Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/1.5
1.5 Onwaardigheid in de periode 1798-1838
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859297:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Scholten Algemeen deel* 1974, H3, §3 en Greuter-Vreeburg, De codificatie van het erfrecht 1798-1838 1987, p. 1.
Greuter-Vreeburg, De codificatie van het erfrecht 1798-1838 1987, p. 3-4.
Art. 8d Cap. 16, kenbaar uit: Greuter-Vreeburg, Bronnen van de Nederlandse codificatie sinds 1798. Erfrecht 1798-1820 1987, p. 52.
Art. 8e Cap. 16, kenbaar uit: Greuter-Vreeburg, Bronnen van de Nederlandse codificatie sinds 1798. Erfrecht 1798-1820 1987, p. 53. In dit opstel en ontwerp zijn nog een aantal artikelen opgenomen waarin aan bepaalde personen voordeel wordt ontzegd uit een bepaalde nalatenschap. Een aantal bepalingen is, al dan niet enigszins gewijzigd, later in het OBW gekomen als grond voor onbekwaamheid. Bijvoorbeeld het geval van overspel. Van een misdraging jegens de erflater of zijn uiterste wil is bij deze bepalingen geen sprake. Ik laat deze artikelen daarom verder buiten beschouwing. Ik volsta met een verwijzing naar Greuter-Vreeburg, Bronnen van de Nederlandse codificatie sinds 1798. Erfrecht 1798-1820 1987, p. 41-55. Zie voor een bepaling die betrekking heeft op de verkrijging van de onbevoegde, waarbij onwaardigheid nog wordt aangestipt, p. 55.
Greuter-Vreeburg, Bronnen van de Nederlandse codificatie sinds 1798. Erfrecht 1798-1820 1987, p. 52.
Art. 14 Cap. 16 resp. art. 15 Cap. 16, kenbaar uit: Greuter-Vreeburg, Bronnen van de Nederlandse codificatie sinds 1798. Erfrecht 1798-1820 1987, p. 52-53.
Zie par. 1.3.
Art. 4 Cap. 22 in het opstel en art. 3 Cap. 22 in het ontwerp, kenbaar uit: Greuter-Vreeburg, Bronnen van de Nederlandse codificatie sinds 1798. Erfrecht 1798-1820 1987, p. 174.
Art. 12a Cap. 22 in het opstel en art. 49 in het ontwerp, kenbaar uit: Greuter-Vreeburg, Bronnen van de Nederlandse codificatie sinds 1798. Erfrecht 1798-1820 1987, p. 194. Over de wenselijkheid van dit legaat kom ik hieronder nog nader te spreken.
Greuter-Vreeburg, De codificatie van het erfrecht 1798-1838 1987, p. 5-8.
Asser/Scholten Algemeen deel* 1974, H3, §3 en Greuter-Vreeburg, De codificatie van het erfrecht 1798-1838 1987, p. 8-10.
Art. 622 (Kap. II, Afd. 2) in het ontwerp-1808 en art. 615 (H2, Afd. 2) in het WNvH, kenbaar uit: Greuter-Vreeburg, Bronnen van de Nederlandse codificatie sinds 1798. Erfrecht 1798-1820 1987, p. 286-287.
Art. 623 (Kap. II, Afd. 2) in het ontwerp-1808 en art. 616 (H2, Afd. 2) in het WNvH, kenbaar uit: Greuter-Vreeburg, Bronnen van de Nederlandse codificatie sinds 1798. Erfrecht 1798-1820 1987, p. 287.
Greuter-Vreeburg, De codificatie van het erfrecht 1798-1838 1987, p. 82.
Art. 775 (Kap. II, Afd. 7), kenbaar uit: Greuter-Vreeburg, Bronnen van de Nederlandse codificatie sinds 1798. Erfrecht 1798-1820 1987, p. 309.
Greuter-Vreeburg, Bronnen van de Nederlandse codificatie sinds 1798. Erfrecht 1798-1820 1987, p. 309. Vgl. ook Greuter-Vreeburg, De codificatie van het erfrecht 1798-1838 1987, p. 9.
Greuter-Vreeburg, Bronnen van de Nederlandse codificatie sinds 1798. Erfrecht 1798-1820 1987, p. 309.
Greuter-Vreeburg, Bronnen van de Nederlandse codificatie sinds 1798. Erfrecht 1798-1820 1987, p. 309 (art. 769, H2, Afd. 7 WNvH). De definitie van het legaat van onderhoud in het ontwerp-1808 en het WNvH komt grotendeels overeen met de definitie in de stukken van Wierdsma, zie Greuter-Vreeburg, Bronnen van de Nederlandse codificatie sinds 1798. Erfrecht 1798-1820 1987, p. 315 voor het ontwerp-1808 en het WNvH en p. 194 voor het opstel en ontwerp Wierdsma. Zie over de stukken Wierdsma ook hiervoor.
Waaijer, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 328.
Zie daarover nader par. 3.2.
Zie daarover nader H4.
Asser/Scholten Algemeen deel* 1974, H3, §3.
Voor een uitgebreide bespreking van deze voorstellen verwijs ik naar Greuter-Vreeburg, De codificatie van het erfrecht 1798-1838 1987, p. 11-18.
De bepalingen verschillen op onderdelen zowel tekstueel als inhoudelijk. Ik volsta met een verwijzing naar Greuter-Vreeburg, Bronnen van de Nederlandse codificatie sinds 1798. Erfrecht 1798-1820 1987, p. 286-287 voor het ontwerp 1814 en p. 363 voor de ontwerpen uit 1816 en 1820.
Greuter-Vreeburg, Bronnen van de Nederlandse codificatie sinds 1798. Erfrecht 1798-1820 1987, p. 437.
Greuter-Vreeburg, Bronnen van de Nederlandse codificatie sinds 1798. Erfrecht 1798-1820 1987, p. 364.
Voor de (on)mogelijkheden in deze ontwerpen om een legaat van onderhoud te maken verwijs ik naar Greuter-Vreeburg, Bronnen van de Nederlandse codificatie sinds 1798. Erfrecht 1798-1820 1987, p. 309 (i.h.b. art. 817 uit het ontwerp-1814 op die pagina) en p. 407 (i.h.b. art. 2068 uit het ontwerp-1816 en art. 1807 uit het ontwerp-1820 op die pagina) waarbij in de twee laatstgenoemde artikelen wordt verwezen naar de voorschriften uit titel 15, afd. 3 die te vinden zijn op p. 361 e.v.
De term onwaardig is hier niet geheel juist. Zie daarover nader voetnoot 72.
Greuter-Vreeburg, De codificatie van het erfrecht 1798-1838 1987, p. 19-20.
Voor de teksten van de bepalingen verwijs ik naar Voorduin 1838, p. 16-19 en 96-97.
In 1798 worden de eerste stappen gezet voor een codificatie van zowel het burgerlijk recht als het strafrecht. Op 28 september van dat jaar wordt een commissie van twaalf rechtsgeleerden benoemd ter vervaardiging van een civiel en crimineel wetboek.1 Wierdsma legt zich toe op het erfrecht en zijn eerste ontwerp-erfrecht zal in de eerste helft van 1799 totstand zijn gekomen. Nadien volgt nog een opstel van zijn hand (vermoedelijk nog in hetzelfde jaar) alsmede een nieuw ontwerp-erfrecht in 1800.2 In deze stukken is plaats ingeruimd voor onwaardigheid. Het opstel bevat daartoe de volgende bepalingen:
‘Iemand die eenen anderen het leeven benoomen heeft, zal uit desselfs uitersten wille geen voordeel mogen genieten.’3
‘Dezulke die iemand tot het maaken of tot het herroepen of vernietigen van een uitersten wil gedwongen of tot het maaken van een uitersten wille belet hebben, beneevens derzelver vrouwen of kinderen zullen van de zodanigen bij uitersten wille niets mogen genieten.’4
Commissielid Gockinga merkt in zijn op- en aanmerkingen op dat de gezonde rede deze bepalingen beveelt.5 In Wierdsma zijn ontwerp zijn deze bepalingen ook terug te vinden.6 Hoewel de gezonde rede niet met zoveel woorden als grondslag wordt genoemd bij onwaardigheid in het OBW en artikel 4:3 BW, valt het er wel in te lezen.7
Het maken van een legaat van onderhoud aan een persoon die anders geen voordeel mag genieten, is wel mogelijk.8 Wanneer iemand het onderhoud gelegateerd is, moet hij worden verzorgd van alles wat hij tot kleding, voeding en huisvesting nodig heeft naar zijn staat en conditie en het vermogen van degene die daarmee belast is.9
Wierdsma zijn inspanningen ten spijt, wordt geen van zijn stukken tot wet verheven. Een nadien verschenen ontwerp van Johannes van der Linden is hetzelfde lot beschoren.10 Lodewijk Napoleon geeft vervolgens opdracht de Code Napoléon geschikt te maken voor het Koninkrijk Holland. In 1808 ziet een daartoe strekkend ontwerp het levenslicht dat met enkele wijzigingen op 1 mei 1809 onder de naam ‘Wetboek Napoleon ingerigt voor het Koninkrijk Holland’ (WNvH) wordt ingevoerd.11
De twee hiervoor aangehaalde bepalingen uit de codificatiearbeid van Wierdsma komen ook terug in het ontwerp-1808 en het uiteindelijke WNvH, zij het op onderdelen gewijzigd. De bepalingen luiden als volgt:
‘Die een ander het leven benomen heeft, mag uit krachte van deszelfs testament geen voordeel genieten.’12
‘Die iemand tot het maken of herroepen van een testament gedwongen of het maken of herroepen van hetzelve belet heeft, wordt gehouden voor onwaardig om te genieten het voordeel waartoe die dwang of dat belet gelegenheid gegeven heeft.’13
De eerstgenoemde bepaling stemt vrijwel geheel overeen met het opstel en ontwerp van Wierdsma. Ten aanzien van deze bepaling wordt nog het volgende opgemerkt. In het WNvH is de mogelijkheid van kinderen om hun ouders te onterven uitgesloten. Deze bepaling biedt hiervoor slechts gedeeltelijk soelaas. Nu de bloedige hand enkel uit het testament geen voordeel mag genieten, heeft dit tot gevolg dat een niet bij testament bevoordeelde ouder een aanslag op het leven van zijn kind kan plegen zonder het recht op de legitieme te verliezen.14
Bij de onderste bepaling springt in het oog dat hier, in tegenstelling tot de ontwerpen van Wierdsma, uitdrukkelijk de term onwaardig wordt gebruikt. Wel lijkt de bepaling beperkter in bereik dan de daarmee corresponderende bepaling van Wierdsma. Zo wordt het vernietigen van een uiterste wil niet genoemd. Daarentegen is het beletten een uiterste wil te herroepen wel opgenomen, hetgeen in Wierdsma’s bepalingen niet voorkomt. Het huidige recht trekt de grenzen nog wat ruimer. Niet alleen het (door een feitelijkheid of door bedreiging met een feitelijkheid)15 dwingen of beletten een uiterste wilsbeschikking te maken (waaronder ook het herroepen valt) en het vernietigen van een uiterste wil leiden tot onwaardigheid, maar ook het verduisteren of vervalsen van een uiterste wil (art. 4:3 lid 1 sub d en e BW).
Het legaat van onderhoud komt eveneens terug in het ontwerp uit 1808 en het WNvH. Het betreft een van de onderwerpen waarover in de Staatsraad is gedebatteerd. In het ontwerp-1808 was de bevoegdheid opgenomen een legaat van onderhoud te maken aan degenen die anders geen voordeel uit kracht van een testament mogen genieten.16
Van Gennep merkte het volgende op over deze bepaling:
‘Geen legatum alimentorum mag volgens art. 911 in ’t Code Napoléon aan onwaardigen gaan. Maar wij hebben dit gerestringeerd om de natuurlijke billijkheid niet geheel uit te sluiten en de publicque cassen niet te bezwaren.’17
Reuvens wenst liever het artikel van de Code Napoléon aan te houden, omdat hij vreest dat men anders de wet zal eluderen. Volgens Van Gennep kan de toevoeging van het woord ‘noodzakelijk’ dit mogelijk ondervangen.18 In het WNvH is deze suggestie gevolgd.19 Het legaat van onderhoud is een figuur die nu niet meer voorkomt. Wel kan hier een parallel worden getrokken met de legitieme portie. Een van de redenen waarom de legitieme portie niet is afgeschaft bij de invoering van het nieuwe erfrecht in 2003 betreft dat behoud van de legitieme portie voor een deel strekt tot bescherming van de gemeenschap. De legitieme portie wordt als middel gezien om een beroep op gemeenschapsgelden te verhinderen, althans te verminderen.20 Het argument over de publieke kassen speelt hierbij dus eveneens een rol. Desondanks valt de afweging anders uit dan vroeger. Een onwaardige kan geen aanspraak maken op zijn legitieme portie.21 Wel kan de erflater via een andere weg bereiken dat de onwaardige alsnog voordeel ontvangt uit zijn nalatenschap namelijk door hem zijn gedraging ondubbelzinnig te vergeven, zodat de onwaardigheid vervalt.22
Het WNvH is in Nederland van kracht geweest tot de invoering van de Code Civil (CC) in 1811.23 De CC is in 1838 vervangen door het oud Burgerlijk Wetboek. In de tussentijd hebben nog diverse wetsontwerpen zich aangediend die de eindstreep niet hebben gehaald.24 Zonder deze codificatiegeschiedenis tot in detail te willen bespreken, worden hierover enkele opmerkingen gemaakt.
In de ontwerpen van 1814, 1816 en 1820 is het ombrengen van de erflater en het dwingen van de erflater tot het maken, herroepen of vernietigen van een uiterste wil dan wel het beletten daarvan wederom als uitsluitingsgrond opgenomen.25 Deze oorzaken van onwaardigheid zijn in de ontwerpen uit 1816 en 1820 tevens grond voor het verliezen van het recht op een erfenis bij versterf.26 Verder is in deze twee ontwerpen opgenomen dat degene die een uiterste wil geheel of ten dele heeft verdonkerd, vernietigd of veranderd het voordeel uit dat testament wordt ontnomen.27 Deze uitbreidingen vormen een stap in de richting van de onwaardigheidsbepalingen in het OBW.28
In oktober 1823 wordt een ontwerp Burgerlijk Wetboek naar de Tweede Kamer gestuurd. In januari 1824 rondt de Tweede Kamer de behandeling en aanvaarding van de wetsontwerpen over het erfrecht af door het aannemen van de laatste titel. Later dat jaar neemt de Eerste Kamer de titel aan waaronder onwaardigheid in het versterferfrecht valt en in 1825 volgt de titel die mede de onwaardigheid in het testamentaire erfrecht omvat.29 In 1830 wordt het Burgerlijk Wetboek gedrukt, maar door de Belgische opstand vindt de invoering niet plaats in 1831. Nadien vinden in beide regelingen nog wat wijzigingen plaats waarna op 1 oktober 1838 het OBW in werking treedt.30 De bepalingen uit de stukken van 1823 tot en met 1830 naderen nog dichter de bepalingen die uiteindelijk in het OBW zijn terechtgekomen. Deze artikelen stemmen dermate overeen met het OBW dat de meerwaarde van een afzonderlijke bespreking hiervan ontbreekt.31 De relevante wetsgeschiedenis bij deze stukken wordt aangehaald bij de bespreking van het OBW in de volgende paragraaf.