Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/7.2.5.1
7.2.5.1 Voorkomen is beter dan genezen
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946167:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ten eerste kan een aangifte ter zake een klachtdelict ook zijn ingediend door een ander dan de klachtgerechtigde. Daarnaast kan worden gedacht aan relatieve klachtdelicten, waarbij het klachtvereiste pas op een later moment in beeld komt. Voorts is het mogelijk dat een klachtgerechtigde aangifte doet van een klachtdelict, terwijl met die aangifte geen vervolging wordt beoogd. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de situatie waarin een zoon de auto van zijn vader vernielt. De vader kan in dat geval aangifte doen met het oog op vergoeding door de verzekering zonder dat hij vervolging van zijn zoon wenst.
Groenhuijsen 2018, p. 180.
Kamerstukken II 2022-2023, 36 327, nr. 3, p. 387.
Stc. 2022, 877.
Zie hoofdstuk 6, paragraaf 3 met verwijzing naar Kooijmans 2011, p. 65.
Het is mijns inziens ongelukkig dat bij de totstandkoming van een nieuw Wetboek van Strafvordering de aandacht niet wordt gericht op het voorkomen van gebrekkige klachten, maar dat juist de mogelijkheid om gebreken achteraf te repareren voor het voetlicht wordt gebracht. Voorkomen is beter dan genezen en juist bij de regeling van klachtdelicten speelt dit in het bijzonder.
De regeling van klachtdelicten strekt immers primair ter bescherming van de belangen van personen die niet willen dat opsporing en vervolging worden opgestart naar aanleiding van een strafbaar feit dan hun is aangedaan. Aan dat belang kan tekort worden gedaan door op te sporen en te vervolgen terwijl een rechtsgeldige klacht ontbreekt. De ontvangst van een aangifte betekent immers niet zonder meer dat de klachtgerechtigde vervolging wenst. 1Het is dan ook geraden om te investeren in het voorkomen van situaties waarin toch opsporing en vervolging plaatsheeft zonder dat een klachtgerechtigde daadwerkelijk de wens tot vervolging heeft geuit.
Daar komt bij dat ook het belang van de klachtgerechtigde die wel prijsstelt op vervolging is gebaat bij een secure vastlegging van zijn klacht. Het is voor die persoon van belang dat zijn klacht op het geëigende moment op juiste wijze wordt geformaliseerd, zodat geen twijfel kan bestaan over zijn intenties. Daarmee wordt voorkomen dat hij later alsnog – bijvoorbeeld via een verklaring ter zitting – duidelijkheid moet verschaffen over zijn bedoeling bij het doen van de aangifte. Dit draagt ook bij aan het voorkomen van situaties waarin gebreken ten aanzien van de klacht pas in een laat stadium worden gesignaleerd – bijvoorbeeld doordat de verdediging daarop ter zitting wijst – waarna die gebreken niet meer kunnen worden hersteld en het openbaar ministerie toch niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Uit het voorgaande volgt dat klachtgerechtigden zijn gebaat bij secure vastlegging van de klacht, ongeacht of zij nu wel of niet prijsstellen op vervolging. Een duidelijk beleid omtrent het innemen van rechtsgeldige klachten draagt hieraan bij. Het expliciet uitlichten van de reparatiemogelijkheid in de memorie van toelichting draagt daarentegen bij aan het risico van een tegengesteld effect. Daarmee wordt de justitiële autoriteiten immers niet ingescherpt dat opsporing en vervolging achterwege moeten blijven totdat een rechtsgeldige klacht is ontvangen. Groenhuijsen benadrukte in 2018 dat het tegenwoordig wellicht te veel draait om het toekennen van steeds meer rechten aan het slachtoffer, terwijl er juist meer oog moet zijn voor een nauwgezette uitvoering van de rechten die slachtoffers reeds toekomen. 2In dat licht zou de wetgever dan ook moeten willen voorzien in meer precieze voorschriften voor de wijze waarop de justitiële autoriteiten klachten ontvangen en verwerken. Het voorstel voor het nieuwe Wetboek van Strafvordering biedt daartoe ook gelegenheid. Het voorgestelde art. 2.1.10 lid 6 schrijft namelijk voor dat bij Algemene Maatregel van Bestuur regels kunnen worden gesteld over de wijze waarop opsporingsambtenaren in verslaglegging van hun bevindingen voorzien. Op basis van dit wetsartikel kan daarmee ook worden voorzien in beleidsregels waarin bijvoorbeeld wordt vastgelegd dat een verbalisant bij het innemen van een aangifte zich steeds rekenschap moet geven van de vraag of sprake is van een klachtdelict, en zo ja, of hij de klachtgerechtigde tegenover zich heeft. De beleidsregel kan voorschrijven dat de verbalisant in dergelijke gevallen steeds moet vastleggen of een uitdrukkelijk verzoek tot vervolging wordt gedaan. Het verdient de voorkeur dat deze vragen onderdeel (gaan) uitmaken van het standaardformat dat wordt gebruikt bij het innemen van een aangifte. Als reeds bij het innemen van de aangifte actief moet worden aangevinkt of wel of geen sprake is van een klachtdelict en of door een klachtgerechtigde een uitdrukkelijk verzoek tot vervolging wordt gedaan, dan zal de rechter zich in minder strafzaken voor de vraag gesteld zien worden of aan het ontbreken van een rechtsgeldige klacht kan worden voorbijgegaan. Dit dient zowel het belang van klachtgerechtigden die vervolging wensen als het belang van klachtgerechtigden die willen dat opsporing en vervolging achterwege blijven.
Het is verdedigbaar dat formele verzuimen worden gepasseerd indien voldoende duidelijk is dat de klachtgerechtigde vervolging wenst, maar die vaststelling maakt dus niet dat aan de vormvereisten omtrent de indiening van de klacht geen belang meer toekomt. In de memorie van toelichting bij het voorgestelde nieuwe Wetboek van Strafvordering is ook opgemerkt dat: “de procedureregels over het indienen van de klacht zijn bedoeld om te verzekeren dat de klachtgerechtigde uitdrukkelijk heeft verzocht strafvervolging in te stellen.”3 In dat licht is het nuttig om opsporingsambtenaren bij het innemen van een aangifte stapsgewijs te werk te laten gaan op een wijze die met zich brengt dat een klacht steeds juist en volledig wordt geadministreerd. Verbetering op dit punt in de praktijk ligt niet in de lijn der verwachting zolang de mogelijkheid van reparatie van gebreken gedurende het strafproces op de voorgrond blijft staan en niet wordt ingezet op een meer richtinggevend protocol bij het innemen van aangiften.
In het verlengde hiervan is het aanbevelenswaardig om expliciet aandacht te besteden aan de positie van de klachtgerechtigde in de Aanwijzing slachtofferrechten. 4De taakuitoefening van het openbaar ministerie op het gebied van opsporing en vervolging wordt in die aanwijzing nader genormeerd. In dat kader bevat de aanwijzing onder meer nadere regels ten behoeve van de bescherming en beoordeling van de individuele positie van het slachtoffer. In de aanwijzing zijn echter geen regels opgenomen die expliciet zien op (de beoordeling van) de opsporing en vervolging ter zake klachtdelicten, ondanks de bijzondere positie van het klachtgerechtigde slachtoffer. Het verdient aanbeveling om de aanwijzing op dit punt aan te vullen en daarin voor te schrijven dat (de vertegenwoordiger van) het openbaar ministerie steeds in een zo vroeg mogelijk stadium actief nagaat of de opsporing en vervolging ziet op een klachtdelict, en zo ja, dat wordt gecontroleerd of een rechtsgeldige klacht van de klachtgerechtigde voorhanden is. Bij het ontbreken van een vereiste klacht dienen de strafvorderlijke activiteiten direct te worden gestaakt. Ook is het mogelijk dat de officier van justitie vaststelt dat twijfel bestaat of de wens tot vervolging afdoende blijkt uit een aangifte van een klachtgerechtigde. In dat geval is het zaak daarover zo spoedig mogelijk duidelijkheid te verkrijgen en pas nadien de opsporing en vervolging voort te zetten. Het voorschrijven van een dergelijke proactieve controle vanuit het openbaar ministerie kan eraan bijdragen dat minder behoeft te worden geleund op de hiervoor omschreven reparatiemogelijkheid lopende het strafproces. Deze voorgestelde aanvulling van de Aanwijzing slachtofferrechten strookt met het in hoofdstuk 6 verwoorde standpunt van Kooijmans dat de rechtsbetrekking tussen het openbaar ministerie en het slachtoffer – waar het gaat om de verwezenlijking van rechten die wettelijk aan slachtoffers zijn toebedeeld – via beleidsmatige initiatieven nader handen en voeten moet worden gegeven.5