Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/6.6.3.1
6.6.3.1 Degene die beroeps- of bedrijfsmatig handelt
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS297974:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Art. 6:185 lid 1 sub c is vormgegeven als een bevrijdend verweer van de aangesproken producent. Dit verweer bestaat uit twee elementen waaraan voor een succesvol beroep daarop voldaan dient te zijn. Naast de eis dat niet beroeps- of bedrijfsmatig is gehandeld, geldt de eis dat het product niet is vervaardigd met een economisch doel. Het eerste vereiste ziet op de hoedanigheid van de producent, het tweede op het doel van de productie.
Voor het in 1995 aan art. 6:181 toegevoegde lid 3 ter omschrijving van degene aan wie een gevaarlijke stof ter beschikking wordt gesteld, geldt dit niet aangezien daarin ook van ‘beroep of bedrijf’ wordt gesproken. Zie daarover par. 6.6.4.
Kamerstukken II 1985/86, 19636, 2, p. 2. Vermeldenswaard is dat ter aanduiding van de ex art. 6:181 en 171 aansprakelijke juist enkel van ‘bedrijf’ werd gesproken, en gedurende de totstandkoming vervolgens discussie ontstond over de interpretatie van dát begrip, onder meer of daaronder ook degene die een ‘beroep’ uitoefent kan worden begrepen.
Kamerstukken II 1988/89, 19636, 9, p. 10. Evenals inzake art. 6:171 en 181, is (ook) voor de toepassing van afd. 6.3.3 BW een winstoogmerk dus niet vereist om met de kwalitatieve aansprakelijkheid te kunnen worden belast.
Kamerstukken II 1988/89, 19636, 9, p. 6; Kamerstukken II 1988/89, 19636, 10; Kamerstukken II 1988/ 89, 19636, 11, p. 1. De bepaling werd uiteindelijk ongewijzigd ingevoerd: Kamerstukken II 1989/90, 21430, 1-2.
Niet alleen via art. 6:185 lid 1 sub c wordt in afd. 6.3.3 BW onderscheid gemaakt tussen de professionele en privésfeer. Zo bepaalt art. 6:190 lid 1 dat de aansprakelijkheid van de producent behoudens personenschade geldt voor schade aan een zaak ‘die gewoonlijk voor gebruik of verbruik in de privésfeer is bestemd en door de benadeelde ook hoofdzakelijk in de privésfeer is gebruikt of verbruikt, met toepassing van een franchise ten belope van € 500.’
Vgl. Spier e.a. 2015/140; Dommering-van Rongen 2000, p. 78; Stolker, GS Onrechtmatige daad, art. 6:185, aant. 2.3.1.
Het is ex art. 6:185 lid 1 sub c als gezegd aan de aangesproken ‘producent’ aan te tonen dat van de uitoefening van een ‘beroep of bedrijf’ geen sprake is.
Spijkerman 2015, p. 164-169.
Spijkerman 2015, p. 167 meent van wel, omdat de particulier als fabrikant van een eindproduct ex art. 6:187 lid 2 kan worden gezien. Hierbij lijkt zij echter te miskennen dat ex art. 6:185 lid 1 sub c ook voor dat geval met zich brengt dat van een ‘beroeps- of bedrijfsmatig’ karakter sprake moet zijn.
Spijkerman 2015, p. 167.
Art. 6:185 lid 1 sub c bepaalt dat de producent niet aansprakelijk is voor schade veroorzaakt door een gebrek in zijn product, indien de vervaarding of verspreiding hiervan niet plaatsvond ‘in het kader van de uitoefening van zijn beroep of bedrijf’.1 Met andere woorden, afd. 6.3.3 BW heeft betrekking op de producent die beroeps- of bedrijfsmatig handelt. Hiermee is de regeling van de productenaansprakelijkheid voor wat betreft de aansprakelijke persoon in ieder geval ‘tekstueel’ ruimer opgezet dan de vuistregel van art. 6:181, waarin immers enkel van ‘bedrijf’ en niet ook van ‘beroep’ wordt gesproken.2 Wordt de maatstaf ‘beroep of bedrijf’ in de zin van art. 6:185 lid 1 sub c nader beschouwd, dan blijkt dat de aanvankelijk voorgestelde tekst van deze bepaling enkel van ‘beroep’ sprak.3 In de toelichting hierop werd echter aangetekend dat onder deze term de beroeps- é n bedrijfsmatig handelende producent verstaan moest worden.4 Beoogd werd namelijk, aldus de toelichting, degene die buiten zijn ‘beroep of bedrijf’ een product vervaardigt en dit zonder commercieel oogmerk in het verkeer brengt, niet met een kwalitatieve aansprakelijkheid daarvoor te belasten. Voorts vermeldde de toelichting dat in dit verband onder ‘bedrijf’ mede het overheidsbedrijf kan worden begrepen.5 Ondanks deze toelichting werd vanuit de Tweede Kamer kritisch opgemerkt dat de tekst van art. 6:185 lid 1 sub c toch enkel sprak van ‘beroep’. Men vroeg zich af waarom in de wettekst niet ook de term ‘bedrijf’ was opgenomen. Daarnaast werd de minister verzocht in te gaan op de positie van gemeentelijke en provinciale overheden; kan een overheidslichaam ook als producent in de zin van art. 6:185 lid 1 sub c hebben te gelden?6 De minister reageerde als volgt:
‘De vraag van de leden van de C.D.A.-fractie of onder de uitoefening van een beroep in dit onderdeel de uitoefening van een bedrijf mag worden begrepen, beantwoorden wij bevestigend. De Franse tekst spreekt in dit verband over een “activit é professionelle”, hetgeen betrekking heeft op de uitoefening van zowel een beroep als een bedrijf. (...) De vraag van deze leden of in de opzet van de wettelijke regeling ook gemeentelijke en provinciale overheden producent kunnen zijn, beantwoorden wij bevestigend.’7 (curs. AK)
Met de term ‘beroep’ in het oorspronkelijk voorgestelde art. 6:185 lid 1 sub c werd dus ook gedoeld op het ‘bedrijf’ en de overheid. Volgens de toelichting drukt de term ‘beroep’ uit dat de regeling van productenaansprakelijkheid ziet op alle professionele activiteiten. Hiernaast leert de toelichting op art. 6:185 lid 1 sub c nog dat het profijtbeginsel in dit verband niet beslissend is. De toelichting wijst ter illustratie op bloedbanken als producent van uit donorbloed bereide producten. Bloedproducten worden volgens de toelichting wel in het kader van de uitoefening van een ‘bedrijf’ vervaardigd als bedoeld in art. 6:185 lid 1 sub c, ook al is geen sprake van een ‘bedrijf’ met een winstoogmerk.8 Een bloedbank handelt immers nu eenmaal als professional c.q. niet in de particuliere of privésfeer; het al of niet bestaan van een winstoogmerk maakt dat niet anders. Gelet op de ruime groep ‘producenten’ die de minister gezien het vorenstaande voor ogen had bij de regeling van de productenaansprakelijkheid is het opmerkelijk te noemen dat in het aanvankelijk voorgestelde art. 6:185 lid 1 sub c enkel werd gesproken van de uitoefening van een ‘beroep’. De minister weet deze ‘terminologische oneffenheid’ aan de omstandigheid dat het na het bereiken van het politieke compromis over de aan de regeling ten grondslag liggende EG-richtlijn moeilijk was in de nog beschikbare korte tijd taalkundige wijzigingen in de teksten in de verschillende talen aan te brengen, zonder opnieuw inhoudelijke discussies op te roepen. Toch was de Tweede Kamer niet overtuigd: zij meende dat het toch aanbeveling verdiende in de wettekst zelf in ieder geval tot uitdrukking te brengen dat het begrip ‘beroep’ tevens ‘bedrijf’ omvat.9 Hoewel volgens de minister ‘op dit punt geen twijfel kan bestaan over de bedoeling van de richtlijn’ was hij ter voorkoming van onduidelijkheid bereid de verlangde aanpassing door te voeren.10 Omtrent de aangepaste, nieuwe maatstaf ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf’ gaf de toelichting op art. 6:185 lid 1 sub c nog aan:
‘Door deze beperkingen blijven (...) produkten die in de priv é sfeer worden vervaardigd of gedistribueerd buiten het bereik van de richtlijn.’11 (curs. AK)
Dat de kwalitatieve aansprakelijkheid van afd. 6.3.3 BW is bedoeld voor professionele activiteiten en aldus niet ziet op producenten in de priv é sfeer,12 komt ook tot uitdrukking in de literatuur. Eensluidend wordt aangenomen dat art. 6:185 lid 1 sub c beoogt vervaardiging en verspreiding van producten ‘in de privésfeer’ van aansprakelijkheid uit te sluiten. Als voorbeelden worden wel genoemd schade door ondeugdelijke, zelfgemaakte maaltijden in de privésfeer die met buren of vrienden worden gedeeld en de liefdadigheidsinstelling die zelfgemaakte etens waren verkoopt.13 Een overheidsziekenhuis dat zijn diensten ten laste van openbare middelen aanbiedt, zonder daarvoor een rechtstreekse betaling van de patiënt te vragen, wordt wel geacht een ‘beroep of bedrijf’ in de zin van art. 6:185 lid 1 sub c uit te oefenen. Nu gaat het immers wel om een ‘professional’, terwijl een winstoogmerk als gebleken niet nodig is voor de toepasselijkheid van afd. 6.3.3 BW. Gelet op dit laatste behoeft het in mijn ogen overigens niet in alle gevallen even vanzelfsprekend te zijn dat een liefdadigheidsinstelling als voornoemd niet voldoet aan het vereiste van ‘beroep of bedrijf’ in de zin van art. 6:185 lid 1 sub c. Waar het steeds op aankomt, is of een dergelijke instelling als (voldoende) ‘professioneel’ kwalificeert. Grensgevallen zouden zich dan kunnen voordoen. Betreft het een kleinschalige organisatie, ‘voor en door vrijwilligers’, met louter een gezelligheidskarakter, dan schuurt men inderdaad aan tegen de privésfeer. Zijn de betreffende instelling en haar activiteiten echter ‘professioneler’ georganiseerd, dan acht ik het niet ondenkbaar dat het uitoefenen van een ‘beroep of bedrijf’ in de zin van art. 6:185 lid 1 sub c weldegelijk in beeld kan komen.14 Over de eveneens in de literatuur wel genoemde persoon in de privésfeer die zijn buren uitnodigt een zelfgemaakte taart te eten, zal weinig discussie mogelijk zijn. Aardig in dit verband is nog de opkomst van de zogeheten 3D-printer, ook in de particuliere sfeer.15 Stel dat een derde schade lijdt door een gebrekkig ‘3D-object’, afkomstig van een dergelijke ‘fabriek op het aanrecht’. Zou de betreffende producent in de priv é sfeer (toch) geacht kunnen worden beroeps- of bedrijfsmatig te hebben gehandeld?16 Van het in beginsel particuliere 3D-printen zou op zijn minst gezegd kunnen worden dat dit aanschuurt tegen de professionele sfeer. Een 3D-printer is immers als een ‘mini-fabriek’ te beschouwen, die door het gebruik van grondstoffen 3D-objecten produceert.17