Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen
Einde inhoudsopgave
Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen (VDHI nr. 147) 2018/7.5.4:7.5.4 De kredietovereenkomst
Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen (VDHI nr. 147) 2018/7.5.4
7.5.4 De kredietovereenkomst
Documentgegevens:
mr. R.A.F. Timmermans, datum 01-10-2017
- Datum
01-10-2017
- Auteur
mr. R.A.F. Timmermans
- JCDI
JCDI:ADS347058:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In de meeste optieovereenkomsten is een dergelijke afspraak tussen de stichting en de vennootschap opgenomen. Zie hierover paragraaf 5.3.4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
a. Algemene voorwaarden
De voorwaarden waaronder de financiering door de bank wordt verstrekt, worden in een kredietovereenkomst vastgelegd. Op grond van deze kredietovereenkomst kan de stichting een bedrag opvragen bij de bank, waarmee zij de storting van 25% van het totale nominale bedrag van de door haar te nemen beschermingsprefs kan verrichten. Vaak stelt de bank als opschortende voorwaarde dat de gelden slechts zullen worden verstrekt nadat zij de in paragraaf 7.5.3 onder a genoemde documenten heeft ontvangen. Ook komt wel voor dat de stichting en de bank met elkaar overeenkomen dat bepaalde documenten voorafgaand aan de bereidstelling aan de bank moeten worden overhandigd en andere documenten eerst voorafgaand aan de trekking moeten worden overhandigd aan de bank. Is aan de opschortende voorwaarden voldaan, dan zal de stichting op elk moment een onherroepelijk schriftelijk trekkingsverzoek kunnen indienen bij de bank. Vaak is in de kredietovereenkomst bepaald dat uitstaande en/of verschuldigde bedragen door de stichting uiterlijk moeten zijn voldaan op de datum die twee jaar ligt vanaf de datum van eerste trekking. Deze termijn van twee jaar sluit aan bij het bepaalde in art. 5:71 letter c Wft op grond waarvan de stichting continuïteit is vrijgesteld van het uitbrengen van een verplicht bod, mits zij niet langer dan twee jaar na aankondiging van een openbaar bod overwegende zeggenschap heeft in de vennootschap. Dergelijke afspraken kunnen de stichting belemmeren in haar bewegingsvrijheid en zouden naar mijn idee zoveel mogelijk vermeden moeten worden.
De bank stelt het bedrag dat onder de kredietovereenkomst kan worden geleend beschikbaar voor een vaste periode die aanvangt vanaf het moment waarop de kredietovereenkomst wordt getekend, waarna de looptijd steeds stilzwijgend en onder dezelfde voorwaarden voor een gelijke periode wordt verlengd. De bank kan het recht behouden om af te zien van stilzwijgende verlenging. Ziet de bank daar van af, dan zal een zekere opzegtermijn in acht genomen worden. Indien de stichting een trekkingsverzoek indient, loopt de periode van beschikbaarheid automatisch af na een periode van – meestal – twee jaar vanaf de datum van trekking. Automatische verlenging vindt dan niet plaats.
b. Rentepercentage
Meestal hanteert de bank een Euro Interbank Offered Rate (afgekort als EURIBOR) als rentetarief met daarop een bepaalde marge. EURIBOR is een rentetarief waartegen een groot aantal Europese banken elkaar leningen in euro’s verstrekken. Er zijn 15 EURIBOR rentetarieven met allemaal een verschillende looptijd die iedere dag opnieuw worden vastgesteld. Hoe langer de looptijd is, des te hoger is het rentepercentage. In de praktijk wordt meestal voor een kort lopend EURIBOR rentetarief van 1 tot 3 maanden gekozen. Het rentetarief dat wordt gehanteerd is in de regel gelijk aan het tarief dat de bank betaalt om het leningsbedrag uit de markt te halen. Vaak wordt daar bovenop nog een marge door de bank berekend. De marge bedraagt zo rond de 2% en vormt winst voor de bank. Dit rentepercentage is afhankelijk van zowel de kredietwaardigheid van de stichting, alsook van dat van de bank. Hoe lager de kredietwaardigheid van de bank, des te moeilijker het zal zijn voor de bank om het leningsbedrag uit de markt te halen. De kredietwaardigheid van de stichting hangt af van de waarde van haar enige activum, zijnde de beschermingsprefs. De waarde van de beschermingsprefs is afhankelijk van de vraag of de vennootschap winst maakt. Gaat het goed met de vennootschap, dan zal de waarde van de beschermingsprefs constant zijn. De stichting kan ervan uitgaan dat het preferent dividend netjes wordt uitgekeerd en dat ze daarmee aan haar verplichtingen uit hoofde van de kredietovereenkomst kan voldoen. Gaat het niet goed met de vennootschap en kan zij geen preferent dividend uitkeren, dan zal de kredietwaardigheid van de stichting dalen. Een ander belangrijk element is de mogelijkheid voor de stichting om van de vennootschap inkoop of intrekking van de beschermingsprefs met terugbetaling van het op de beschermingsprefs gestorte bedrag te verlangen. Indien de stichting een dergelijk recht heeft en de vennootschap zich heeft gecommitteerd om aan een dergelijk verzoek mee te werken, dan geeft dat de bank meer zekerheid dat de lening wordt afgelost.1 Dit kan ertoe leiden dat de financiering van de stichting door de bank een stuk gemakkelijker en ook goedkoper wordt. De voorgaande factoren zullen door de bank in ogenschouw genomen worden bij de vaststelling van de hoogte van de marge.
In de meeste gevallen wordt in de kredietovereenkomst voorzien in situaties waarin de bank het geleende bedrag vervroegd kan opeisen. Indien sprake is van een vervroegde opeisbaarheidsgrond worden het rentetarief en de marge nog wel eens verhoogd met een bepaald percentage. In dat geval betaalt de stichting een boeterente. Indien de stichting haar renteverplichtingen niet kan nakomen, zal zij dat aan de bank moeten melden. Het niet-nakomen van de renteverplichtingen vormt over het algemeen een opeisbaarheidsgrond voor de bank.