Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/6.6.4.3
6.6.4.3 Geen differentiatie ondanks verschillende ‘gevaarsobjecten’
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS305216:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. over de ‘voorgeschiedenis en doelstellingen’ van de Aanvullingswet 1995 nader Kamerstukken II 1988/89, 21202, 3, p. 2-6. Zie over de achtergrond van de wet ook Spier en Sterk 1995, p. 1-9. Zie ook Parl. gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1344-1346, 1390-1392.
Zie ook par. 3.3.3.2 en par. 6.5.3.4, waaruit volgt dat wat voor het bedrijfsbegrip van art. 6:181 voor één van de in art. 6:173, 174 en 179 bedoelde ‘gevaarsobjecten’ geldt, gelijkelijk opgaat voor de overige.
Ik doel op art. 6:175 lid 1 en 2, alsmede art. 6:181 lid 3.
Kan het vorenstaande nog anders zijn omdat lid 3 van art. 6:181 op andere ‘gevaarsobjecten’ (gevaarlijke stoffen) ziet dan lid 1 en 2 van art. 6:181 (roerende zaken, opstallen en dieren)? Dat bij de toepassing van het kwalitatieve aansprakelijkheidsrecht gedifferentieerd kan worden tussen in ieder geval opstallen en dieren volgt immers reeds uit HR 8 oktober 2010, NJ 2011/465, m.nt. Hartlief (Hangmat) en HR 29 januari 2016, NJ 2016/173, m.nt. Hartlief (Paard Imagine). Hieruit volgt in mijn ogen echter niet dat bij de toepassing van het bedrijfsbegrip binnen art. 6:181 differentiatie behoort plaats te vinden al naar gelang het gaat om gevaarlijke stoffen, zaken of dieren. Tussen (de kwalitatieve aansprakelijkheden voor) deze gevaarsobjecten bestaat namelijk juist een zekere samenhang. Zo was de in 1995 ingevoerde aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen nadrukkelijk geplaatst in het perspectief van de aansprakelijkheid voor schade door aantasting van het milieu.1 In de toelichting op de Aanvullingswet 1995 is hierbij aangegeven dat art. 6:175 werd ‘ingepast’ in de aansprakelijkheden die in 1992 al in afd. 6.3.2 BW tot wet waren verheven, alsook dat die reeds bestaande aansprakelijkheden en het ‘nieuwe’ art. 6:175 ‘in onderling verband’ moeten worden bezien.2 Blijkens de toelichting werd hier van de reeds sinds 1992 bestaande aansprakelijkheden vooral aan art. 6:173 en 174 gedacht:3
‘Voor wat betreft schade door verontreiniging van het milieu, vormen de artikelen [6:173] (roerende zaken) en [6:174] (gebouwen en werken) reeds belangrijke bronnen van risicoaansprakelijkheid. Men denke aan lekkende vaten, zakken, flessen, of containers, aan gebrekkige roerende of onroerende tanks en aan de in artikel [6:174] lid 2 bedoelde leidingen.’
De(zelfde) strekking van c.q. onderlinge band tussen de aansprakelijkheden voor roerende zaken en opstallen enerzijds en anderzijds die voor gevaarlijke stoffen, pleit voor consistentie in de hoedanigheid van de voor deze ‘gevaarsobjecten’ kwalitatief aansprakelijke persoon. Relevant is dan dat in de wetsgeschiedenis het ‘bedrijfsbegrip’ in art. 6:181 lid 1 en 2 niet is gepreciseerd, terwijl wél duidelijk is gemaakt dat de aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen ex art. 6:175 lid 1-2 en art. 6:181 lid 3 is bedoeld voor de ‘professional’. Het komt logisch voor dat het in de context van art. 6:181 lid 1 en 2 jo. 173 en 174 dan eveneens gaat om degene met een dergelijke hoedanigheid. En nu hetgeen voor de in art. 6:173 en 174 bedoelde zaken met betrekking tot het bedrijfsbegrip van art. 6:181 ook opgaat voor de daarmee ‘in één adem’ in art. 6:181 lid 1 en 2 genoemde dieren,4 zal de aansprakelijkheid ex art. 6:181 lid 1 en 2 jo. 179 eveneens rusten op de professionele gebruiker.
Er bestaat echter ook een meer direct verband tussen de in art. 6:179 bedoelde dieren en in art. 6:175 opgenomen gevaarlijke stoffen. De wetgever heeft deze twee soorten ‘gevaarsobjecten’ in zekere zin op één lijn gesteld: de dieren en gevaarlijke stoffen behoren in zijn ogen tot dezelfde groep zaken die ‘om andere redenen dan op grond van een gebrek een bijzonder gevaar opleveren’, namelijk vanwege eigenschappen die gevaarlijke stoffen en dieren nu eenmaal (behoren te) hebben.5 De in art. 6:175 en 179 bedoelde objecten hebben gemeen dat zij niet ‘verhoogd’ gevaarlijk zijn vanwege een gebrek, zoals de in art. 6:173 en 174 bedoelde zaken, maar vanwege hun aard.6 Nu art. 6:175 jo. 181 lid 3 (gevaarlijke stoffen) en art. 6:181 lid 1 en 2 jo. 179 (dieren) aldus zien op – naar hun aard – ‘vergelijkbare’ gevaarsobjecten, ligt het in de rede dat in geval van ‘vergelijkbare’ wetstermen (‘bedrijf’ c.q. ‘beroep of bedrijf’) de hoedanigheid van de daarmee aangeduide kwalitatief aansprakelijke persoon ook ‘vergelijkbaar’ is. Nu de term ‘bedrijf’ en ook ‘beroep of bedrijf’ op het terrein van de gevaarlijke stoffen de betekenis van de ‘professional’ hebben,7 komt het logisch voor dat die hoedanigheid ook geldt voor de in art. 6:181 lid 1 en 2 jo. 6:179 bedoelde gebruiker van dieren. Hiermee is de cirkel rond, aangezien hetgeen op het punt van het bedrijfsbegrip van art. 6:181 lid 1 en 2 voor de in art. 6:179 bedoelde dieren geldt ook van betekenis is voor de eveneens in art. 6:181 lid 1 en 2 genoemde roerende zaken en opstallen uit art. 6:173 en 174.