Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/2.6
2.6 Afschaffing van de vervolguitkering in 2003
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258947:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 19 december 2003, tot wijziging van de Werkloosheidswet in verband met afschaffing van de vervolguitkering, Stb. 2003, 546 (voorbereid in Kamerstukken II 2003/04, 29268).
De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) wordt vanaf 1 januari 2015 geleidelijk afgebouwd; werknemers die geboren zijn voor 1 januari 1965 kunnen nog gebruik maken van de IOAW.
Kamerstukken II 2003/04, 29268, nr. 3, p. 2. De MvT noemt het volgende onderzoek waaruit dit blijkt. “Riant aan de kant: Een analyse van de invloed van uitkeringsvoorwaarden op werkloosheidsduur” uit Rapport Statistiek en Onderzoek GAK, juli 1991. Enkel de uitkomsten van het onderzoek beschreven in de MvT zijn hier genoemd.
Terwijl in 1995 de vervolguitkering werd verlengd om de groep met een duidelijke band met het arbeidsproces te ‘belonen’, werd in 2003 weer aan de knoppen gedraaid, maar nu de andere kant op. Per 11 augustus 2003 werd de vervolguitkering afgeschaft voor werknemers die op die datum of nadien werkloos waren geworden.1 Uit de Kamerstukken bij het wetsvoorstel blijkt een kentering in denkwijze van het kabinet over de vervolguitkering. Een kentering ingegeven door de verwachting dat als gevolg van de toename van de werkloosheid het beroep op de WW zal stijgen van 160.000 uitkeringsjaren in 2002 tot 340.000 uitkeringsjaren in 2007. Een maatregel om het beroep op de WW te beperken zou daarom noodzakelijk zijn.2
Het kabinet memoreerde dat de vervolguitkering in 1987 is ingevoerd met als doel een verdergaande individualisering van uitkeringsrechten te realiseren, aangezien de uitkering geen toetsing aan een partnerinkomen kende. Het doel was “een vloeiende overgang te bereiken tussen de regelingen op grond van de loondervingsfunctie en die op grond van de minimumbehoeftefunctie, door uitstel van toepassing van de inkomenstoets op de volledige uitkering.”3 De vervolguitkering was ingevoerd om aan de sobere levensstijl te wennen die de bijstand of de IOAW4 met zich mee zou brengen, maar zonder de toepasselijke vermogens- of partnertoets. In het licht van de verwachte toename van het beroep op de WW zag het kabinet nu (anno 2003) evenwel de noodzaak tot het maken van keuzes.5
Het kabinet maakte voorts melding van een onderzoek6 van het GAK in juli 1991 waaruit blijkt dat werklozen anticiperen op een eventuele verlaging van hun uitkering in die zin dat werklozen die een verlaging van hun uitkering te wachten staat, sneller uitstromen dan andere werklozen. De (door de vervolguitkering) lange duur van de WW-uitkering stond volgens het kabinet op gespannen voet met de gewenste activering in het stelsel van de sociale zekerheid. De afschaffing van de vervolguitkering zou, in het licht van dit onderzoek, de prikkel tot werkhervatting versterken en daardoor ook het activerende karakter van de WW.7
Uit de Nota naar aanleiding van het Verslag in de Tweede Kamer blijkt dat verschillende partijen kritische kanttekeningen bij de afschaffing van de vervolguitkering hebben geplaatst.8 Opvallend is dat bij de vraag of er alternatieve maatregelen beschikbaar zijn, wordt gemeld dat de besparingen die voortvloeien uit deze maatregel al zijn ingeboekt voor de jaren 2004 tot en met 2007. Latere invoering van deze maatregel (of een andere maatregel) zou tot besparingsverliezen leiden en bovendien zou invoering van andere maatregelen extra tijd kosten aangezien daar ook een wetswijziging mee gemoeid zou zijn.9 Ook vanwege uitvoeringstechnische redenen bij het UWV is niet gekozen voor een andere maatregel, bijvoorbeeld een beperking van de vervolguitkering tot één jaar voor lopende WW-uitkeringen.10 Het is mijns inziens opvallend dat het financiële aspect sterk van belang was bij de afschaffing, maar dat in de memorie van toelichting vooral als argument werd aangevoerd dat afschaffing van de vervolguitkering een activerende werking zou hebben.