De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht
Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/5.3.6:5.3.6 Verhouding tot oneigenlijke formele rechtskracht
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/5.3.6
5.3.6 Verhouding tot oneigenlijke formele rechtskracht
Documentgegevens:
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284644:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 24 februari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4771, NJ 1984/669, m.nt. J.A. Borman (St. Oedenrode/Driessen) en HR 31 mei 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0261, NJ 1993/112, m.nt. Brunner (Van Gog/Nederweert).
Zie in vergelijkbare zin Sanderink 2015, p. 644-646 die deze bevoegdheid van de civiele rechter ook leest in HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8751, NJ 2008/576, m.nt. J.B.M. Vranken (Iraanse Vluchtelinge).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
304. Hoe verhoudt mijn benadering zich tot de leer van de ‘oneigenlijke’ formele rechtskracht. Die leer zegt dat de civiele rechter als uitgangspunt aanneemt dat een wegens ongeldigheid vernietigd besluit in beginsel ook onrechtmatig is. Een rechtvaardigingsgrond ontneemt juist het onrechtmatig karakter aan het ongeldige besluit. Volgens mij levert dat geen frictie op.
Ten eerste blijft het uitgangspunt dat de grondslag voor de ongeldigheid van het besluit ook de grondslag voor de onrechtmatigheid in enge zin van het nemen van dat besluit vormt. In zoverre blijven ongeldigheid en onrechtmatigheid dus parallel lopen. De wettelijke bevoegdheid rechtvaardigt enkel dat onrechtmatige gedrag in enge zin. De leer van de oneigenlijke rechtskracht staat bovendien uitzonderingen toe. De Hoge Raad oordeelt immers steeds dat een ongeldigheid besluit in beginsel ook onrechtmatig is. 1 Daaraan doet mijn benadering niet af.
Ten tweede blijft de bestuursrechter in mijn benadering primair oordelen over de (on)geldigheid van het besluit. De civiele rechter oordeelt enkel of voor het nemen van het besluit een civielrechtelijke rechtvaardigingsgrond bestaat. De Hoge Raad aanvaardt in UWV/X en Hengelo/Wevers impliciet al dat de civiele rechter soms zelfstandig in het kader van de schadevergoedingsvordering moet beoordelen of het ongeldige besluit ook op geldige gronden kon worden genomen. Dat is het hypothetisch alternatief besluit.2 De toets aan de wettelijke bevoegdheid is in zoverre niet anders.