Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen
Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/8.4.2.4:8.4.2.4 Overlijden niet-tijdelijk genotsgerechtigde
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/8.4.2.4
8.4.2.4 Overlijden niet-tijdelijk genotsgerechtigde
Documentgegevens:
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS452955:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761. nr. 3, blz. 63-64 alsmede de nota naar aanleiding van het verslag Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 7, blz. 66-67.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ingevolge art. 20a, negende lid, onderdeel d, Wet IB wordt de niet-tijdelijk genotsgerechtigde van aanmerkelijkbelangaandelen aangemerkt als aandeelhouder (zie hoofdstuk 5, onderdeel 5.2.1). Dit betekent dat de niet-tijdelijk genotsgerechtigde van aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen op grond van art. 20a, derde of vijfde lid, Wet IB aanmerkelijkbelanghouder kan zijn met een eigen verkrijgingsprijs. Overlijdt de (niet-tijdelijk) genotsgerechtigde, dan gaat het (niet-tijdelijke) genotsrecht veelal teniet (behoudens in geval van een gezamenlijk of opvolgend genotsrecht). Aangezien het tenietgaan van een (niet-tijdelijk) genotsrecht in art. 20a, zesde lid, Wet IB niet als een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling is aangemerkt, diende een regeling te worden getroffen die moest vermijden dat de verkrijgingsprijs die aan het niet-tijdelijke genotsrecht kan worden toegerekend, verloren zou gaan. Art. 20, zeventiende lid, Wet IB bevat een dergelijke regeling. Ingevolge deze bepaling wordt het restant aan verkrijgingsprijs als negatief vervreemdingsvoordeel in aanmerking genomen, indien de (niet-tijdelijk) genotsgerechtigde overlijdt.1 Vervolgens wast bij de blote eigenaar/aanmerkelijkbelanghouder de blote eigendom aan tot de volle eigendom met een daaraan toe te rekenen verkrijgingsprijs ter grootte van de blote eigendom. Met name gaat de verkrijgingsprijs van de niet-tijdelijk genotsgerechtigde niet over op de blote eigenaar van de aanmerkelijkbelangaandelen die daarmee weer de volledige verkrijgingsprijs zou verkrijgen. Dit zou overigens in een meer subjectieve aanmerkelijkbelangheffing ook geen juiste oplossing zijn. Aan de huidige aanmerkelijkbelangregeling ligt immers de gedachte ten grondslag dat het daadwerkelijk behaalde voordeel gedurende de bezitsperiode van de aanmerkelijkbelanghouder, i.e. de niet-tijdelijk genotsgerechtigde, in de aanmerkelijkbelangheffing wordt betrokken. De huidige regeling van art. 20c, zeventiende lid, Wet IB bewerkstelligt dit.