Einde inhoudsopgave
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/4.4.6.1
4.4.6.1 Juridische achtergrond
dr. M. Schuver-Bravenboer, datum 01-02-2009
- Datum
01-02-2009
- Auteur
dr. M. Schuver-Bravenboer
- JCDI
JCDI:ADS415013:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Wetgeving
Voetnoten
Voetnoten
Fuller 1969, p. 53, Oldenziel 1998, p. 22 en Van der Vlies 1991, p. 175.
Fuller 1969, p. 53.
Fuller 1969, p. 79; vgl. Oldenziel 1998, p. 15 die de eis van bestendigheid formuleert.
Van der Vlies 1991, p. 173; in 1984 duidde Van der Vlies dit beginsel van behoorlijke regelgeving overigens aan als ‘Het beginsel dat gerechtvaardigde verwachtingen gehonoreerd moeten worden’ (p. 207).
Zo ook Coremans en Van Damme 2001, p. 103-110. Zij spreken over materiële rechtszekerheid waar het de duidelijkheid van regels betreft.
Coremans en Van Damme 2001, p. 108.
Popelier 1997, p. 564.
Popelier 1997, p. 564-571.
Het beginsel van duidelijkheid over de gelding van een rechtsregel in de tijd, wordt veelal geïnterpreteerd als een verbod op terugwerkende kracht.1 Fuller beschouwt terugwerkende kracht als een ‘monstrosity’.2 Hij behandelt verschillende voorbeelden van terugwerkende kracht en gaat daarbij in op de gevolgen van werking van een nieuwe regel. Daarnaast hanteert Fuller het vereiste van duurzaamheid van regelgeving, waaronder hij verstaat dat regelgeving niet te vaak mag worden gewijzigd.3 Van der Vlies schaart het verbod op terugwerkende kracht onder het rechtszekerheidsbeginsel, dat zij als zelfstandig beginsel van behoorlijke regelgeving beschouwt.4 Binnen het rechtszekerheidsbeginsel onderscheidt zij twee aspecten, namelijk:
dat regels duidelijk moeten worden geformuleerd; en
dat regels niet mogen worden gewijzigd zonder rekening te houden met de betrokken belangen en zonder adequaat overgangsrecht.5
Het eerste aspect komt overeen met het beginsel van voldoende duidelijk geformuleerde regelgeving dat in par. 4.4.5 kort aan de orde is gekomen. Het tweede aspect werkt Van der Vlies niet zo grondig uit als Popelier heeft gedaan, maar ik meen dat Van der Vlies met het tweede aspect doelt op zowel de eis dat duidelijkheid over de gelding van een regel moet bestaan als op de eis dat het vertrouwensbeginsel moet worden geëerbiedigd. De laatste eis is besproken in par. 4.4.1. Coremans en Van Damme gaan uit van een verplichting tot terughoudendheid met terugwerkende kracht en spreken in dat kader over het vertrouwensbeginsel. Zij besteden daarbij geen aandacht aan de berekenbaarheid van wetgeving.6
Popelier acht het beginsel dat duidelijkheid over de gelding van een regel in de tijd moet bestaan van belang bij het nastreven van berekenbaarheid en betrouwbaarheid van regelgeving. Berekenbaarheid houdt volgens Popelier in:7
‘[I]n het licht van het rechtszekerheidsbeginsel, [is het] voor een rechtssubject vooral van belang te weten over welke periode een rechtsregel aan hem kan worden tegengeworpen en gedurende welke periode bepaalde rechtsfeiten zich moeten voordoen om de gewenste of juist ongewenste rechtsgevolgen mee te brengen.’
Ten einde te bereiken dat een regel berekenbaar is, moet duidelijkheid bestaan over de periode waarin een rechtsregel verbindend is alsmede over de temporele functie van een rechtsregel.8