Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/7.2.5.2:7.2.5.2 Het respecteren van de volgtijdelijkheid der dingen
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/7.2.5.2
7.2.5.2 Het respecteren van de volgtijdelijkheid der dingen
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946244:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De tweede – en meest wezenlijke – kanttekening ten aanzien van de relativering van vormvereisten bij het indienen van een klacht betreft de noodzaak om de volgtijdelijkheid der dingen te respecteren. Daarbij staat het – in paragraaf 2.4 omschreven – uitgangspunt centraal: opsporing en vervolging dienen pas plaats te hebben vanaf het moment dat daadwerkelijk is vastgesteld dat een klachtgerechtigde om vervolging verzoekt. De wijze waarop in de rechtspraktijk met dit uitgangspunt wordt omgegaan is vooralsnog niet problematisch, maar het voornemen om de klachttermijn te laten vervallen is een complicerende factor. Dat verdient nadere toelichting.
Bij de jurisprudentie van de Hoge Raad over het passeren van gebreken ten aanzien van de klacht is een punt van gewicht dat moet zijn vastgesteld dat de klager “ten tijde van” het opmaken van het als klacht bedoelde stuk de bedoeling had dat vervolging zou worden ingesteld.1 De Hoge Raad hecht hier in het bijzonder waarde aan, omdat moet worden vastgesteld dat de klacht is ingediend binnen de klachttermijn van drie maanden. Het maakt ook dat steeds wordt vastgesteld dat in een vroeg stadium de wens tot vervolging bestond en is geuit, hetgeen normaliter het startpunt van de opsporing en vervolging van klachtdelicten zal markeren. De situatie zal echter wezenlijk veranderen als wordt ingestemd met het in hoofdstuk 6 beschreven voorliggende voorstel om bij de invoering van het nieuwe Wetboek van Strafvordering de klachttermijn te laten vervallen. In hoofdstuk 3 kwam reeds aan bod dat de gevolgen daarvan voorzienbaar zijn, omdat tussen 1991 en 2002 de klachttermijn bij diverse zedenfeiten al was gelijkgesteld met de verjaringstermijn. Dit leidde tot rechtspraak waarin de Hoge Raad accepteerde dat in hoger beroep subsidiair een klachtdelict aan de tenlastelegging werd toegevoegd, waarna de klacht via een verklaring ter zitting in hoger beroep werd ingewonnen. 2De Hoge Raad achtte doorslaggevend dat (uiteindelijk) een uitdrukkelijk verzoek tot vervolging kon worden vastgesteld en dat dit verzoek binnen de klachttermijn was gedaan. Deze zaak laat zien dat de jurisprudentie die ziet op art. 164 Sv in combinatie met het verdwijnen van de klachttermijn maakt dat nauwelijks beperkingen meer zullen bestaan ten aanzien van de wijze en het moment waarop de klacht kan worden vastgesteld. Ook een verklaring van de klachtgerechtigde ter zitting in hoger beroep kan volstaan. Als de Hoge Raad na het vervallen van de klachttermijn besluit om deze lijn in zijn algemeenheid ten aanzien van klachtdelicten te volgen dan betekent dit dat voor een klacht volstaat dat de klachtgerechtigde ergens gedurende de verjaringstermijn te kennen geeft dat hij prijs stelt op vervolging.
Dit kan echter tot problemen leiden waar het draait om de rechtmatigheid van reeds verrichte opsporing en vervolging. In de jurisprudentie worden reeds verrichte opsporings- en vervolgingshandelingen acceptabel geacht als de rechter uiteindelijk kan vaststellen dat sprake is van een klacht. De klacht heeft op dit moment dus een zuiverende werking op eerder verrichte opsporing en vervolging. Dat wordt – met het oog op de ratio achter de regeling van klachtdelicten – tot op heden niet problematisch geacht. Daarbij speelt een rol dat de klachtgerechtigde binnen drie maanden na kennisname van het delict wel degelijk de wens tot vervolging moet hebben geuit. Na het vervallen van de klachttermijn kan een klacht echter ook jaren later nog worden ingediend. Het is onwenselijk dat alle opsporing en vervolging die tot dan toe is verricht, rechtmatig wordt geacht vanwege een (veel later ) geuite wens tot vervolging. Aan de regeling van klachtdelicten ligt immers de idee ten grondslag dat het initiatief tot opsporing en vervolging uitgaat van de klachtgerechtigde en dat opsporing en vervolging achterwege blijven totdat een klacht is ingediend. Het is een reëel risico dat de klacht die drempelfunctie in de praktijk niet, of in mindere mate, zal vervullen indien politie en justitie zonder een klacht opsporings- en vervolgingshandelingen kunnen verrichten in de wetenschap dat die werkzaamheden (veel) later nog kunnen worden geaccordeerd door het klachtgerechtigde slachtoffer. Ter voorkoming van door de klachtgerechtigde niet gewenste opsporing verdient het dan ook de voorkeur om het moment waarop de wens tot vervolging wordt geuit te beschouwen als het moment vanaf waarop politie en justitie rechtmatig kunnen optreden tegen klachtdelicten.
Dat is des te meer van belang nu geen recht wordt gedaan aan de positie van een klachtgerechtigde indien hij bij de rechtbank of het gerechtshof als getuige kan worden opgeroepen om duidelijk maken of hij de vervolging wenselijk acht. De klachtgerechtigde die geen prijs stelt op vervolging had immers niet geconfronteerd dienen te worden met een (onwenselijk geachte) vervolging en de ruchtbaarheid die daarmee gepaard gaat. Met een dergelijke gang van zaken wordt reeds tekortgedaan aan het belang van de klachtgerechtigde dat de regeling van klachtdelicten pleegt te beschermen. Het leidt tot secundaire victimisatie die voorkomen kan worden door de regeling van klachtdelicten meer secuur toe te passen.
Het moment waarop een klacht wordt ingediend is dus niet slechts van belang om te toetsen aan de klachttermijn en verjaringstermijn, maar dat moment moet ook het startpunt van rechtmatige opsporings- en vervolgingshandelingen markeren. De resultaten van het onderzoek dat is verricht voorafgaand aan een klacht dienen van het bewijs te worden uitgesloten, zodat de opsporingsautoriteiten het belang van de volgordelijkheid der dingen wordt ingescherpt. Bij klachtdelicten is het simpelweg de klacht die als startschot moet fungeren voor strafvorderlijke activiteiten.