondia, EU VAT Compass 2020/2021, Amsterdam: IBFD 2020, p. 841-844.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de meeste lidstaten zijn één of meerdere verhuurhandelingen uitgesloten van de vrijstelling voor de verhuur van onroerend goed. Slechts een paar lidstaten, waaronder Nederland, hebben van de ‘uitsluitingsmogelijkheid’ die art. 135 lid 2, laatste zin Btw-richtlijn biedt in het geheel geen gebruikgemaakt. In onderstaande tabel is een globaal overzicht gegeven van de verhuurdiensten die in de lidstaten van de verhuurvrijstelling zijn uitgesloten.1
Lidstaten
Uitgesloten verhuuractiviteit
AT, CZ, DE, ES, FR, IT, LU, MT, SK,
Kortdurende verhuur (bepaald) residentieel onroerend goed
BE, BG, ES, FR, HR, IT, LU, LV, MT, PL, SE
Verhuur (bepaald) bedrijfsvastgoed
HR
Verhuur niet-residentieel onroerend goed
FI
Verlenen van vis- en jachtrechten
BE, ES
Verhuur bergruimte
ES, FI, PT
Verhuur onroerend goed voor advertentie en/of tentoonstellingsdoeleinden
FI
Kortdurende verhuur vergader-, tentoonstellings- en sportruimte
BE, FI
Verhuur in het kader van de exploitatie van (lucht)havens en/of bevaarbare waterlopen
Bovenstaand overzicht laat zien dat veel EU-lidstaten de kortdurende verhuur van (bepaald) residentieel onroerend goed van de vrijstelling uitsluiten vanwege de (potentiële) concurrentie met de verhuur van hotelaccommodatie. In Nederland wordt dit resultaat ook bereikt, maar dan met een ruime uitleg van de uitzondering voor de verhuur van hotelaccommodatie (zie paragraaf 7.6.1.3). Hieruit blijkt een brede consensus tussen de EU-lidstaten over het onderscheid tussen de veelal langdurende verhuur van woonruimte (vrijgesteld) versus de kortdurende verhuur van accommodatie voor andere dan woondoeleinden (belast). Een dergelijk onderscheid strook ook met de ratio van art. 135 lid 1, onderdeel l Btw-richtlijn (zie paragraaf 7.3).
Het tweede dat er in de tabel uitspringt is dat een behoorlijk aantal lidstaten lidstaten de verhuur van (bepaald) bedrijfsvastgoed uitzonderen. De gedachte hierachter is dat een vrijstelling voor de verhuur van dit vastgoed veelal leidt tot cumulatie, hetgeen in strijd is met beginsel van de fiscale neutraliteit. Die cumulatie kan weliswaar ook worden weggenomen door de optie voor belaste verhuur, maar het van rechtswege belasten van deze verhuurdiensten voorkomt ‘cherry picking’ (lees: alleen opteren als het in het voordeel van de verhuurder en in het nadeel van de schatkist is) alsmede de administratieve lasten en onzekerheden (bijv. het al dan niet kunnen voldoen aan de eis van een bepaalde mate van aftrekgerechtigd gebruik door de huurder) die aan de optieregeling verbonden kunnen zijn (zie paragraaf 7.7.4). Zoals in 7.6.2.2.1.3 is aangegeven, voorkomt de uitsluiting van de verhuur van bergruimte dat discussie nodig is over de vraag of de verhuur van een garagebox die door huurder gebruikt wordt als bergruimte al dan niet als parkeerruimte kwalificeert. Omdat in Nederland de verhuur van een garagebox die door huurder gebruikt wordt als bergruimte aangemerkt wordt als de van rechtswege belaste verhuur van parkeerruimte indien het gebruik als parkeerruimte niet is uitgesloten, zou een uitsluiting van de verhuur van bergruimte in Nederland een verstoring van de concurrentieneutraliteit wegnemen (zie paragraaf 7.6.2.2.1.3).