Recht, plicht, remedie
Einde inhoudsopgave
Recht, plicht, remedie (R&P nr. CA25) 2022/3.2.2.3:3.2.2.3 De weigering wegens misbruik van recht
Recht, plicht, remedie (R&P nr. CA25) 2022/3.2.2.3
3.2.2.3 De weigering wegens misbruik van recht
Documentgegevens:
W.Th. Nuninga, datum 23-06-2022
- Datum
23-06-2022
- Auteur
W.Th. Nuninga
- JCDI
JCDI:ADS657506:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 17 april 1970, ECLI:NL:HR:1970:AC5012, NJ 1971/89, m.nt. Ph.A.N. Houwing (Kuipers/De Jongh).
Ibid.
Schrage 2019, p. 8-14, 29.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De meest fundamentele weigeringsgrond is echter die van misbruik van recht. Ook hier kan het bevel worden afgewezen op basis van een belangenafweging, al wordt de lat nadrukkelijk hoog gelegd. De gerechtigde mag dan een recht op toewijzing hebben, het recht misbruiken mag hij nooit.
In Kuipers/De Jongh erkende de Hoge Raad dat een bevel ondanks het feit dat daarop in beginsel aanspraak bestaattoch kan worden afgewezen als de inzet van de remedie kwalificeert als misbruik van recht.1 Het draaide hier om de garage van Kuipers die deels op het erf van De Jongh bleek te zijn gebouwd. Een erfoverschrijding is onrechtmatig en een bevel tot verwijdering lag in de rede. Toch zag de Hoge Raad hier reden het verbod af te wijzen. Dat had te maken met de disbalans in belangen – de kosten van verplaatsing lagen natuurlijk veel hoger dan de schadevergoeding die Kuipers eventueel zou moeten betalen – maar misbruik van recht eist meer dan financiële wanverhouding alleen. De casus van Kuipers/De Jongh geeft een goede illustratie van wat precies bij de beoordeling moet worden betrokken.
Toen Kuipers zijn woning kocht werd de erfafscheiding feitelijk gevormd door een heg. Naar zijn weten was dat ook de kadastrale grens. In werkelijkheid bleek die heg voor 76 cm op het erf van mevrouw De Jongh te staan. Toen hij zich voornam de garage te bouwen hebben hij en mevrouw De Jong wel gesproken over het risico van erfoverschrijding, maar kwamen ze tot de conclusie dat die overschrijding hoogstens een paar centimeter zou bedragen. Toen de garage een jaar stond kwam aan het licht dat de erfgrens in werkelijkheid ergens anders lag. Kuipers bood aan de schade die De Jongh door deze bouw leed te vergoeden. Hoewel De Jongh dat aanbod niet uitdrukkelijk afsloeg, besloot ze toch te gaan procederen.
Onder deze omstandigheden oordeelde de Hoge Raad dat het feit dat De Jongh in beginsel een aanspraak op verwijdering heeft niet uitsluit
“(…) dat, zo Kuipers te goeder trouw is geweest, De Jongh door in plaats van genoegen te nemen met een redelijke schadevergoeding een vordering tot amotie in te stellen, zich aan misbruik van recht zou hebben schuldig gemaakt, indien het nadeel dat Kuipers door de amotie zou lijden, zowel op zichzelf beschouwd als in zijn verhouding tot het belang dat De Jongh met haar vordering nastreeft, zo groot zou zijn dat, alle verdere omstandigheden in aanmerking genomen, De Jongh naar redelijkheid niet tot de uitoefening van haar recht amotie te vorderen had kunnen komen”2
De nadruk die de Hoge Raad hier legt op de omstandigheden waaronder De Jongh de vordering instelt past goed bij de figuur van misbruik van recht. Per definitie eist die figuur immers een kwalificatie van het gedrag van de eiser: is deze uitoefening van het recht nog wel redelijk? Daarvoor is in het algemeen vereist dat de rechthebbende de wanverhouding tussen de belangen kent en uitoefening ook echt onaanvaardbaar zou zijn.3 Er is dus ruimte voor een belangenafweging, maar wel een die pas bij hoge uitzondering tot afwijzing van het bevel kan leiden.