Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/8.5.5.2.2
8.5.5.2.2 Toepassing driestapstoets op Amelandse benzinepomp II
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284631:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Overigens hoeft de bestuursrechter niet ambtshalve te toetsen of een bouwbesluit geweigerd had moeten worden wegens strijd met het bestemmingsplan. Zie bijv. ABRvS 14 januari 2004, AB 2004/239, m.nt. A.G.A. Nijmeijer (X/Rijswijk). De regels zijn dus niet van openbare orde.
De ABRvS lijkt van de strikte lijn dat bestemmingsplannormen nooit raken aan concurrentiebelangen langzaamaan ook af te stappen. Zie daarover ABRvS 24 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1374, Gst. 2017/118, m.nt. A. Snijders (Kuwait) en ABRvS 20 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2560, AR 2017/4874 (Wok Stadion) waarin de Afdeling overweegt dat de door art. 2.12 lid 1 Wabo bij de vergunningverlening in acht te nemen goede ruimtelijke ordening ook het belang van het ondernemersklimaat behelst, zodat concurrenten op grond van het belang van een verslechterend ondernemersklimaat op kunnen komen tegen aan concurrenten verleende vergunningen. Het lijkt mij daarom niet ondenkbaar dat een vergunningverlening in strijd met de goede ruimtelijke ordening wegens schending van art. 2.12 lid 1 Wabo onrechtmatig is en verplicht tot vergoeding van als gevolg daarvan door een concurrent gederfde winst, indien de art. 6:98 BW-omstandigheden daartoe aanleiding geven.
ABRvS 5 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3926 (Heerlen).
727. Hoe lost de driestapstoets de casus op? De onrechtmatigheidsdiscussie speelt zich af op twee niveaus: schending van (i) art. 2.10 lid 1 sub c Wabo (art. 48 Wonw. (oud)) en (ii) art. 6 planvoorschriften. Het besluit is dus op beide gronden onrechtmatig in enge zin. Daarom moet de driestapstoets op beide gronden toegepast worden.
728. Allereerst de norm van art. 2.10 lid 1 sub c Wabo. We zagen hiervoor al dat het voorschrift enkel een sluitstukfunctie heeft. De weigeringsplicht draagt ervoor zorg dat slechts vergunningen worden verleend indien zij in overeenstemming zijn met de door het bestemmingsplan nagestreefde doelen en bescherming.1 Uit die sluitstukfunctie volgt volgens mij dat het voorschrift niet beschermt tegen schade. In zoverre stuit de vordering dus op stap 1 af.
729. Art. 6 planvoorschriften verbiedt detailhandel op de plek waarvoor de bouwvergunning aan Ameland v.o.f. was afgegeven. Het betreft hier dus een brancheringsregel. Hoewel de uitspraak dat niet vermeldt, is in de Ameland II-casus waarschijnlijk sprake van het type dat met een verbod op de ene plek tracht de detailhandel elders op peil te houden. We zagen hiervoor dat zo’n regel een ruimtelijk doel heeft, maar economisch is aangedreven: het verbod wil het behoud van detailhandel elders in het plangebied financieel mogelijk maken. Dit betekent volgens mij dat men niet categorisch kan zeggen dat de regel niet strekt tot beschermen van gederfde winst als gevolg van concurrentie.2 Die regels beogen immers te waarborgen dat het drijven van detailhandel voldoende lucratief blijft om het ruimtelijk doel te bewerkstelligen. De ABRvS onderkent dat ook: brancheringsregels strekken tot bescherming van de ondernemer tegen aantasting van het goed ondernemersklimaat.3 Het verbod is echter vanwege die ruimtelijke doelstelling evenmin duidelijk gericht op bescherming tegen als gevolg van ontstane concurrentie gederfde winst. De casus lost zich daarom niet op binnen stap 1 of 2.
730. Binnen stap 3 komt men volgens mij wel tot een navolgbaar resultaat. Allereerst heeft het detailhandelverbod wel mede het behoud van de benzinepomp van Nagtegaal op Ameland op het oog. Die strekking pleit dus in ieder geval vóór vergoeding van de gederfde winst. Bovendien is waarschijnlijk en voorzienbaar dat de vergunningverlening in strijd met het detailhandelverbod tot de winstderving door Nagtegaal leidt: (i) hij is de directe concurrent van Ameland v.o.f. en (ii) het verbod beoogt juist de detailhandel van Nagtegaal te behouden. De gederfde winst is bovendien het vrijwel directe gevolg van de bouwvergunningverlening. De vergunningverlening ziet immers op het oprichten van het benzineverkooppunt en heeft ook direct geleid tot de oprichting van de concurrent. Hiertegenover staat dat sprake is van zuivere vermogensschade. Aan die omstandigheid komt in verhouding tot deze drie positieve aanwijzingen onvoldoende gewicht toe, temeer omdat schending van de norm enkel tot vermogensschade kan leiden.