Einde inhoudsopgave
De Nederlanden en het Vrijgraafschap Bourgondië tussen paus en keizer (SteR nr. 21) 2015/IV.4
IV.4 Paulus III en het ‘Consilium de emendanda ecclesia’
dr. P.P.J.L. Van Peteghem, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
dr. P.P.J.L. Van Peteghem
- JCDI
JCDI:ADS388999:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Staatsrecht / Staatsinrichting
Voetnoten
Voetnoten
Het decreet van Konstanz ‘Frequens’ (sessio 39, 9-10-1417: COGD, II, 1, 608) bepaalde dat Concilies om de vijf, zeven en tien jaar zouden plaatsvinden.
G. Fragnito, in: DBI 28 (1983) 172-192, vooral 183.
G. Alberigo, in: DBI 2 (1960) 128-135, vooral 133.
G. Alberigo, in: DBI 5 (1963) 74-76, vooral 75.
H. Jedin, Paolo III, papa, in: Enciclopedia cattolica, Città del Vaticano 1952, IX, 734-736.
G. Fragnito, in: DBI 29 (1983) 733-740, vooral 735.
G. Brunelli, in: DBI 50 (1998) 396-399, vooral 398.
A. Turchini, in: DBI 54 (2000) 623-629, vooral 628.
T. Mayer, in: ODNB 44 (2004) 715-726, vooral 717.
R. Douglas, Jacopo Sadoleto: 1477-1547: humanist and reformer, Cambridge, Mass. 1959 en W. Reinhard, Die Reform in der Diözese Carpentras unter den Bischöfen Jacopo Sadoleto, Paolo Sadoleto, Jacopo Sacrati und Francesco Sadoleto, 1517-1596, Münster 1966.
CT, XII, 121, l. 11.
A. van Hove, De jurisdictionis litibus in dioecesi Leodiensi Erardo a Marcka episcopo (1506- 1538), Lovanii 1900, 169, nr. XLIX.
CT, XII, 111, l. 40-41. Zie ook: R. Tapper, Opera, Keulen 1582, II, 373 b. Ook Viglius verwijst nog naar deze uitdrukking: Viglii Zwichemi ab Aytta Epistolae politicae et historicae ad Joachimum Hopperum, Leoardiae 1661, 60.
Johannes Sturm (1507-1589) vroeg zich af of het mogelijk was de kerk te hervormen, indien de kerk niet meer plaats ruimde voor het Evangelie. In deze periode (1538-1541) studeerde Jan Calvijn bij Sturm te Straatsburg.
Matth. 10,8. Zie CT, XII, 135, l. 4 en 140, l. 7.
Al vanaf het Westers Schisma schreeuwde de christenheid om een hervorming in hoofd en leden. Het Concilie van Lateranen V had precies hetzelfde gezegd, maar de daad niet bij het woord gevoegd. Tussen 1517 en 1537 verliepen twee decennia zonder vooruitgang. De roep om een Concilie kwam er al vlug. Bovendien bestond er regelgeving, die aanstuurde op de organisatie van een Oecumenisch Concilie elke tien jaar.1 Individuele aanzetten van geestelijken binnen de kerk kregen vooralsnog evenmin steun. Als de kerk niet zelf het heft in handen nam, wie zou het dan doen?
Toen Alessandro Farnese tot Paulus III werd gekroond, werd de kans op een Oecumenisch Concilie beduidend groter. Een eerste oproep voor het Concilie van Mantua mislukte wel en daarna sprak men over Vicenza, maar ondertussen was een commissie samengeroepen, die echt inzette op het onderzoek naar de fouten binnen de Kerk. Deze commissie zou ‘een advies’ uitbrengen ‘over de verbetering van de Kerk’. Wanneer het Concilie van Trente (1545-1563) zich over dit onderwerp zou buigen, lag de eerste geloofwaardige aanzet bij dat advies.
De deelnemers van deze commissie wilden een hervorming. Nu legde de hogere katholieke clerus zelf de vinger op de wonde: Gasparo Contarini, als voorzitter, 2met verder Girolamo Aleandro,3 Tommasso Badia,4 Gian Pietro Carafa (later Paulus IV, die de bul voor de oprichting van de nieuwe bisdommen in de Nederlanden promulgeerde),5 Gregorio Cortese,6 Federigo Fregoso,7 Gian Matteo Giberti,8 Reginald Pole9 en Jacopo Sadoleto.10 In deze commissie waren twee groepen ijveraars te onderscheiden: de ‘zelanti’, waaronder Gian Pietro Carafa, die de orde van de Theatijnen had opgericht. Uit de groep van de ‘spirituali’ was Reginald Pole gerecruteerd. Pole was net kardinaal geworden en als neef van Hendrik VIII werd van hem veel verwacht bij een eventuele terugkeer van het katholicisme naar Engeland.
Van twee commissieleden beschikken we over een rapport, geschreven met het oog op dit hervormingsadvies, genaamd ‘Consilium de emendanda ecclesia’: Girolamo Aleandro en Jacopo Sadoleto. Uit de bevlogen opsomming van de kwalen van de tijd, die een gans andere inschatting van de kerkproblemen voorstelt dan die, welke zich in het Heilige Roomse Rijk voordeden, lichten we twee punten. Het valt op dat Aleandro, die zo lang in de Nederlanden was geweest, eenmaal verwees naar de ‘Belgae’ om aan te geven dat men in de Nederlanden zwaar te lijden had van de Republiek van de Anabaptisten in Münster.11 Het was dezelfde Aleandro, die van mening was dat de jonge Karel V wat te hard van stapel liep tegen de Hervorming en dat zijn inmenging in religiezaken de verspreiding van het protestantisme had bevorderd.12
Sadoleto nam het op voor de Franse koning. Kennelijk was dat al enige tijd niet meer gebeurd. Als bisschop van Carpentras was hij beter dan de andere commissieleden op de hoogte van de Franse toestanden. Sinds het Sacco di Roma en de vrede van Barcelona was de relatie van de paus en de keizer tamelijk intens geworden, maar onder Paulus III werd deze relatie later zo zwak dat Karel V zijn zoon waarschuwde voor Paulus III. Sadoleto maakte volgende opmerking, die zeer dicht komt bij een bekend gezegde ‘Romae omnia sunt venalia’: [Roma] venalis est facta munusque divine charitatis et bonitatis precio expositum.13 Geld is het enige, wat telt in Rome.
Op 7 maart 1537 werd het commissierapport aan de paus voorgelezen. De daarin verwerkte adviezen waren niet bedoeld voor publicatie. In 1538 bereikten ze wel stiekem een groter publiek, zodat Luther en de humanist Johannes Sturm,14 maar ook anderen hun commentaar ten beste gaven. Vele artikelen hadden betrekking op fiscale aangelegenheden, maar verkeerden het ‘ius patronatus’ en de indulten ook niet in een geur van financiën? Het rapport was ingedeeld in vijf delen: een inleiding over de rampzalige kerkelijke discipline, gevolgd door de wens om tot geschikte bedienaren te komen. In derde instantie stond de vraag voorop hoe het christelijk volk moest bestuurd worden. Ten vierde werden de ‘gratiae’ of pauselijke vergunningen en dispensaties behandeld, terwijl het rapport afsloot met een overzicht van de problemen van de paus als bisschop van Rome.
Ons interesseert de vraag naar de invulling van het kerkelijk ambt. In eerste instantie kwam het probleem van de aanstelling van clerici en vooral van priesters. Op de tweede plaats stond de collatie van kerkelijke beneficies, met nadruk op de pastoors. Het derde misbruik betrof de pensioenen, waarmee de beneficies belast werden. Daarop volgden de misbruiken bij de wijzigingen in de beneficies (permutatio). Beneficies mochten niet het voorwerp zijn van legaten en testamenten. Op de zesde plaats werd teruggegrepen naar wetgeving van Clemens VII, de voorganger van Paulus III. Kinderen mochten niet deelgenoot worden aan de beneficies van hun ouders. Expectatieven en reservaties werden verworpen, omdat ze hun hoop stelden op de dood van de naaste. Als voorlaatste kwam het misbruik van meer dan één bisdom in één hand. Ten negende werd aandacht gevraagd voor kardinalen en hun relatie tot het bisschopsambt als een incompatibele combinatie.
Het verschil met het verleden bestond erin dat voortaan commissies werden opgezet om de kwaal bij de wortel aan te pakken: reorganisatie van de Camera Apostolica en van de Datarie, bespreking over de waardigheid van het priesterambt (ordo) in de sessies, voorafgaand aan de decreten van het Concilie van Trente en langzaam, maar zeker minder privileges en dispensaties, tenzij nog steeds voor de machtigste leken in de wereld. In het advies werd tweemaal verwezen naar een tekst van de apostel Mattheus: ‘Wat je gratis hebt gekregen, moet je ook gratis geven.’15 In beide gevallen werd bedoeld dat er winst werd gemaakt met de gaven van het Rijk Gods. Dat was simonie, samen met ketterij de ergste ramp in de Kerk. De paus moest het voorbeeld geven, maar ook alle clerici, zonder uitzondering, waren aan dit goddelijk gebod gebonden.
Dit advies van deze kardinalen aan de paus ging recht op de zwaarste misbruiken af. De openbare bekentenis werkte op lange termijn zuiverend. Vanaf dit ogenblik waaide een nieuwe geest van hervorming door de kerk. In 1540 werd de orde van de Jezuïeten opgericht. Slechts enkele jaren scheidde de Kerk nog van het Concilie van Trente, maar ondertussen bleef het rommelen tussen de vorsten onderling en tussen de vorsten en hun dissidente onderdanen.