Einde inhoudsopgave
Schadevergoeding bij de onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens (O&R nr. 126) 2021/7.7.2
7.7.2 Stel prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie
mr. T.F. Walree, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. T.F. Walree
- JCDI
JCDI:ADS267491:1
- Vakgebied(en)
Privacy / Verwerking persoonsgegevens
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 19 juni 1990, C-213/89, ECLI:EU:C:1990:257 (Factortame e.a.), punt 19; HvJ EG 19 november 1991, gevoegde zaken C-6/90 en C-9/90, ECLI:EU:C:1991:428 (Francovich), punt 42; HvJ EG 20 september 2001, C-453/99, ECLI:EU:C:2001:465 (Courage/Crehan), punt 25; HvJ EG 13 juli 2006, gevoegde zaken C-295/04-C-298/04, ECLI:EU:C:2006:461 (Manfredi), punt 89.
Vergelijk ABRvS 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:898 (Pieter Baan Centrum), r.o. 27-28; ABRvS 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:899 (Deventer/X), r.o. 21-22; ABRvS 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:900 (X/Borsele), r.o. 34-35; ABRvS 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:901 (X/Harderwijk), r.o. 34-35.
Artikel 267 VWEU. Zie ook HvJ EU 6 oktober 1982, C-283/81, ECLI:EU:C:1982:335 (Cilfit), punt 6; HvJ EU 17 september 1997, C-54/96, ECLI:EU:C:1997:413 (Dorsch), punt 23. Zie ook Walree 2017, p. 930 (hoofdstuk 1, paragraaf 5). De lagere rechter is overigens op grond van artikel 392 Rv bevoegd tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad.
HvJ EU 6 oktober 1982, C-283/81, ECLI:EU:C:1982:335 (Cilfit), punt 10-16. Het niet voldoen aan deze verplichting levert een schending op van artikel 267 VWEU. HvJ EU 4 oktober 2018, C-416/17, ECLI:EU:C:2018:811 (Commissie/Frankrijk), punt 114.
Volgens het Hof van Justitie vereist de uitleg van een bepaling van Unierecht een vergelijking van alle taalversies. Daarnaast is het zo, dat als alle taalversies volledig overeenstemmen, het Unierecht een ‘eigen terminologie bezigt’ en ‘hebben de rechtsbegrippen in het gemeenschapsrecht niet noodzakelijkerwijs dezelfde inhoud als in de verschillende nationale rechtsstelsels’. Voorts ‘moet elke bepaling van gemeenschapsrecht in haar context worden geplaatst en worden uitgelegd in het licht van dit recht in zijn geheel, zijn doelstellingen en zijn ontwikkelingsstand op het ogenblik waarop de betrokken bepaling moet worden toegepast.’ HvJ EU 6 oktober 1982, C-283/81, ECLI:EU:C:1982:335 (Cilfit), punt 18-20.
Walree 2020, p. 178-180 (hoofdstuk 6, paragraaf 5). Zie HvJ EU 9 september 2015, C-160/14, ECLI:EU:C:2015:565 (Ferreira da Silva e Brito), punt 43-44. Tegenstrijdigheden binnen de nationale rechtspraak brengen evenwel niet automatisch met zich dat er geen sprake kan zijn van een acte clair. HvJ EU 9 september 2015, C-160/14, ECLI:EU:C:2015:565 (Ferreira da Silva e Brito), punt 41.
ABRvS 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:898 (Pieter Baan Centrum), r.o. 28.
Langer & Krommendijk 2019, p. 470.
HvJ EG 16 januari 1974, C-166/73, ECLI:EU:C:1974:3 (Rheinmühlen), punt 3; HvJ EG 6 oktober 1982, C-283/81, ECLI:EU:C:1982:335 (Cilfit), punt 18. Zie anders: Rb. Oost-Brabant 28 april 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:2729 (X/Den Bosch), r.o. 8.3; Rb. Oost-Brabant 28 april 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:2730 (X/Gemert-Bakel), r.o. 9.3; Rb. Oost-Brabant 28 april 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:2437 (X/Helmond), r.o. 8.3.
Hiervoor bestaan uiteenlopende argumenten. Krommendijk 2018, p. 7-27; Langer & Krommendijk 2019, p. 474.
Het is bovendien niet de eerste keer dat een lagere rechter prejudiciële vragen stelt over uitleg van het gegevensbeschermingsrecht. Rb. Middelburg 15 maart 2012, ECLI:NL:RBMID:2012:BV8942 (Y.S./Minister Immigratie, Integratie & Asiel); Rb. Midden-Nederland 29 mei 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:2028 (X/Autoriteit Persoonsgegevens) (Prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie, C-245/20).
Zie ook Annotatie D.F.W. Verkade, NJ 2015/291, punt 7.2, bij HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1063 (Simba Toys/Hasbro).
Zie ook Walree 2017 (hoofdstuk 1, paragraaf 5), p. 930.
De nationale rechter is verplicht de volle werking van het Unierecht te verzekeren.1 Die volle werking brengt met zich dat een rechter de betrokkene op grond van artikel 82 AVG sneller een schadevergoeding zal toekennen dan voorheen onder het nationale recht. Desondanks kan ik me voorstellen dat een rechter terughoudend is om af te wijken van het conventionele kader voor het beoordelen van immateriële schade, en liever een oordeel van het Hof van Justitie afwacht.2 De interpretatie van het schadebegrip van het Hof van Justitie is uiteindelijk immers beslissend. Het Hof is echter afhankelijk van prejudiciële vragen van nationale gerechten. Alleen wanneer de nationale rechter vragen over het schadebegrip stelt, kan het Hof van Justitie zich hierover uitspreken. Het is daarom belangrijk dat de nationale rechter prejudiciële vragen stelt.
Elke nationale rechter is bevoegd tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie ten aanzien van de uitleg van een bepaling van het Unierecht.3 De hoogste nationale rechter is daartoe zelfs verplicht. Die verplichting bestaat niet als (i) beantwoording van de vraag niet ter zake dienend is en geen invloed kan hebben op de oplossing van het geschil; (ii) de bepaling reeds is uitgelegd door het Hof van Justitie (acte éclairé) of (iii) de juiste toepassing van het Unierecht zo evident is, dat redelijkerwijze geen twijfel kan bestaan omtrent de wijze waarop de gestelde vraag moet worden beantwoord (acte clair).4
De eerste twee gevallen zijn onmiskenbaar niet van toepassing. Het spreekt voor zich dat verduidelijking van de vergoedbare schade ter zake dienend is bij een vordering tot schadevergoeding op grond van artikel 82 AVG. Daarnaast liet het Hof zich niet eerder specifiek uit over het begrip van schade. Een acte clair is ook onwaarschijnlijk. Ten eerste kent de AVG 24 taalversies en bevat zij een eigen terminologie ten opzichte van het nationale recht.5 Ten tweede leggen de rechters van de verschillende lidstaten het begrip schade op uiteenlopende wijze uit.6
Ook de Afdeling bestuursrechtspraak signaleert dat het Hof van Justitie nog geen uitleg heeft gegeven aan specifiek het schadebegrip of over de vergoedbare immateriële schade bij een onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens.7 Daarmee erkent de Afdeling niet alleen dat het niet gaat om een acte éclairé, maar dus ook dat er twijfel bestaat over de uitleg van het begrip schade. Er is dus geen sprake van een acte clair. Hieruit volgt eveneens dat een oordeel van het Hof van Justitie beslissend is. Dat de Afdeling vervolgens, door een gebrek aan uitleg op Unieniveau, voor de beoordeling van de immateriële schade aanhaakt bij de maatstaven van het nationale recht, is onbegrijpelijk. Als de Afdeling erkent dat er onzekerheid is over het begrip schade en dat het oordeel van het Hof doorslaggevend is, had zij als hoogste algemene bestuursrechter prejudiciële vragen moeten stellen aan het Hof van Justitie.
De lagere rechter heeft geen plicht om prejudiciële vragen te stellen.8 Hij kan dit wel ambtshalve doen of na een verzoek van partijen.9 Er bestaat bij veel lagere rechters een terughoudendheid ten aanzien van het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.10 Toch is het belangrijk dat juist de lagere rechter vragen stelt over het begrip ‘schade’ in artikel 82 lid 1 AVG.11 Daarnaast is de handhaving van het gegevensbeschermingsrecht gebaat bij prejudiciële vragen over de uitleg van het causaal verband-vereiste. Antwoorden op deze vragen leiden tot een versnelde rechtsvorming en uniforme toepassing van het recht op schadevergoeding.12 Betrokkenen kunnen hierdoor beter (en eerder) inschatten waar zij recht op hebben en wat hun kansen zijn in een procedure. Dit kan ervoor zorgen dat de civiele handhaving van de AVG toeneemt. Als dat gebeurt, dan is dat een goede aanleiding voor de verwerkingsverantwoordelijke om de regels van de AVG (nog) beter na te leven en te investeren in maatregelen omtrent de bescherming van persoonsgegevens. Duidelijkheid over wat kan worden geclaimd, kan aldus bijdragen aan een hoger niveau van gegevensbescherming.13