Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker
Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/6.5.1:6.5.1 De visie van de wetgever overtuigt niet
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/6.5.1
6.5.1 De visie van de wetgever overtuigt niet
Documentgegevens:
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS303964:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Parl. gesch. Boek 6, p. 745-747.
Kamerstukken II 1988/89, 21202, 3, p. 6-9; Kamerstukken II, 1990/91, 21202, 6, p. 3, 12-13.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Blijkens de toelichting die art. 6:181 bij zijn introductie in het Gewijzigd Ontwerp van 1976 vergezelde, is voor een aansprakelijkheid van degene die een ‘bedrijf’ uitoefent gekozen op basis van de argumenten van (a) opspoorbaarheid/overzichtelijkheid, (b) verzekerbaarheid/schadespreiding en (c) ‘gevaarverhoging’.1 In de latere toelichting op het voorontwerp van art. 6:173 alsmede art. 6:171 en 181 gezamenlijk (Invoeringswet van 1989) werd het ‘bedrijf’ afgezet tegen een ‘beroep’. Een keuze die werd verdedigd met de ‘eenheidsgedachte’, de soms moeilijke kenbaarheid van interne rechtsverhoudingen, het profijtbeginsel en het verzekeringsargument. Tussen deze in de wetsgeschiedenis in eerste en tweede instantie aangevoerde argumenten voor de beperking van de aansprakelijkheid tot de bedrijfsmatige gebruiker is van grote overlap sprake. Wel wordt in vergelijking met de periode rondom de latere Invoeringswet in de toelichting op het Gewijzigd Ontwerp aanvankelijk ook de term ‘gevaar’ vermeld, terwijl in tegenstelling tot de toelichting op het Gewijzigd Ontwerp in de toelichting op de Invoeringswet ook expliciet wordt gesproken van (d) de eenheidsgedachte en als nieuw argument (e) de profijtgedachte. Bij dit laatste werd overigens aangetekend dat ook bij gebreke van het profijtbeginsel sprake kan zijn van ‘bedrijfsuitoefening’ als bedoeld in art. 6:181.2 In de toelichting nadien op de Aanvullingswet 1995 worden als argumenten voor de in art. 6:181 geregelde aansprakelijkheid wederom genoemd de gevaartheorie, de eenheidsgedachte, het voor benadeelden vergemakkelijken van de opspoorbaarheid van de aan te spreken partij, het argument van verzekering/ schadespreiding en ook de profijtgedachte.3 ‘Nieuw’ is dat de toelichting op de Aanvullingswet 1995 vermeldt dat ook van belang is wie (f) de zorg voor het betreffende gevaarsobject heeft – wie in staat is de daaraan verbonden risico’s te beïnvloeden -, alsmede betekenis toekomt aan het argument van (g) preventieve werking. Tot slot wordt in de toelichting op de Aanvullingswet 1995 erkend dat ook (h) praktische overwegingen en de rechtszekerheid een rol hebben gespeeld bij het aanwijzen van de kwalitatief aansprakelijke persoon. Een nadere beschouwing van de voornoemde argumenten (a) t/m (h) die strekken ter rechtvaardiging van de aansprakelijkheid van – in plaats van de in art. 6:173, 174 en 179 bedoelde bezitter – de ‘bedrijfsmatige’ gebruiker ex art. 6:181, leert mijns inziens dat een beperking van deze aansprakelijkheid tot enkel degene die een ‘typisch’ bedrijf uitoefent in ieder geval niet houdbaar is.