Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/3.3.2
3.3.2 Leenrechten en heerlijke rechten
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264474:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
L.F. 2,1,1; L.F. 2,23,1 (Obertus de Orto); De Groot, Inleydinge, nr. 2.41.1; De Blécourt 1918, p. 53-54; De Blécourt 1939, p. 297 en 301; Ganshof 1982, p. 13; Van der Walt 1992, p. 510-511; Van Peteghem 2001, p. 246; Zwalve 2006, p. 49-51; Bezemer 2016, p. 3.
De Blécourt 1918, p. 54-56; Visagie 1974, p. 51-52; Ganshof 1982, p. 153, 200-201 en 224-225.
L.F. 2,1pr (Obertus de Orto); Van der Keessel, Praelectiones, nr. 2.41.1; Visagie 1974, p. 1 en 76; Ganshof 1982, p. 225-230; Zwalve p. 51-53; Bezemer 2016, p. 3.
De Groot, Inleydinge, nr. 2.42.8; Bort, Alle de wercken, nr. 6.3.1 en 6.3.7; Van der Keessel, Praelectiones, nr. 2.42.8; De Blécourt 1939, p. 309; Visagie 1974, p. 112-113; Ganshof 1982, p. 204-208.
Van Leeuwen, Rooms-Hollands-Regt, nr. 166; De Blécourt 1918, p. 51; 73-74; De Blécourt 1939, p. 300; Van der Heijden/Hermesdorf 1965, p. 83-87; Visagie 1974, p. 2 en 62-63; Ganshof 1982, p. 242. Vgl. L.F. 2,1,1.
De Blécourt 1918, p. 66-76; Ganshof 1982, p. 242.
Visagie 1974, p. 62-63; Ganshof 1982, p. 242.
De Blécourt 1918, p. 72-73; Visagie 1974, p. 45-47.
De Blécourt 1918, p. 53-54; De Blécourt 1939, p. 298-299; Ganshof 1982, p. 180. Ik beperk mij tot heerlijke rechten die in leen zijn gegeven. Daarbij ga ik uit dat de heerlijke rechten en leenrechten met betrekking tot één stuk grond in dezelfde hand zijn. Ik ga niet in op het ontstaan van heerlijke rechten die ontstaan uit immuniteiten, vgl. De Blécourt 1918, p. 47-57; Visagie 1974, p. 45-47.
Van Leeuwen, Rooms-Hollands-Regt, nr. 166; Visagie 1974, p. 62; De Blécourt 1918, p. 73; Ganshof 1982, p. 242-245.
Bort, Alle de wercken, nr. 6.4.5; De Groot, Inleydinge, nr. 2.41.32; Van der Keessel, Praelectiones, nr. 2.41.32; De Blécourt 1939, p. 309; Visagie 1974, p. 129.
Zie §3.3.1 voor een uitleg van de termen ‘hofrechten’ en ‘heergewaden’.
L.F. 2,2; Van Leeuwen, Rooms-Hollands-Regt, nr. 2.15.5; Bort, Alle de wercken, nr. 5.4.1-5.4.9; Bort, Alle de wercken, nr. 3.1.1-3.1.2 en 5.1.1-5.1.6; Van der Keessel, Praelectiones, nr. 2.42.1-2.42.3; De Blécourt 1939, p. 301-302; Visagie 1974, p. 73-76.
Negusantius, De pignoribus et hypothecis, nr. 2.2.43-2.2.44; Van Leeuwen, Rooms-Hollands-Regt, nr. 2.15.7; Bort, Alle de wercken, nr. 5.5.1-5.5.2, in het bijzonder 5.5.1.29-5.5.1.32; Visagie 1974, p. 76-78; Van der Keessel, Praelectiones, nr. 2.42.3; Ganshof 1982, p. 231.
Bartolus, Super secunda digesti veteris, ad D. 20,1,11,3; Negusantius, De pignoribus et hypothecis, nr. 2.2.48; Planitz 1982, p. 36-39, 47, 67, 134; Landwehr 1967, p. 375-379; Ligthart 2014, p. 56; Heirbaut 2000, p. 193. Zie ook Ganshof 1982, p. 196-197. Volgens Ganshof nam de verpanding van een leenrecht veelal de vorm aan van vestiging van een (achter)leenrecht tot zekerheid.
Planitz 1982, p. 58-61; Heirbaut 2000, p. 193. Zie voorts §3.3.1: onroerende zaken. Pandaktes zijn te vinden in Cerutti/Van den Bergh 1972, p. 372-376; Planitz 1982, p. 78-128. Zie voorts het gehele werk Landwehr 1967.
Landwehr 1967, p. 344-347. Zie voorts §3.3.9.
Negusantius, De pignoribus et hypothecis, nr. 3.1.32; Landwehr 1967, p. 142-147, 343-344 en 349-350; Planitz 1982, p. 92; Bary, Laugs & Wientjes 1984, p. 26.
Landwehr 1967, p. 144-146; Planitz 1982, p. 49; Ligthart 2014, p. 58.
Génestal 1901, p. 22; Landwehr 1967, p. 146; Planitz 1982, p. 108-109.
Génestal 1901, p. 22; Cerutti/Van den Bergh 1972, p. 374-375; Planitz 1982, p. 137; Ligthart 2014, p. 65.
Planitz 1982, p. 49 en 92.
Landwehr 1967, p. 343-344; Planitz 1982, p. 102.
Heusler 1886, p. 130; Planitz 1982, p. 84-116, 136-138; Bary, Laugs & Wientjes 1984, p. 26; Ligthart 2014, p. 63-65; Flokstra 2015, p. 27 e.v. Vgl. Negusantius, De pignoribus et hypothecis, nr. 3.1.34.
Planitz 1982, p. 101-102.
Planitz 1982, p. 91-95, 106-107, 119-120.
Landwehr 1967, p. 315-319.
Anders: Landwehr 1967, p. 356.
Vgl. D. 20,1,13,pr (Marcianus); D. 20,1,34,pr (Scaevola); D. 41,3,30,pr (Pomponius).
Ontleend aan Van Hoof 2015, p. 59-60.
Negusantius 1607, nr. 3.1.34. Zie voor de betekenis van castrum ook Heumann/Seckel 1958, p. 58; Pinkster 2003, p. 141.
Van Hoof 2015, p. 81-82.
Cerutti/Van den Bergh 1972, p. 346; Planitz 1982, p. 84-85, 91-95, 119-120 en 137-138; Ligthart 2014, p. 56 en 65. Vgl. Negusantius, De pignoribus et hypothecis, nr. 2.2.48 en 3.1.34. Zie ook Landwehr 1967, p. 317. De pandakte die Landwehr op die plek citeert, lijkt in tegenspraak met zijn latere conclusie dat de pandgebruiker van een stad slechts bevoegd was om publiekrechtelijke rechten uit te oefenen.
De vertalingen van de pandakte van de stad Nijmegen zijn eigen vertalingen.
Eigen vertaling. Het Latijn komt uit Sloet 1872-1876, p. 688-689. Castrum apud Noviomagium cum omnibus attinentiis suis, opidis, villis, agris, cultis et incultis, nemoribus, pratis, aquarum decursibus, piscationibus, vasallis, ministerialibus, servis, manumissis ac omnibus.
Intermezzo: algemene inleiding op leenrechten en heerlijke rechten
Leenrechten waren zakelijke en in beginsel overerfelijke rechten waarbij de gerechtigde, de leenman, het genot had van een onroerende zaak. Daarnaast had de leenman recht op bescherming van de eigenaar van de in leen gegeven grond, de leenheer. Tegenover deze rechten stonden de verplichtingen om aan de leenheer manschappen en hulde te geven en hofrechten en heergewaden te betalen.1 Leenrechten ontstonden uit een overeenkomst van vazalliteit. Dit was een overeenkomst tussen de leenheer, de eigenaar van een onroerende zaak, en de leenman. Bij overeenkomst van vazalliteit bezwaarde de leenheer een onroerende zaak met een leenrecht ten gunste van de leenman. Een leenman kon zijn leenrecht op zijn beurt weer aan een ander in leen geven.2
De overeenkomst van vazalliteit en het inheemse recht bepaalden de aard en inhoud van het leenrecht. Alle rechten en verplichtingen die uit de overeenkomst van vazalliteit voortvloeiden, werden onderdeel van het (goederenrechtelijke) leenrecht. Als het leenrecht overging onder algemene of bijzondere titel, gingen de rechten en verplichtingen die onderdeel waren van het leenrecht mee over.3
Het leenrecht van de leenman omvatte het dominium utile. Dit was een genotsrecht van het stuk grond. De leenman mocht het stuk grond gebruiken en alle voordelen die uit het leen afkomstig waren, kwamen hem ten goede.4
De leenman kreeg naast het dominium utile echter ook vaak bevoegdheden in leen die wij tegenwoordig zouden kwalificeren als publiekrechtelijke bevoegdheden.5 In dit verband kan gedacht worden aan de bevoegdheid om recht te spreken en te besturen,6 of aan de heffing van belastingen.7 Zulke publiekrechtelijke bevoegdheden die voortvloeiden uit het recht op een stuk grond worden ook wel aangeduid als heerlijke rechten.8
Anders dan tegenwoordig was delegatie van deze publiekrechtelijke bevoegdheden door de leenheer aan de leenman een kwestie die het privaatrecht beheerste. Publiekrechtelijke bevoegdheden konden namelijk in leen worden gegeven op dezelfde wijze als een stuk.9 De leenheer kon deze zaak samen met alle bijkomende (publiekrechtelijke) rechten in leen geven. Hij kon echter ook een specifiek publiekrechtelijk recht in leen geven. Dit kon het enkele genot van een stuk grond zijn (zonder bestuurlijke of rechtsprekende bevoegdheden), of juist een publiekrechtelijke bevoegdheid van rechtspraak of bestuur.10
De overeenkomst van vazalliteit bracht niet alleen rechten voor de leenman mee, maar ook verplichtingen. Zo kwamen alle kosten die betrekking hadden op de onroerende zaak die in leen was gegeven voor rekening van de leenman.11 Voorts was de leenman manschappen verschuldigd in geval van oorlog. Ten slotte traden enkele verplichtingen in werking bij iedere overgang van het leen onder algemene of bijzondere titel. Dit waren de verplichting tot aanvraag van investituur (bevestiging van het leenrecht door de leenheer) en het betonen van de bijbehorende hulde, heergewaden en hofrechten.12
Op de vestiging of de overdracht van een leenrecht waren de vereisten voor een eigendomsoverdracht van overeenkomstige toepassing. Vereist waren beschikkingsbevoegdheid, een geldige titel en een levering of vestigingshandeling.13 Als de leenman een leen wilde vervreemden, hadden zijn bloedverwanten bovendien een voorkeursrecht. Zij hadden het recht om het leen te kopen voor dezelfde prijs als de vervreemdende leenman met zijn wederpartij was overeengekomen. Dit voorkeursrecht is bekend komen te staan als het naastingsrecht. Maakten de bloedverwanten van de vervreemdende leenman geen gebruik van het naastingsrecht, dan kwam het toe aan de leenheer. Oefende één van de daartoe gerechtigden het naastingsrecht uit, dan werd diegene de nieuwe rechthebbende van het leen, en niet de oorspronkelijke wederpartij van de vervreemdende leenman.14
Rechtsgevolgen van de vestiging van een pandrecht
Zoals gezegd in §3.2.3 was de vervreemding van leenrechten problematisch. Voor de pandhouder van een leenrecht zat de zekerheidswaarde dan ook niet in het recht om een leenrecht te verkopen en zich met voorrang uit de opbrengst te voldoen. De zekerheidswaarde van leenrechten zat veelal in de gebruikswaarde van het leenrecht. De verpanding van leenrechten was niet gericht op een latere executoriale verkoop van het leenrecht, maar op exploitatie van het leenrecht door de pandhouder. De verpanding van een leenrecht bracht dan ook veelal mee dat een recht van pandgebruik tot stand kwam. De pandgebruiker kon de aan hem verpande leenrechten uitoefenen. De opbrengst (vruchten) die hij hiermee genereerde, kwam hem toe.15
Rustte het pandrecht op een leenrecht, dat privaatrechtelijke bevoegdheden gaf ten aanzien van onroerende zaken, dan trad de pandgebruiker in deze bevoegdheden voor de duur van het pandrecht. De leenman was meestal gerechtigd tot gebruik en vruchttrekking van de leengoederen. Deze bevoegdheden gingen dus over op de pandgebruiker. Dit betekende dat de privaatrechtelijke bevoegdheden van een pandgebruiker van leenrechten op onroerende zaken nauwelijks verschilden van die van de pandgebruiker van de (volledige) eigendom van onroerende zaken. De pandgebruiker van leengoederen werd bevoegd om deze leengoederen te gebruiken, te bewonen of te verhuren.16 Als de leenman-pandgever leengoederen had verhuurd of verpacht, werd de pandgebruiker bevoegd om de huur- of pachtpenningen te innen.17
Betrof het verpande leengoed een heerlijk (publiekrechtelijk) recht, dan werd de pandgebruiker bevoegd om dit recht uit te oefenen. Kreeg de pandhouder bijvoorbeeld een publiekrechtelijk ambt in pand, zoals het rechtersambt, dan was hij bevoegd dit ambt uit te oefenen voor de duur van zijn pandrecht. Inkomsten van de uitoefening van zo’n ambt waren bijvoorbeeld leges.18 Een ander voorbeeld is de verpanding van het recht om belasting te innen. Wat de pandhouder op grond van zijn pandrecht aan belasting inde of liet innen onder belastingplichtigen kwam hem toe als vruchtopbrengst.19 In dit verband kan gedacht worden aan de heffing van marktgelden20, tienden21 en tollen.22 De pandgebruiker had ten slotte het recht ambtenaren te benoemen om de aan hem verpande publiekrechtelijke bevoegdheden namens hem uit te oefenen.23
De bevoegdheden tot uitoefening van verpande leenrechten en heerlijke rechten kwamen samen bij de verpanding van leenrechten op grondgebieden die een bestuurlijke eenheid vormden, zoals een stad, een graafschap of een hertogdom. In het bijzonder steden en de daarin gelegen burchten waren populaire zekerheidsobjecten bij transacties tussen leden van de vermogende bovenlaag van de samenleving. Zo heeft de middeleeuwse landadel honderden steden en domeinen verpand.24 Het voor een recht van pandgebruik vereiste bezit kwam op drie manieren tot uitdrukking. Ten eerste mocht de pandgebruiker de publiekrechtelijke bevoegdheden van de stad uitoefenen.25 Ten tweede kreeg hij het bezit van de in een stad gelegen burchten en andere (feodale) landerijen die toebehoorden aan de pandgever.26 Ten derde was hij gerechtigd tot alle inkomsten die uit de stad voortkwamen27, ongeacht of deze inkomsten een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke grondslag hadden.28
Aannemelijk is dat het pandrecht op een stad kwalificeerde als het pandrecht op een algemeenheid van vermogensrechten (universitas).29 De leenrechten en heerlijke rechten waren afzonderlijke rechten, maar zij werden verenigd onder één gemeenschappelijke noemer: een stad.30 Een aanwijzing hiervoor is te vinden bij Negusantius. Hij duidde een stad in het kader van verpanding aan met één term: castrum.31 De kwalificatie van een stad als een algemeenheid van vermogensrechten betekende dat bij de verpanding van een stad een speciaal pandrecht kwam te rusten op ieder afzonderlijk recht dat bij de stad hoorde.32
Volgens Landwehr bracht een pandrecht op een stad enkel mee dat de pandgebruiker bevoegd was om aan de stad verbonden publiekrechtelijke bevoegdheden uit te oefenen. Ik meen echter dat een pandrecht op een stad zowel de verpanding van (privaatrechtelijke) leenrechten als (publiekrechtelijke) heerlijke rechten meebracht. Het was onomstreden dat de pandgebruiker van een stad bevoegd was tot de inning van pacht. Het pandrecht kwam, zoals aangegeven, bovendien ook te rusten op de leenrechten die de pandgever zelf in de stad had, zoals een burcht en bijbehorende landerijen. Dit betekent dat de pandgebruiker wel degelijk bevoegd was om privaatrechtelijke bevoegdheden ten aanzien van de stad uit te oefenen.33 Hiervoor pleit ook dat het recht van pandgebruik een privaatrechtelijke rechtsfiguur was. Het ligt voor de hand dat dit recht bij de verpanding van een stad naast de publiekrechtelijke rechten ook kwam te rusten op de privaatrechtelijke rechten. Dit vindt steun in de pandakte van de stad Nijmegen. In deze akte vestigde Rooms Koning Willem een pandrecht op Nijmegen ten gunste van Graaf Otto van Gelre en Zutphen. Dit pandrecht kwam te rusten op de volgende goederen:34
“de burcht bij Nijmegen met al zijn toebehoren, dorpen, huizen, akkers bebouwd en onbebouwd, bossen, weiden, stromende wateren, visserijrechten, vazallen, dienaren, slaven, en alle vrijgelatenen.”35
In deze akte kwam het pandrecht te rusten op enkele – privaatrechtelijke – onroerende zaken, zoals huizen, akkers, bossen en weiden. Als het recht van pandgebruik kwam te rusten op privaatrechtelijke rechten, ligt het voor de hand dat de pandgebruiker deze privaatrechtelijke rechten ook mocht uitoefenen.