Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht
Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/5.1:5.1. Inleiding
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/5.1
5.1. Inleiding
Documentgegevens:
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS575206:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Mortelmans, Van Ooik & Prechal 2004, p. 91.
HvJ EG 14 december 2000, zaak C-344/98 (Masterfoods), Jur. 2000, p. 1-11369.
Mortelmans, Van Ooik & Prechal 2004, p. 91.
Mortelmans, Van Ooik & Prechal 2004, p. 91; Ritter 2002, p. 355 e.v.; Van den Bergh 2003, p. 10.
Zie ook Mortelmans, Van Ooik & Prechal 2004, p. 91.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk wordt de evolutie van de rol van de nationale rechter bij de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht onderzocht. Ik begin met een onderzoek omtrent de vraag hoe de rol van de nationale rechter er in het verleden onder Verordening 17/62 uitzag, en maak vervolgens een vergelijking met de rol van de nationale rechter bij de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht in het heden. Vanuit deze vergelijking tussen heden en verleden wordt onderzocht welke invloed de modernisering en decentralisering van de handhaving van het Europees mededingingsrecht heeft gehad op de rol van de burgerlijke rechter bij de toepassing en handhaving van het mededingingsrecht.
De Commissie heeft sinds de oprichting van de EG een belangrijke functie gehad bij de toepassing en handhaving van het Europees mededingingsrecht. De nationale rechter is bij de toepassing van het Europees mededingingsrecht veelal afhankelijk van het oordeel van de Commissie. De nationale rechter kan niet, zoals bij de bepalingen over het vrij verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal, volstaan met een 'een-tweetje met het Hof van Justitie', zoals Mortelmans het stellen van een prejudiciële vraag door de nationale rechter en het verkrijgen van een antwoord van het HvJ EG omschrijft.1 Zie voor de afhankelijkheidsrelatie van de nationale rechter ten opzichte van de Commissie de in § 5.4.8 te bespreken zaak Masterfoods en artikel 16 Verordening 1 /2003.2 Naast de complicaties die deze afhankelijkheid kan meebrengen op procesrechtelijk gebied, kan ook het contact van de nationale rechter met de uitvoerende macht in Brussel staatsrechtelijk gezien gevoelig liggen.3
Anders dan bijvoorbeeld Europeesrechtelijke zaken betreffende het vrij verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal, vergen mededingingszaken meer dan een uitsluitend juridische benadering.4 Zo zijn de afbakening van de relevante markt bij een beroep op het misbruik maken van een economische machtspositie ex artikel 82 EG en het maken van een economische analyse voor de invulling van het begrip mededingingsbeperking ex artikel 81 lid 1 EG, complicerende factoren bij de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht.5
Nu de oude Verordening 17/62 per 1 mei 2004 is vervangen door de nieuwe Verordening 1/2003, is de rol van de nationale rechters en nationale mededingingsautoriteiten bij de handhaving van het mededingingsrecht groter geworden dan voorheen. Voor de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht is Verordening 1/2003 dan ook van bijzonder belang.
In § 5.3 wordt begonnen met een beschrijving van de rol van de nationale rechter zoals die gold onder het regime van Verordening 17/62. In § 5.4 wordt nader ingegaan op de rol van de nationale rechter onder het regime van de huidige Verordening 1/2003. Ik begin nu eerst in § 5.2 met een korte bespreking van de geschiedenis van de handhaving van het mededingingsrecht.