Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes
Einde inhoudsopgave
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/3.5.2:3.5.2 Direct kiesrecht
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/3.5.2
3.5.2 Direct kiesrecht
Documentgegevens:
mr. L.S.A. Trapman, datum 19-02-2024
- Datum
19-02-2024
- Auteur
mr. L.S.A. Trapman
- JCDI
JCDI:ADS947782:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 2 maart 1987, ECLI:CE:ECHR:1987:0302JUD000926781 (Mathieu-Mohin and Clerfayt/Belgium), par. 53.
EHRM 22 december 2009, ECLI:CE:ECHR:2009:1222JUD002799606 (Sejdić and Finci/ Bosnia and Herzegovina), par. 40.
EHRM 22 december 2009, ECLI:CE:ECHR:2009:1222JUD002799606 (Sejdić and Finci/ Bosnia and Herzegovina), par. 41.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Artikel 3 Protocol 1 EVRM vereist dat landen die een meerkamerstelsel hanteren (zoals ook Nederland doet), de leden van minstens één van deze kamers direct laten kiezen.1 Op de verkiezing van deze direct gekozen kamer zijn de waarborgen van artikel 3 in ieder geval van toepassing. Directe verkiezingen zijn dus niet alleen een inhoudelijk vereiste van artikel 3, maar (in beginsel) ook een vereiste voor toepasbaarheid van de overige waarborgen uit het artikel. Blijkens de travaux préparatoires namen de opstellers van het artikel hiermee de gangbare praktijk in de lidstaten in acht. Veel van die staten kenden immers een tweekamerstelsel, waarvan één kamer niet direct gekozen werd. Zo lang de kamer die direct wordt gekozen (en dus een sterkere democratische legitimatie heeft), ook de meeste bevoegdheden op het gebied van wetgeving heeft, is er geen probleem. Als echter de andere kamer van de volksvertegenwoordiging ook verstrekkende wetgevingsbevoegdheden heeft, moet ook die kamer aan de vereisten van artikel 3 Protocol 1 EVRM voldoen.2 Die vraag wordt beantwoord aan de hand van het constitutionele stelsel van de betreffende staat. Factoren die kunnen meespelen zijn de vraag of de indirect gekozen kamer wetgeving moet goedkeuren alvorens deze van kracht wordt, of zij (mede)zeggenschap heeft over de inkomsten en het budget van de staat en of verdragen haar goedkeuring behoeven. Als nu blijkt dat de indirect gekozen kamer ook onder artikel 3 valt, betekent dat niet dat die kamer op grond daarvan direct verkozen zou moeten worden. Wel betekent het dat het land bij de indirecte verkiezingen de andere kiesrechtelijke waarborgen (algemeen kiesrecht, vrij kiesrecht, stemgeheim, gelijk kiesrecht, periodieke verkiezingen) in acht moet nemen.3
De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen. Voor de leden van de Eerste Kamer ligt dat anders. Op de Eerste Kamerverkiezingen is artikel 4 Gw niet van toepassing. Het artikel spreekt over kiesrecht voor iedere Nederlander, ‘behoudens bij de wet gestelde beperkingen en uitzonderingen’. Tijdens de totstandkoming van artikel 4 Gw merkte op dat deze formulering strikt genomen dubbelop was, maar achtte het niettemin belangrijk om naast ‘beperkingen’ ook ‘uitzonderingen’ mogelijk te maken, met het oog op de verkiezingswijze van de Eerste Kamer. Deze indirecte verkiezingsprocedure week immers af van de door artikel 4 Gw beoogde directe verkiezingen, maar werd zo toch door de formulering van het artikel gedekt.4 De leden van de Eerste Kamer worden ingevolge artikel 55 Gw gekozen door de leden van provinciale staten en, voor wat betreft de BES-eilanden, door de leden van een kiescollege.5