Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/6.4
6.4 Het Werner-rapport
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS455265:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Het Barre-plan is te raadplegen via: https://ec.europa.eu/economy_finance/emu_history/documentation/chapter2/19690212en015coordineconpoli.pdf.
Het Werner-rapport is te raadplegen via: https://ec.europa.eu/economy_finance/emu_history/documentation/chapter5/19701008en72realisationbystage.pdf.
Werner-rapport, p. 26.
Werner-rapport, p. 10: ‘A monetary union implies inside its boundaries the total and irreversible convertibility of currencies, the elimination of margins of fluctuation in exchange rates, the irrevocable fixing of parity rates and the complete liberation of movements of capital.’
Werner-rapport, p. 28.
Resolutie van de Raad en de Vertegenwoordigers van de Regeringen der Lid-Staten (PbEG 1971, C 28/1) van 22 maart 1971 betreffende de verwezenlijking in etappes van de economische en monetaire unie in de Gemeenschap. Een dergelijke resolutie is een niet-bindend, politiek oordeel over een bepaalde ontwikkeling.
Burda & Wyplosz 2013, p. 504.
Szász 1999, p. 39.
Baldwin & Wyplosz 2015, 334-336.
In 1969 verscheen vervolgens het zogeheten Barre-plan.1 Gelet op de eerste barsten in het Bretton Woods-systeem en op het feit dat de oprichting van een douane-unie eerder dan in het EEG-verdrag was voorzien voltooid bleek, pleitte dit plan voor meer monetaire samenwerking binnen de EEG. In reactie daarop besloten de staatshoofden en regeringsleiders van de Zes tijdens een top in Den Haag op 1 en 2 december 1969 een onderzoek in te stellen naar de vraag hoe de meest vergaande vorm van economische en monetaire integratie, een EMU, tot stand kon worden gebracht. Een commissie werd in het leven geroepen, die op 8 oktober 1970 het Werner-rapport presenteerde, naar de voorzitter van de commissie, de Luxemburgse regeringsleider en minister van Financiën Pierre Werner.2
Dit rapport stelt voor om de EMU in drie fasen van in totaal tien jaar te bereiken. De EMU wordt wenselijk geacht, omdat dit samenwerkingsverband zal zorgen voor economische groei en stabiliteit binnen de EEG en de bijdrage zal versterken die de EEG kan leveren aan het economische en monetaire evenwicht in de wereld.3 De EMU zou in de ogen van het Werner-rapport moeten bestaan uit ‘een totale en onomkeerbare convertibiliteit van valuta’s, de opheffing van fluctuatiemarges voor wisselkoersen, de onherroepelijke vaststelling van de wisselkoersverhoudingen en de complete liberalisering van het kapitaalverkeer’.4 Het rapport stelt dat deze doelstellingen zowel bereikt kunnen worden via het behoud van nationale munten als via een gemeenschappelijke munt. Het Werner-rapport spreekt vervolgens een voorkeur uit voor deze laatste optie, aangezien dat de onomkeerbaarheid van de EMU zou bevestigen. Het Werner-rapport vermeldt voorts dat de centrale banken van de lidstaten worden uitgenodigd om bij wijze van proef al bij het begin van de eerste fase de koersschommelingen tussen de valuta’s van de lidstaten te houden binnen nauwere marges dan die welke voortvloeien uit de toepassing van de huidige marges ten opzichte van de dollar (het Bretton Woods-systeem was op dit moment nog niet uiteengevallen).5 Dit zou volgens het rapport bereikt kunnen worden door onderling afgestemd optreden.
De inhoud van het Werner-rapport werd grotendeels overgenomen in een resolutie van 22 maart 1971.6 Voorbereidingen kwamen op gang om de wisselkoersen van de lidstaten van de EEG binnen nauwere marges te houden dan de wisselkoersen van de valuta’s ten opzichte van de dollar. Dit werd ook wel de ‘slang in de tunnel’ genoemd, waarbij de tunnel bestaat uit de wisselkoersen ten opzichte van de dollar en de slang uit de wisselkoersen van de valuta’s onderling. Nog voordat dit systeem echter volledig in werking kon treden, maakte Nixon, zoals hiervoor besproken, op 15 augustus 1971 bekend dat de dollar niet langer gekoppeld zou zijn aan het goud. In december 1971 werd via de zogeheten Smithsoniaanse overeenkomst nog een laatste poging gedaan om de Verenigde Staten en Europa van stabiele wisselkoersen te voorzien.7 Dollars konden niet langer voor goud worden omgewisseld en de waarde van de dollar ten opzichte van het goud werd opnieuw vastgesteld (nu op 38 dollar voor één ounce goud). Dit leidde ertoe dat de ‘slang in de tunnel’ op 10 april 1972 van kracht kon gaan.8 Men was daarbij overeengekomen dat de wisselkoersen van de lidstaten met een marge van 2,25 procent ten opzichte van elkaar mochten bewegen, en die ‘slang’ mocht op grond van de Smithsoniaanse overeenkomst maximaal 2,25 procent fluctueren ten opzichte van de stand van de dollar. Al snel bleek de dollar echter overgewaardeerd, waarna in maart 1973 de officiële omslag plaatsvond van semivaste naar flexibele, zwevende wisselkoersen ten opzichte van de dollar. De ‘tunnel’ viel weg, en de lidstaten waren op elkaar aangewezen. De verschillen tussen het economisch beleid van de lidstaten, onder meer in reactie op de oliecrisis van 1973, zorgden er echter voor dat ook de ‘slang’ langzaamaan uiteenviel.9 Het enthousiasme voor monetaire samenwerking nam af, de plannen uit het Werner-rapport verdwenen meer en meer naar de achtergrond en de Europese integratie stond enkele jaren vrijwel stil.