Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/2.6.4.6
2.6.4.6 Vermogenspositie van de rechtspersoon
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652228:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. OK 19 december 2005 (r.o. 2.5), ARO 2006/18 (TCA); OK 18 januari 2008 (r.o. 2), ARO 2008/24 (Hadenta); OK 7 juli 2010 (r.o. 3.12), ARO 2010/116 (Meepo); OK 12 augustus 2011 (r.o. 2), ARO 2011/131 (MEI); OK 14 oktober 2011 (r.o. 2.3), JOR 2012/10, m.nt. P.D. Olden (MEI); OK 13 december 2012 (r.o. 2.5), ARO 2013/7 (Pebblestone Fashion) – waar abusievelijk het woord ‘niet’ lijkt te zijn weggevallen in de laatste zin; OK 18 september 2014 (r.o. 2.4), ARO 2014/191 (Body Control Concepts).
HR 27 september 2000 (r.o. 4.1-4.2), NJ 2000/653; JOR 2000/217, m.nt. M. Brink (Gucci).
OK 12 maart 2009 (r.o. 3.10), JOR 2009/132, m.nt. S.M. Bartman (LCI), bevestigd in HR 10 september 2010 (r.o. 3.4.2), NJ 2010/483; JOR 2010/304, m.nt. S.M. Bartman (LCI).
Zie ook Hermans 2017, p. 181-182.
Vgl. OK 28 juni 2012, JOR 2012/320, m.nt. R.P. Jager (Meavita).
OK 7 maart 2012, ARO 2012/47 (Body Control Concepts).
De vermogenspositie van de rechtspersoon is volgens de Ondernemingskamer uitdrukkelijk geen relevante factor bij de beoordeling van het verzoek tot verhoging van het onderzoeksbudget.1 Ik zou echter menen dat de vermogenspositie van de rechtspersoon wel een relevante factor moet zijn voor de beoordeling van een verzoek tot verhoging van het onderzoeksbudget. Als financiering van de kosten van het onderzoek door de rechtspersoon en een directe financier niet langer mogelijk is, dan hoeft de onderzoeker het onderzoek op grond van bepaling 4.3 van de Leidraad niet voort te zetten en kan het onderzoek mogelijk niet worden afgerond. Zonder onderzoeksverslag2 of op basis van een beperkt onderzoeksverslag3 kan wanbeleid niet worden vastgesteld. Mijns inziens moet de Ondernemingskamer bij een verzoek tot verhoging van het onderzoeksbudget dan ook zeker betrekken in hoeverre de rechtspersoon of, in voorkomend geval, andere procespartijen, het onderzoek kunnen financieren.4 Kan het onderzoek niet (verder) worden gefinancierd, dan is een verhoging van het onderzoeksbudget niet opportuun.5 Mogelijke financieringsonmacht met betrekking tot de kosten van het onderzoek lijkt mij dan ook een belangrijke factor bij de beoordeling van het verzoek tot verhoging van het onderzoeksbudget, net zoals dat een relevante factor dient te zijn bij de beoordeling van een enquêteverzoek, waarover par. 6.4.4.
In Body Control Concepts betrok de Ondernemingskamer overigens wél de vermogenspositie van de rechtspersoon bij de beoordeling van een verhogingsverzoek. Hier verzocht de onderzoeker een verhoging van het onderzoeksbudget na faillietverklaring van de geënquêteerde rechtspersoon. Financiering van het verhoogde onderzoeksbudget leek aanvankelijk niet mogelijk, maar de curator deed hier succesvol een beroep op de Garantstellingsregeling curatoren 2005 (par. 6.7.7). De Ondernemingskamer wees hierop het verhogingsverzoek van de onderzoeker toe en overwoog:
‘Immers, dit verzoek komt haar niet onredelijk voor en daartegen zijn geen bezwaren ontvangen, noch anderszins is van bezwaren tegen toewijzing van dat verzoek gebleken. Voorts is voldoening van de kosten van het onderzoek verzekerd, ondanks het faillissement van BCCH.’6
De Ondernemingskamer overweegt hier dat voldoening van de kosten van het onderzoek voldoende is verzekerd. Daarmee betrekt zij terecht de vermogenspositie van de (failliete) rechtspersoon bij de beoordeling van het verhogingsverzoek.