Einde inhoudsopgave
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/7.3.1.4
7.3.1.4 Wetsvoorstel leidingbeheerdersregistratie
Dr. mr. B.A.M. Janssen, datum 08-12-2010
- Datum
08-12-2010
- Auteur
Dr. mr. B.A.M. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS620964:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken // 1983/84, 18 478, nr. 1-2.
Kamerstukken II 1986/87, 18 478, nr. 7.
'In dat eindverslag wordt gewezen op de recente toename van het aantal op initiatief van (organisaties van) leidingbeheerders tot stand gekomen of in oprichting zijnde informatiecentra die zich eveneens ten doel stellen de informatievoorziening omtrent de ligging van leidingen te verbeteren. Ook verschillende gemeenten ontplooien initiatieven terzake. Deze ontwikkelingen en de daaromtrent in het eindverslag gestelde vragen zijn voor ons aanleiding geweest om ons nog eens op de noodzaak van het onderhavige wetsvoorstel te bezinnen. Wij zijn tot de conclusie gekomen dat het, gelet op genoemde ontwikkelingen, mogelijk moet zijn de doelstellingen van het wetsvoorstel ook zonder wettelijke regeling te bereiken. '.
In 1984 werd, als uitvoering van de eerste door de Studiecommissie voorgestelde stap, het wetsvoorstel Wet leidingbeheerdersregistratie1 ingediend. Het wetsvoorstel hield, kort gezegd, in dat twee verplichtingen aan leidingbeheerders werden opgelegd. De eerste verplichting was dat de leidingbeheerders aan het Kadaster, dan wel aan een gemeente die toestemming had om zelf een registratie bij te houden, opgave moest doen van de gebieden waarin zij leidingen hadden liggen en van de adressen waar inlichtingen betreffende de ligging van de leidingen te verkrijgen waren. De tweede verplichting was dat degene die als leidingbeheerder geregistreerd stond desgevraagd aan belanghebbenden inlichtingen betreffende de ligging van de onder zijn beheer staande leidingen moest verstrekken, welke inlichtingen zo nauwkeurig dienden te zijn als redelijkerwijs verlangd kon worden. De belanghebbenden zouden de gewenste inlichtingen via het Kadaster of de gemeente ontvangen. Het Kadaster zou de gegevens in de registratie regelmatig op juistheid dienen te controleren door de gegevens ter verificatie aan de leidingbeheerders aan te bieden. Het wetsvoorstel werd door de diverse Kamerfracties positief ontvangen omdat de fracties de materie van kabels en leidingen maatschappelijk relevant vonden en tevens inzagen dat een regeling over de registratie gewenst zou zijn. De VVD-fractie liet echter doorschemeren dat een wettelijke regeling over informatievoorziening en informatie-uitwisseling niet zonder meer noodzakelijk was omdat particuliere initiatieven (bijvoorbeeld de voorloper van KLIC in de provincie Limburg) even goed of wellicht beter zouden kunnen functioneren. In het licht van de midden jaren tachtig (van de vorige eeuw) ingezette privatisering en deregulering zouden deze particuliere initiatieven juist meer gestimuleerd dienen te worden zodat een wettelijke regeling achterwege kon blijven. In antwoord hierop werd door de staatssecretaris van VROM en de minister van V&W gesteld dat een wettelijke regeling noodzakelijk was omdat de particuliere initiatieven geen zekerheid konden bieden dat alle leidingbeheerders aan een dergelijk initiatief zouden mee (blijven) werken. Deze initiatieven waren te zeer gericht op vrijwilligheid en dit zou enkel opgeheven kunnen worden door een wettelijke regeling. De diverse fracties waren teleurgesteld over de wijze waarop de regering de noodzaak voor een wettelijke regeling verdedigde en daarmee de particuliere initiatieven en de resultaten van deze initiatieven terzijde schoof. Ook werd vanuit de organisaties van leiding-beheerders forse kritiek geuit op het wetsvoorstel omdat dit een onnodige doorkruising van de particuliere initiatieven betekende. Leidingbeheerders zouden juist zelf de kwaliteit van goede en deugdelijke registraties nastreven en bewaken vanwege het belang dat daarmee voor hen is gemoeid. De regering had met het wetsvoorstel de leidingbeheerders geen enkel vertrouwen gegeven dat een registratie van overheidswege een betere garantie zou impliceren. De kritiek van de diverse fracties alsmede de lobby vanuit de organisaties van leidingbeheerders en particuliere initiatieven werkten effectief en deze partijen kregen uiteindelijk hun zin. Bij brief van 24 december 19862 werd door de ministers van VROM en V&W het onderhavige wetsvoorstel ingetrokken.3