De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen
Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/7.3.4:7.3.4 Conclusie deskundigenregisters
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/7.3.4
7.3.4 Conclusie deskundigenregisters
Documentgegevens:
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702116:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van Ettekoven, O&A 2016/53, p. 89.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Deskundigenregisters kunnen een belangrijke rol spelen in het controleren en borgen van de kwaliteit van de deskundige. Of preciezer, in het kwaliteitsaspect deskundigheid. Dat is omdat een deskundigenregister niet, althans minder geschikt is om de zaakgerelateerde aspecten zoals onafhankelijkheid en onpartijdigheid te borgen (uitgebreid § 6.4). Ik heb in deze paragraaf onderzocht in hoeverre de Nederlandse deskundigenregisters volstaan om de deskundigheid van de deskundige te borgen en in hoeverre men de deskundige dus via het register kan controleren. Voor dat onderzoek zijn drie deskundigenregisters gewogen aan de hand van de gezichtspunten van een adequaat deskundigenregister (zoals opgetekend in § 6.3.4).
Het eerste register dat in beeld kwam was Deskundigenindex Dix. “Dix is niks”, concludeerde Van Ettekoven ooit.1 Die conclusie valt te delen. Dix 1.0 mistte ieder element van een betrouwbaar deskundigenregister en kwalificeerde in feite niet eens als openbaar register. De ontwikkeling van Dix 2.0 – waarmee een systeem van kwaliteitstoetsing zou worden ingevoerd – werd aangekondigd, maar is nooit van de grond gekomen.
Als tweede deskundigenregister is het LRGD besproken. In het licht van de gezichtspunten uit § 6.3.4 concludeer ik dat het LRGD een adequaat deskundigenregister is. Qua op- en inrichtingseisen gaat het op veel punten goed. Zo is er een duidelijke en controleerbare organisatiestructuur en hanteert het LRGD gedragscodes en tuchtrecht. Aandachtspunt is en blijft de privaatrechtelijke aard van het LRGD. Het register reguleert zichzelf zonder dat daar publiekrechtelijke controle op uitgeoefend kan worden. Dat aandachtspunt ligt evenwel buiten de directe invloedssfeer van het LRGD. Ik verwijs naar hoofdstuk 9 voor mogelijke oplossingen. Een ander aandachtspunt is de persoonlijke pagina’s van de deskundigen. Die bevatten niet steeds voldoende informatie over de achtergrond van de deskundige, zoals diens opleiding, ervaring, werkmatige carrière en nevenfuncties. Dat is wel nodig zodat procesactoren – wanneer zij op zoek zijn naar een deskundige – inzicht kunnen krijgen in wie de meest geschikte deskundige is, of – wanneer er reeds een deskundige is benoemd – inzicht kunnen krijgen in diens achtergrond. Op het gebied van de toelatingseisen scoort het LRGD redelijk tot goed. Aandachtspunt hier is dat het LRGD alleen voor de onteigeningsdeskundige-jurist, de beoogd voorzitter van de commissie, expliciete eisen aan ervaring stelt. Ervaringseisen zou het LRGD echter voor iedere deskundige moeten stellen. Het is verder positief dat het LRGD een systeem van permanente educatie heeft. Een verbeterpunt is dat de te volgen PE zou moeten worden opgevolgd met een vorm van (periodieke) examinering. Ook waardeer ik het positief dat kandidaten aangesloten moeten zijn bij een door het LRGD geaccrediteerde beroepsvereniging en dat kandidaten voldoende juridische kennis moeten hebben om op te treden in rechte. Al met al is het LRGD een redelijke tot goede kwaliteitsborg. Aan het antwoord op de vraag of een onteigeningsnadeelcompensatie en/of planschadedeskundige is ingeschreven in het LRGD komt daarmee wel degelijk waarde toe.
Naast het LRGD is Register DOBS besproken. In de grond lijkt DOBS veel op het LRGD. Dat blijkt zowel uit de op- en inrichting als uit de toelatingseisen voor kandidaten. Dat is ook direct het grootste ‘bezwaar’ tegen Register DOBS als zelfstandig register. Er is in de relatief kleine wereld van het onteigenings- en nadeelcompensatierecht geen behoefte aan twee concurrerende registers. Dat komt de overzichtelijkheid en rechtszekerheid niet ten goede. Het is daarom aan te raden om beide registers samen te voegen. Gelet op haar professionaliteit, bekendheid en omvang zou dat het beste kunnen gebeuren onder de vlag van het LRGD. Voor deskundigen die thans alleen bij DOBS geregistreerd zijn – in de praktijk zijn dit voornamelijk planschade- en nadeelcompensatiedeskundigen – kan een overgangsregeling worden opgesteld. Dat zou, gelet op de grote overeenkomsten aan toelatingseisen, geen moeilijke opgave moeten zijn. De geest van Register DOBS hoeft daarbij niet verloren te gaan. Het LRGD zou op aspecten lering kunnen trekken uit DOBS. Dat geldt in het bijzonder voor de eis dat kandidaten voldoende ervaring moeten hebben. Ook uit de wijze waarop de juridische kennis moet worden aangetoond – door middel van adviesrapporten uit de praktijk – valt lering te trekken.