Wie heeft de leiding?
Einde inhoudsopgave
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/2.2.2.2:2.2.2.2 Belemmeringenwet privaatrecht (Bwp)
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/2.2.2.2
2.2.2.2 Belemmeringenwet privaatrecht (Bwp)
Documentgegevens:
Dr. mr. B.A.M. Janssen, datum 08-12-2010
- Datum
08-12-2010
- Auteur
Dr. mr. B.A.M. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS619764:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Volgens artikel 3:14 BW mag een bevoegdheid die iemand krachtens het burgerlijk recht toekomt niet in strijd met geschreven of ongeschreven regels van het publiekrecht worden uitgeoefend. Derhalve kan het ongeschreven publiekrecht het eigendomsrecht niet alleen beperken, het is ook niet toegestaan om in strijd met het ongeschreven publiekrecht een burgerlijk recht — waaronder het eigendomsrecht — uit te oefenen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Bwp biedt (leiding)beheerders van een openbaar werk een wettelijk instrument om ten behoeve van aanleg of instandhouding evenals verandering van een (bestaand) werk in, op of boven onroerende zaken van een ander, deze en zijn rechtsopvolgers te verplichten de aanleg, aanwezigheid, of de verandering van een (bestaand) werk te gedogen. Het gebruik of genot van de grondeigenaar wordt echter — in tegenstelling tot onteigening — niet zodanig beperkt dat er onvermijdelijk een einde komt aan de gebruiksmogelijkheden van de grond door de grondeigenaar. Bij het opleggen van een gedoogplicht op grond van de Bwp heeft de grondeigenaar recht op schadevergoeding.
Het Bwp-instrument is ontwikkeld ter verwezenlijking van werken waarvoor redelijkerwijze geen onteigening noodzakelijk is. Dat wil zeggen ten behoeve van werken die de gebruiksmogelijkheden van onroerende zaken niet wezenlijk aantasten. De gedoogplicht op grond van de Bwp heeft bepaalde zakelijke werking (art. 6 Bwp) en bepaalde derdenwerking bij inschrijving in de openbare registers. De gedoogplicht is geen vorm van eigendom, maar eerder een 'mildere' vorm van onteigening. Bij een gedoogplicht is dus niet sprake van eigendomsovergang, hetgeen bij onteigening wel het geval is. Een gedoogplicht brengt dan ook geen horizontale scheiding van de eigendom met zich. De 'verticale natrekking' blijft prevaleren. Voorbeelden van openbare werken waarvoor een gedoogplicht conform de Bwp wordt ingeroepen zijn onder meer gas-, olie-, drink- en afvalwatertransportleidingen, elektriciteitswerken, centrale antennewerken en onder- en bovengrondse hoogspanningsverbindingen.
Voor het gedogen van een leiding of pomp als noodwaterleiding kan, in afwijking van het vorenstaande, ook nog de gedoogplicht op basis van artikel 5:58 BW gelden. Dit artikel maakt het mogelijk dat een eigenaar van een erf die een hoeveelheid water elders tot zijn beschikking heeft en dit door een leiding wil aanvoeren, tegen vooraf te betalen of te verzekeren schadevergoeding van eigenaren van naburige erven kan vorderen om te gedogen dat deze leiding door of over hun erven gaat.
De derde beperking die in artikel 5:1, tweede lid BW is genoemd, is die van het ongeschreven recht. Hierbij moet gedacht worden aan de onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW) of misbruik van bevoegdheid (artikel 3:13 BW), maar ook aan de regels van het ongeschreven publiekrecht1 zoals de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.