Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/4.2.4
4.2.4 Het recht op een eerlijke behandeling
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192711:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Het EHRM heeft in een reeks arresten bepaald dat de vaststelling van burgerlijke rechten of verplichtingen niet alleen in contentieuze procedures plaatsvindt. Zie daarover uitgebreid Witteman e.a., in Sdu Commentaar Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, onder C2.
Het uit art. 6 EVRM voortvloeiende recht op toegang tot de rechter laat ik rusten. Uit de procedure waarborgen van art. 1 EP EVRM (zie nr. 111) volgt immers al dat in het kader van een pre-insolventieakkoordprocedure een gang naar de rechter mogelijk moet zijn. Ook het recht op berechting binnen een redelijke termijn laat ik rusten. Gelet op de korte tijdsspanne waarin een pre-insolventieakkoord tot stand dient te komen, verwacht ik geen problemen hieromtrent. Ook veronderstel ik dat de Nederlandse rechters onpartijdig en onafhankelijk zijn.
Smits 2008, p. 102.
Zie hierover uitgebreider Smits 2008, §3.3; Asser Procesrecht/Giesen 1 2015, hoofdstuk 7.
Asser Procesrecht/Giesen 1 2015/301-303; Smits 2008, §3.4. Zie hierover ook EHRM 27 oktober 1993, NJ 1994/534 m.nt. Snijders en Dommering (Dombo/Nederland).
Asser Procesrecht/Giesen 1 2015/446-452; Smits 2008, §3.5.
EHRM 17 januari 1970, 2689/65 (Delcourt/België), §25.
EHRM 18 februari 1997, 18990/91 (Nideröst-Huber/Zwitserland), §30.
EHRM 20 september 2011, 14902/04, EHRC 2011/160 m.nt. Wessels (OAO Neftyanaya Kompaniya Yukos/Rusland), §541.
EHRM 17 maart 2015, 47315/13, 48490/13 en 49016/13, EHRC 2015/143 m.nt. Sluysmans & De Graaff (Adorisio/Nederland).
Zie bijvoorbeeld EHRM 22 februari 1984, 8209/78 (Sutter/Zwitserland), §26.
Zie over de ratio van openbare rechtspraak in het algemeen Asser Procesrecht/Giesen 1 2015/339; Smits 2008, §4.1.3.
EHRM 24 april 2001, 36337/97 en 35974/97 (B&T/Verenigd Koninkrijk), §37-40; EHRM 12 april 2006, 58675/00 (Martinie/Frankrijk), §42-44; Asser Procesrecht/Giesen 1 2015/350-352; Smits 2008, §4.3.4.
EHRM 21 september 2006, 12643/02 (Moser/Oostenrijk), §96.
Wanneer de procedure echter voorschrijft dat een verzoek in het openbaar moet worden behandeld, zal niet-naleving van dat vormvoorschrift tot nietigheid. Vgl. HR 2 december 1988, NJ 1989/301 over de homologatie van een faillissementsakkoord.
HR 20 mei 1988, NJ 1989/676 m.nt. Maeijer en Alkema (Koster/curator Kobo), ro. 3.1.
HR 26 juni 1981, NJ 1982/450 m.nt. Maeijer en Alkema (Aken/Savelberg Electro), ro. 8; HR 20 mei 1988, NJ 1989/676 m.nt. Maeijer en Alkema (Koster/curator Kobo), ro. 3.1.
Smits 2008, §4.3.4.2.
Asser Procesrecht/Giesen 1 2015/352; Smits 2008, §4.3.4.2.
HR 20 mei 1988, NJ 1989/676 m.nt. Maeijer en Alkema (Koster/curator Kobo). ,
Asser Procesrecht/Giesen 1 2015/359; Kruijer 2007 §3; Verkerk & Woutering 2013, p. 87. Zie over deze discussie ook Wessels Insolventierecht I 2018/1268-1270.
Zie bijv. EHRM 23 juni 1981, NJ 1982/602 m.nt. Alkema (Van Leuven en De Meyere/België); §59; Asser/Procesrecht Giesen 1 2015/31.
Alkema in zijn noot onder HR 20 mei 1988, NJ 1989/676 m.nt. Maeijer en Alkema (Koster/curator Kobo); Smits 2008, §4.3.5.
Asser Procesrecht/Giesen 1 2015/341-344 EHRM 24 april 2001, 36337/97 en 35974/97 (B&T/Verenigd Koninkrijk), §45; EHRM 22 februari 1984, 8209/78 (Sutter/Zwitserland), §33; Smits 2008, §4.5.2.
EHRM 22 februari 1984, 8209/78 (Sutter/Zwitserland), §34.
EHRM 24 april 2001, 36337/97 en 35974/97 (B&T/Verenigd Koninkrijk), §47-48; Asser Procesrecht/Giesen 1 2015/345, 346 en 353; Verkerk & Woutering 2013, p. 85.
Op dit punt zou nader onderzoek naar de uit art. 6 EVRM voortvloeiende ondergrens aan een openbare uitspraak interessant zijn, mede gelet op de in de WHOA geïntroduceerde besloten akkoordprocedure. Zie over de besloten akkoordprocedure in het algemeen: §5.2.4. Vriesendorp & Van Kesteren pleiten er overigens voor dat uitspraken in het kader van besloten akkoordprocedures in geanonimiseerde vorm moeten worden gepubliceerd, om zo de voorspelbaarheid, rechtszekerheid en deal certainty te vergroten. Zie Vriesendorp & Van Kesteren 2019, §6.2.
114. Art. 6 lid 1 EVRM luidt:
“Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.”
Een gehomologeerd pre-insolventieakkoord leidt tot wijziging van de rechtsverhouding tussen de betrokken vermogensverschaffers en de schuldenaar. Het gehomologeerde akkoord leidt aldus tot de vaststelling van burgerlijke rechten of verplichtingen, zoals bedoeld in art. 6 EVRM.1 In dergelijke gevallen heeft eenieder recht op een openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig bij de wet ingesteld gerecht, binnen een redelijke termijn. Bovendien schrijft art. 6 EVRM voor dat de uitspraak in het openbaar moet plaatsvinden. Hieronder passeren in een notendop enkele elementen van art. 6 EVRM de revue, te weten het recht op een eerlijke behandeling en het recht op een openbare behandeling.2
115. Het recht op een eerlijke behandeling omvat diverse deelaspecten. In de eerste plaats hebben partijen het recht om “in voldoende mate en op gepaste wijze in de gelegenheid te worden gesteld om zich als partij in zowel feitelijk als juridisch opzicht over een zaak uit te laten”.3 Partijen hebben het recht om gehoord te worden. Zij moeten daartoe op een behoorlijke manier worden opgeroepen. Partijen moeten kennis kunnen nemen van de in de procedure naar voren gebrachte feiten en processtukken en moeten daar ten overstaan van een rechter op kunnen reageren. 4 Verder omvat art. 6 EVRM het recht op gelijke proceskansen, het equality of arms-principe. Op grond van dit beginsel mag een procespartij in de procesgang niet worden benadeeld ten opzichte van een andere partij.5 Ten derde hebben partijen recht op een deugdelijke motivering van rechterlijke uitspraken.6 Ten slotte verdient vermelding dat uit art. 6 EVRM geen recht op hoger beroep voortvloeit.7
Een pre-insolventieakkoord zal doorgaans onder de nodige tijdsdruk tot stand komen. Het EHRM oordeelde dat de wens om tijd te besparen en het proces te versnellen niet rechtvaardigt dat een fundamenteel beginsel zoals het recht om gehoord te worden veronachtzaamd wordt.8 In een Yukos-zaak oordeelde het EHRM: “[E]ven though it is no doubt important to conduct proceedings at good speed, this should not be done at the expense of the procedural rights of one of the parties, especially given the relatively short overall duration of the proceedings for a case of such magnitude and complexity”.9 Bij de nationalisatie van SNS-bank kregen de betrokkenen zeer kort de tijd om zich voor te bereiden op de zitting. Zij ontvingen daags voor de zitting (om 17.00u!) de relevante stukken. Bovendien werd een zeer korte beroepstermijn gehanteerd. Toch oordeelde het EHRM dat er geen schending van art. 6 EVRM had plaatsgevonden. De werkwijze van de Nederlandse staat kon, in het licht van de zeer uitzonderlijke omstandigheden, door de beugel.10 In het geval van SNS ging het om het dreigende faillissement van een systeemrelevante bank. In geval van een pre-insolventieakkoord zal echter doorgaans niet de stabiliteit van de economie als geheel op het spel staan. Bij het inrichten van een efficiënt pre-insolventieakkoordproces moet dus een balans worden gevonden tussen snelheid en het respecteren van het recht op een eerlijke behandeling.
116. Art. 6 lid 1 EVRM bepaalt expliciet dat eenieder recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak.11 Bovendien dient de uitspraak in het openbaar te worden gewezen. Met het principe van openbare rechtspraak hoopt het EHRM procespartijen te beschermen tegen “administration of justice in secret with no public scrutiny”.12 Openbare rechtspraak dient de publieke controle van de rechtspleging, hetgeen bijdraagt aan het vertrouwen in de rechtspraak. De openbaarheid draagt ook op zichzelf bij aan een eerlijk proces. Het recht op een openbare behandeling is zo bezien niet slechts van belang voor de betrokken procespartijen, maar ook in het algemeen belang van alle rechtzoekenden.13
Op grond van de tweede zin van art. 6 lid 1 EVRM kunnen de zittingsdeuren gesloten worden in het belang van de goede zeden, de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privéleven van procespartijen dit eisen. Ook kan de rechter de deuren sluiten wanneer hij dit in bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk acht, omdat de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.14 Voor zover de wet een gehele categorie procedures achter gesloten deuren wil laten plaatsvinden, dient dit te berusten op een van de in art. 6 lid 1 EVRM genoemde gronden. In dergelijke gevallen moeten procespartijen tenminste de mogelijkheid hebben om alsnog om een openbare behandeling te verzoeken. De rechter mag een dergelijk verzoek afwijzen wanneer hij meent dat besloten behandeling gerechtvaardigd is op een van de hiervoor genoemde gronden.15 De rechter moet echter ook over de mogelijkheid beschikken om ambtshalve tot een openbare behandeling te besluiten.16
Een pre-insolventieakkoordprocedure achter gesloten deuren zou het belang van schuldenaren in financieel zwaar weer kunnen dienen.17 Een dergelijke procedure zou de desintegratieschade, die in veel gevallen gepaard gaat met openbaarheid, kunnen voorkomen. Of dit belang een besloten procedure rechtvaardigt, valt niet direct af te leiden uit art. 6 EVRM. In dat kader is de parallel met art. 4 lid 1 Fw interessant. Op grond van deze bepaling vindt de behandeling van een faillissementsaanvraag in raadkamer plaats. De Hoge Raad overwoog in 1988 dat de belangen van de schuldenaar wiens faillissement is aangevraagd, zich in het algemeen tegen openbare behandeling zullen verzetten. Daarom vindt openbare behandeling slechts plaats indien een van de partijen daar om verzoekt en de andere partij zich daar niet op goede gronden tegen verzet.18 De Hoge Raad lijkt deze opening op art. 6 EVRM te baseren. Uit de wettekst van art. 4 lid 1 Fw volgt deze escape immers niet. Een partij die zich niet met een beroep op het recht op openbare behandeling verzet tegen de behandeling in raadkamer wordt geacht afstand te hebben gedaan van het recht op openbare behandeling.19
Art. 4 lid 1 Fw bevat zo bezien een wettelijk vermoeden dat de belangen van de schuldenaar, te weten zijn recht op privacy en de bescherming van gevoelige bedrijfsgegevens, prevaleren boven het belang van een openbare procedure.20 In de literatuur is evenwel betoogd dat het EVRM noopt tot een toetsing in het concrete geval, alleen al omdat de in art. 6 lid 1 tweede zin EVRM genoemde uitzonderingen gestoeld dienen te zijn op een beslissing van de rechter, en niet op een keuze van een wetgever.21 Alkema merkt op dat de beslissing om een zaak achter gesloten deuren te behandelen nader moet worden gemotiveerd, wil deze ‘EVRM-proof’ zijn.22 Als de omstandigheden daartoe nopen moet er ruimte bestaan om de zaak in het openbaar te behandelen. De Hoge Raad biedt die ruimte door partijen de mogelijkheid te geven om een openbare behandeling te verzoeken. In de literatuur is evenwel opgemerkt dat art. 4 Fw gewijzigd zou moeten worden om de bepaling in lijn met art. 6 EVRM te brengen. De rechter zou ook ambtshalve moeten kunnen beslissen dat de behandeling in de openbaarheid plaatsvindt. Een openbare behandeling staat niet ter vrije dispositie van partijen, maar is een fundamenteel recht van openbare orde.23
Het is de vraag of het vermoeden dat ten grondslag ligt aan art. 4 Fw analoog kan worden toegepast op de schuldenaar die voornemens is een pre-insolventieakkoord aan te bieden. Is het feit dat het de schuldenaar goed uit zou komen wanneer zijn financiële problemen niet op straat zouden belanden een voldoende zwaarwegende grond die afwijking van het uitgangspunt van een openbare behandeling kan rechtvaardigen? Wellicht kan het feit dat een niet-openbare behandeling in het belang van alle vermogensverschaffers is, omdat daarmee desintegratieschade wordt voorkomen, nog gewicht in de schaal leggen. Zeker is dat niet. Een wettelijke basis voor een besloten pre-insolventieakkoordprocedure lijkt mij gelet op het voorgaande slechts mogelijk indien de bij het akkoord betrokken vermogensverschaffers de mogelijkheid hebben om een openbare behandeling te verzoeken en – bovenal – de rechter ook ambtshalve daartoe kan beslissen.
Een andere mogelijkheid om een niet-openbare akkoordprocedure EVRM-proof te maken is gebaseerd op expliciete afstand van een openbare procedure. Het EHRM acht toelaatbaar dat partijen uit vrije wil afstand doen van het recht op een openbare behandeling. Een dergelijke afstand moet ondubbelzinnig geschieden en mag niet in strijd met enig algemeen belang zijn.24 In dat geval zullen alle bij het akkoord betrokken partijen expliciet afstand moeten doen van het recht op openbare behandeling.25
117. Anders dan voor de openbaarheid van de behandeling, bestaan er geen mogelijkheden voor uitzonderingen op het uitgangspunt dat de uitspraak in het openbaar geschiedt.26 Dat de uitspraak openbaar moet zijn, betekent echter niet dat deze mondeling moet worden voorgelezen. Het voorlezen van de uitspraak is slechts een van de manieren waarop een rechterlijke beslissing openbaar kan worden gemaakt.
Of de naar nationaal recht gekozen openbaarmakingswijze de toets aan art. 6 EVRM kan volstaan, moet beoordeeld worden in het licht van de kenmerken van de procedure en met het oog op het doel van de bepaling.27 In Sutter tegen Zwitserland was volgens het EHRM voldaan aan het openbaarheidsvereiste omdat alle partijen die belang hebben bij een uitspraak van het Militair Hooggerechtshof daarvan een afschrift konden ontvangen én de belangrijkste zaken van dit hof gepubliceerd werden.28 In B&T tegen het Verenigd Koninkrijk merkt het EHRM op dat de belangen die een niet-openbare behandeling beoogt te beschermen alsnog op het spel komen te staan, wanneer na een besloten behandeling de uitspraak vervolgens toch nog in de openbaarheid plaatsvindt.29
Art. 29 lid 2 Rv bepaalt dat de griffier aan een ieder die dat verlangt afschrift van vonnissen, arresten en beschikkingen verstrekt. De griffier mag dit weigeren vanwege zwaarwegende belangen van anderen. De griffier kan ervoor kiezen een geanonimiseerd afschrift of uittreksel te verstrekken. Wanneer de zaak achter gesloten deuren is behandeld, worden uitsluitend geanonimiseerde afschriften verstrekt.30 Het is niet zeker of het enkele feit dat eenieder desgewenst een afschrift kan krijgen van een beslissing inzake een besloten akkoordprocedure, voldoende is om aan de standaard van art. 6 EVRM te voldoen. In de zaken B&T tegen het Verenigd Koninkrijk en Sutter tegen Zwitserland ging deze wijze van bekendmaken immers gepaard met de publicatie van de belangrijkste beschikkingen. Dat zou veronderstellen dat de belangrijkste vonnissen die worden gewezen in akkoordprocedures die achter gesloten deuren plaatsvinden, gepubliceerd zouden moeten worden. Indien dat niet het geval zou zijn, is de rechtspleging in besloten akkoordprocedures mogelijk onvoldoende controleerbaar voor het publiek.31