Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/2.6.2
2.6.2 Relativiteit en de strekking van de geschonden norm
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS590929:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Boek 6, p. 629, 630 (T.M.).
Parl. Gesch. Boek 6, p. 630 (T.M.).
Vgl. ook Den Hollander 2016, p. 44 e.v. die terecht schrijft dat in de tegenwoordige literatuur het relativiteitsvereiste en de notie dat aansprakelijkheid dient te worden begrensd aan de hand van de strekking van de geschonden norm zijn vereenzelvigd.
De gedachte dringt zich op dat J. Drion, de vader van de toch wat meer ‘doordachte’ constructies zoals de tenzij-clausule bij kwalitatieve aansprakelijkheid (Drion 1947, p. 277, 278) en de reflexwerking van kwalitatieve aansprakelijkheid (Drion 1963, p. 452, 453), hierop belangrijke invloed heeft gehad.
Zie § 2.5.3 over de opvattingen van Smits.
Parl. Gesch. Boek 6, p. 631 en 632.
Parl. Gesch. Boek 6, 632.
Men zou wellicht nog kunnen denken dat het jegensvereiste is opgenomen in verband met andere op onrechtmatige daad te baseren vorderingen. In de driemanschapstoelichting heb ik geen aanwijzingen hiervoor gevonden. Bovendien is in art. 3:296 BW, dat van belang is voor een bevel of verbod, een jegensvereiste opgenomen.
Parl. Gesch. Boek 6, p. 634 en 635 (T.M.).
Parl. Gesch. Boek 6, p. 634 en 635 (T.M.).
Parl. Gesch. Boek 6, p. 632 (T.M.).
Vgl. Van Gelein Vitringa 1919, p. 23; Wolfsbergen 1946, p. 93; Polak 1949, p. 73-76, 81; Schut 1963, p. 134, 135.
Telders 1929a, p. 171 maakte, onder verwijzing naar Duitse rechtspraak, wel reeds de driedeling, persoon, belang en de wijze waarop het belang is geschaad.
Zie hierover nader nr. 423.
Parl. Gesch. Boek 6, p. 341 (T.M.).
79. In het ontwerp voor boek 6 was in overeenstemming met de jurisprudentie van de Hoge Raad de relativiteitsleer gecodificeerd. De dan inmiddels al wat oudere kritiek dat de relativiteitsleer tot onjuiste uitspraken zou leiden en overbodig zou zijn, wordt in de toelichting tamelijk gemakkelijk weerlegd door te wijzen op een groot aantal voornamelijk buitenlandse uitspraken waarin een redelijke uitkomst wordt bereikt door aansprakelijkheid te beperken aan de hand van de strekking van de geschonden norm.1
80. Onderscheid wordt in het ontwerp gemaakt tussen het jegensvereiste, zoals neergelegd in het ontwerp voor de onrechtmatigedaadsbepaling, en de regels die zijn neergelegd in art. 6.3.1.2 O.M. Ook in de toelichting wordt duidelijk onderscheid gemaakt tussen het jegensvereiste en de regels in verband met de strekking van de geschonden norm:
“In navolging van de rechtspraak van de Hoge Raad en van de hoogste rechtscolleges in andere landen stelt het ontwerp voor de toewijzing van een vordering tot schadevergoeding ter zake van onrechtmatige daad (…) nog twee extra voorwaarden: 1. De onrechtmatige daad moet jegens de eiser zijn gepleegd (…) 2. Indien de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de eiser die in concreto heeft geleden, omvat de verplichting tot vergoeding niet die schade (…).”2
Deze scherpe scheiding is voor de tegenwoordige lezer enigszins bevreemdend.3 De reden voor het maken van het onderscheid tussen de beide voorwaarden is ook niet aanstonds duidelijk: is het jegensvereiste naast de regels zoals neergelegd in art. 6.3.1.2 O.M. niet overbodig? Art. 6.3.1.2 O.M. lijkt bovendien op het eerste gezicht onnodig ingewikkeld geformuleerd en doublures te bevatten.4
81. De sleutel tot het begrijpen van het ontwerp ligt mijns inziens erin dat het driemanschap een opvatting van Smits ten dele onderschreef: de onrechtmatige daad is relatief, maar in het geval van een rechtsinbreuk en in het geval van schending van een norm van ongeschreven recht wordt die relativiteit niet beheerst door de door uitleg te bepalen strekking van de geschonden norm.5 De toelichting vermeldt dat voor de hand ligt om aan te nemen dat een rechtsinbreuk alleen onrechtmatig is tegenover de rechthebbende;6 maar deze relativiteit volgt uit het wezen van subjectieve rechten en wordt niet verkregen door een norm of een recht uit te leggen. Onder verwijzing naar Engelse rechtspraak waarin volgens de toelichting wordt nagegaan jegens wie een “duty to take care” bestond, vermeldt de toelichting dat ook een gedraging die in strijd is met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, onrechtmatig kan zijn jegens A zonder dat ook jegens B te zijn;7 ook hier lijkt de toelichting niet tot die conclusie te komen door de norm uit te leggen. Hiervan uitgaande had het jegensvereiste in het ontwerp voor art. 6:162 BW zelfstandige betekenis naast hetgeen art. 6.3.1.2 O.M. in verband met de strekking van de geschonden norm bepaalde.8
82. Art. 6.3.1.2 O.M. hield verder de volgende regeling in. In het eerste lid is voor het geval dat aan het jegensvereiste van de onrechtmatigedaadsbepaling is voldaan, een regel over de te vergoeden schade gegeven. In dit eerste lid wordt duidelijk gemaakt dat als uitgangspunt de schadevergoedingsverplichting “zich uit[strekt] tot de schade welke bij het plegen van de daad met voldoende graad van waarschijnlijkheid als gevolg te voorzien was”. Als uitgangspunt wordt aldus voor de bepaling welke schade vergoed dient te worden de, hierna nog te bespreken, regel gegeven die ook in het ontwerp voor wat art. 6:98 BW worden zou, was neergelegd. Het eerste lid vervolgt: “tenzij de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de voorzienbare schade zoals de benadeelde die heeft geleden.” Alleen dus als blijkt dat de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals geleden, wordt de verplichting tot schadevergoeding op die grond beperkt. “Bij onduidelijkheid van de strekking van de geschonden norm (…) geldt mitsdien de hoofdregel”,9 vermeldt de toelichting – dan geldt dus de regel dat de verplichting tot schadevergoeding zich uitstrekt tot schade die, op grond van het ontwerp voor wat art. 6:98 BW worden zou, voor vergoeding in aanmerking komt. Het driemanschap heeft bewust ervoor gekozen, niet te verlangen dat positief blijkt dat de geschonden norm strekt tot bescherming tegen de schade zoals geleden: de strekking van de norm zal volgens de toelichting namelijk nogal eens onduidelijk zijn en dan zou geen aanspraak op vergoeding van door de normschending geleden schade kunnen bestaan.10
Het tweede lid van art. 6.3.1.2 O.M. gaf een bijzondere regel omtrent jegens wie het handelen in strijd met een wettelijke plicht onrechtmatig is. In het geval van een rechtsinbreuk en bij een gedraging in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt, werd de relativiteit van de onrechtmatige daad, als gezegd, niet beheerst door de strekking van de geschonden norm. Bij deze categorieën onrechtmatige daden kon, zo was kennelijk de opvatting van het driemanschap, betrekkelijk eenvoudig worden vastgesteld jegens wie onrechtmatig was gehandeld. In het geval van een wettelijke norm lag dat volgens het driemanschap anders: jegens wie onrechtmatig was gehandeld, volgde dan uit de door uitleg te bepalen strekking van de geschonden norm. Volgens de toelichting ontstond hierbij de moeilijkheid dat de wetgever slechts zelden uitdrukkelijk aangeeft wie bij schending van een wettelijke norm aanspraak op schadevergoeding toekomt. Om deze reden is in het ontwerp speciaal voor het geval van de schending van een wettelijke plicht de hoofdregel gegeven dat zo’n gedraging onrechtmatig is jegens eenieder die dientengevolge schade kan lijden welke op het tijdstip van het plegen van de daad met voldoende graad van waarschijnlijkheid als gevolg te voorzien is. Van deze hoofdregel wordt afgeweken indien “negatief, blijkt dat het overtreden wetsvoorschrift niet die strekking heeft”.11
83. Vóór de publicatie van het ontwerp en de toelichting werd in het kader van het relativiteitsvereiste in het algemeen beslissend geacht of de geschonden norm strekte tot bescherming van de persoon van de gelaedeerde en het belang waarin hij was geschaad.12 Art. 6.3.1.2 O.M. bracht op dit punt een verfijning aan: onder verwijzing naar diverse buitenlandse rechterlijke uitspraken maakt de toelichting duidelijk dat ook de wijze waarop de schade ontstaat kan maken dat niet kan worden gezegd dat de norm strekt tot bescherming tegen de schade zoals geleden.13
84. Het ontwerp is verder vernieuwend omdat de toetsing aan de strekking van de geschonden norm deels uit de onrechtmatigheid wordt gehaald. Enerzijds had, zoals hiervoor aan de orde kwam, het driemanschap ingezien dat de vraag of aan het jegensvereiste was voldaan niet steeds wordt beheerst door de strekking van de geschonden norm. Anderzijds onderkende het driemanschap klaarblijkelijk dat sprake kon zijn van een jegens de gelaedeerde gepleegde onrechtmatige daad, maar dat niettemin uit de strekking van de geschonden norm kon volgen dat geen aanspraak bestond op vergoeding van de schade zoals geleden. De constructie van de relatieve onrechtmatige daad, in de zin van een onrechtmatige daad die tegenover de één onrechtmatig is maar niet tegenover een ander zoals in het ontwerp voor art. 6:162 BW was neergelegd, was aldus te beperkt. De strekking van een geschonden norm kon immers zijn om wel een bepaald persoon te beschermen, zodat schending van die norm een onrechtmatige daad tegenover die persoon oplevert, maar slechts beoogd wordt om die persoon tegen bepaalde schade te beschermen. Om deze reden werd naast het jegensvereiste zoals neergelegd in het ontwerp voor art. 6:162 BW kennelijk een zelfstandige bepaling wenselijk geacht.
85. Het driemanschap probeerde voorts kennelijk het recht verder te brengen door het strekkingsvoorbehoud ook relevant te achten voor de schadevergoedingsverplichting in het geval van een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis. Onder verwijzing naar Langes Gutachten für den 43. Deutschen Juristentag14 vermeldt de toelichting:
“Er is echter geen reden, de gelding van [het strekkingsvoorbehoud] tot het terrein van de onrechtmatige daad te beperken. Ook b.v. bij de verplichting tot schadevergoeding wegens het tekortschieten in de nakoming van een verbintenis zal men zich telkens moeten afvragen, of de strekking van de overtreden norm was, de schuldeiser te beschermen tegen schade van het in concreto voorgevallen type en ingetreden op de wijze als in feite is geschied.”15
Opvallend is dat bij de schadevergoedingsverplichting wegens tekortkoming in de nakoming van een verbintenis, volgens de toelichting, telkens de vraag naar de strekking van de geschonden norm gesteld dient te worden. Dit is opvallend omdat in het ontwerp van de wettekst niet uitdrukkelijk ruimte gemaakt is om in deze gevallen aan het gegeven dat de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals door de schuldeiser geleden de consequentie te verbinden dat geen aansprakelijkheid voor die schade bestaat.