Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/11.2.2.1
11.2.2.1 Funke
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940204:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 25 februari 1993 (Funke), nr. 82/1991/334/407, V-N 1993, p. 3158, punt 4, BNB 1993/350, FED 1993/628, NJ 1993, 485.
In dezelfde zin: Knigge in zijn noot bij het arrest in NJ 1993, 485 (punt 1), alsmede Wijsman 2017, p. 10.
In de literatuur werd dat doorgaans juist wél gedaan, zie Knigge in zijn noot bij het arrest in NJ 1993, 485 (punt 2). Ook de Hoge Raad zocht aanvankelijk de rechtsgrond in art. 6 lid 2 EVRM, zie bijvoorbeeld HR 11 december 1991, BNB 1992/243. De verbondenheid van het zwijgrecht met de onschuldpresumptie wordt evenwel nog steeds sterk gevoeld, zie Hof Arnhem-Leeuwarden 15 augustus 2017, V-N 2017/60.3, r.o. 4.5.
Vgl. Knigge in zijn noot bij het arrest in NJ 1993, 485 (punt 3).
Met het arrest Funke heeft het EHRM in 1993 de basis gelegd voor de erkenning van het nemo tenetur-beginsel.1 Het EHRM leidde het recht om zichzelf niet te beschuldigen in dat arrest rechtstreeks af uit de overkoepelende rechtsnorm van een fair hearing, zoals die is vastgelegd in art. 6 lid 1 EVRM.2 Het EHRM grondde de toepasselijkheid van het nemo tenetur-beginsel dus niet op de onschuldpresumptie van art. 6 lid 2 EVRM.3 Het EHRM zag de strijdigheid met art. 6 EVRM vooral in de poging van de autoriteiten om Funke onder druk te zetten door hem veroordeeld te krijgen tot afgifte van documenten waarvan zij het bestaan vermoedden (bankafschriften van buitenlandse bankrekeningen).4