Einde inhoudsopgave
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/6.4.2.2
6.4.2.2 Relatie grondeigenaar — neteigenaar
Dr. mr. B.A.M. Janssen, datum 08-12-2010
- Datum
08-12-2010
- Auteur
Dr. mr. B.A.M. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS622198:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hier zou tegen ingebracht kunnen worden dat het oprekken van de kaders van het burenrecht niet nodig is omdat de Bwp al diverse mogelijkheden biedt om toestemming te krijgen van 'weigerachtige' grondeigenaren. De Bwp geldt echter alleen wanneer het openbare belang van het werk/net is erkend.
Waarschijnlijk is een combinatie van algemene (in het burenrecht) en bijzondere regels (in sectorwetten) de meest haalbare variant. Immers op grond van de Tw dient een (publieke) grondeigenaar de aanleg e.d. van een openbaar elektronisch communicatienetwerken te gedogen (ook al stemt de grondeigenaar niet in met de aanleg etc. van het telecomnet). De telecomsector zal deze algemene gedoogplicht niet willen verliezen.
Met inachtneming van het bepaalde in de Tw en de Bwp, evenals het burenrecht zelf, zouden diverse nieuwe bepalingen in titel 5.4 kunnen worden opgenomen, waarbij ook wordt gedacht aan een artikel betreffende de bevoegde aanleg. In het vijfde hoofdstuk is weergegeven dat het bevoegdheidsvereiste in de huidige eigendomsregeling dogmatisch geen logische keuze is omdat de nieuwe eigendomsregeling beschouwd kan worden als een wijze van originaire eigendomsverkrij ging. Het bevoegdheidsvereiste zou niet 'aan' de eigendomsverkrij ging gekoppeld moeten zijn. Dit vereiste zou apart geregeld kunnen worden in het burenrecht. Het uitgangspunt van het bevoegdheidsvereiste in de eigendomsregeling is dat de neteigenaar niet zonder (privaat- of publiekrechtelijke) 'toestemming' in andermans grond een net mag aanleggen. Door het toestemmingsvereiste in het burenrecht op te nemen (immers het burenrecht ziet op de relatie tussen eigenaren) én los te koppelen van de eigendomsverkrij ging of -toedeling wordt alsnog recht gedaan aan eerder genoemd uitgangspunt. Aangezien het burenrecht regelend recht is, zal vervolgens een regeling opgenomen moeten worden die ziet op de situatie dat de toestemming door de grondeigenaar wordt geweigerd, dan wel de grondeigenaar niet reageert op het verzoek. Er zal een bepaling opgenomen moeten worden waarin de neteigenaar de mogelijkheid krijgt om via de rechter alsnog 'de toestemming' af te dwingen door vervangende toestemming te vragen, waarbij de rechter de belangen van beide eigenaren tegen elkaar moet afwegen. Overigens zou gesteld kunnen worden dat het bevoegdheidsvereiste en de mogelijkheid om toestemming voor aanleg eventueel af te dwingen via de rechter, niet zouden passen in titel 5.4. Een neteigenaar kan vóór aanleg van het net immers (nog) niet beschouwd worden als een eigenaar van een naburig erf. Tevens is \Te& aanleg van een net ook niet sprake van één zelfstandige onroerende zaak en is dit (toekomstige) net nog niet als een erf aan te merken. Toch zou ik ervoor willen pleiten om het bevoegdheidsvereiste op te nemen in het burenrecht. De nieuwe eigendomsregeling inzake netten heeft immers een nieuw type onroerende zaak geïntroduceerd, waarmee in het huidige burenrecht logischerwijs geen rekening is gehouden. Een aanvulling op het burenrecht en daarmee het oprekken van de huidige kaders van titel 5.4 (voor `toekomstige' eigenaren van naburige erven of eigenaren van naburige erven 'in wording') is voor dit nieuwe type onroerende zaak dan ook verdedigbaar.1 Daarnaast zullen diverse situaties denkbaar zijn dat, hoewel het net nog niet in de grond van de grondeigenaar ligt, de aanlegger toch als een eigenaar van een naburig erf kan worden beschouwd. Bijvoorbeeld in de situatie dat een aanlegger al een bestaand net heeft, maar dit wil uitbreiden in nabij gelegen grond van anderen. Van enig nabuurschap zal dan al snel sprake kunnen zijn.
In het burenrecht zou voorts geregeld dienen te worden dat het ladderrecht (betreden van andermans erf) conform artikel 5:56 BW van overeenkomstige toepassing is indien ernstige belemmeringen en storingen tot bepaalde spoedeisende werkzaamheden noodzaken. Ook het terugbrengen van de grond in oude staat moet opgenomen worden, met de mogelijkheid dat partijen anders kunnen overeenkomen. Als een `specialis' van artikel 5:44 BW zou een bepaling kunnen worden opgenomen inzake het (zoveel mogelijk) in stand laten van aanwezige bomen en beplantingen, met tevens de verplichting voor de grondeigenaar om eventuele doorschietende wortels, die hinderlijk zijn of worden voor het aanwezige net, weg te nemen of in te korten. Naast een algemene regeling betreffende de verplaatsing van netten zal, tot slot, een bepaling opgenomen dienen te worden inzake de vergoeding van schade door de neteigenaar aan de grondeigenaar voor (het gedogen van) de aanleg, instandhouding etc. van het net, maar ook de eventuele schade door spoedeisende werkzaamheden of schade door het inkorten van doorschietende wortels e.d.
In de bijlage zijn de hiervoor genoemde voorgestelde toevoegingen aan het burenrecht meer in 'detail' uitgewerkt door middel van artikelteksten met daarbij een korte toelichting op de inhoud en achtergrond van het betreffende artikel. Hierbij moet overigens worden opgemerkt dat delen van de voorgestelde nieuwe bepalingen ontleend zijn aan bestaande regelingen in de Tw of de Bwp met het idee om (delen van) deze `sector' bepalingen over te brengen naar het algemene domein van het BW. Een combinatie van algemene artikelen (in het burenrecht vastgelegde) en sectorspecifieke artikelen (in de Tw of Bwp) is natuurlijk ook mogelijk.2