Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.5.3.3
IV.5.3.3 Inbreuk op een recht
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460348:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
In artikel 6:162 lid 2 wordt deze onrechtmatigheidsgrond als eerste genoemd.
Aldus ook Karapetian 2019, p. 58.
Naast het eigendomsrecht van artikel 5:1 BW is in artikel 1 van het aanvullend protocol bij het EVRM het ‘recht op eigendom’ neergelegd. Dit is de grondrechtelijke tegenhanger van het absolute vermogensrecht van artikel 5:1 BW. Dit artikel bepaalt dat iedere natuurlijke of rechtspersoon het recht heeft op het ongestoord genot van zijn eigendom, en dat aan niemand zijn eigendom zal worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.
Bauw, in: GS Onrechtmatige daad VIII.6.3.2.
HR 19 januari 1962, ECLI:NL:HR:1962:10, NJ 1962/151, m.nt. Beekhuis.
Hartlief e.a. 2018, p. 35-36.
Zie omtrent de horizontale werking van grondrechten met verdere verwijzingen Asser/Sieburgh 6-III 2018/59 e.v.
Artikel 21 van de Grondwet, dat een zorgplicht bevat voor de overheid om de bewoonbaarheid van het land te waarborgen en het leefmilieu te verbeteren, is geen norm die rechtstreeks kan worden ingeroepen in civielrechtelijke verhoudingen. Zie uitvoeriger Bauw, in: GS Onrechtmatige daad VIII.6.3.2 met verdere verwijzingen.
Oemrawsingh 2008.
Over de bescherming die het EVRM biedt in milieukwesties, zie ECHR Guide on Article 8 of the European Convention on Human Rights (versie 31 augustus 2019), nrs. 119-127, 420-435 en 438-439. Voorbeelden uit de rechtspraak zijn EHRM 30 november 2004, ECLI:NL:XX:2004:AS2641, NJ 2005/210, m.nt. E.A. Alkema (Öneryildiz/Turkije), (gasexplosie op vuilnisbelt); EHRM 20 maart 2008, ECLI:NL:XX:2008:BD6179, NJ 2009/229, m.nt. E.A. Alkema (Budeyava/Rusland) (levensbedreigende modderstroom). Deze literatuur en voorbeelden hebben betrekking op overheidsaansprakelijkheid, maar kunnen ook gezichtspunten bieden voor milieuzorgplichten die voortvloeien uit het EVRM.
Zie voor een overzicht van de verschillende standpunten met verdere verwijzingen Asser/Sieburgh 6-IV 2019/46 e.v. en Van Dam 2015, nr. 832.
Van Zeben & Du Pon 1981, p. 614. Dit volgt ook uit het uitgangspunt dat eenieder binnen redelijke grenzen het eigen belang mag nastreven en dat het toebrengen van (voorzienbare) schade aan derden daarom als zodanig niet onrechtmatig is. In beginsel draagt een ieder zijn eigen schade, tenzij er rechtens een goede reden bestaat om de schade te kunnen verhalen op een ander. Zie hieromtrent Hartlief 1997; Engelhard & Van Maanen 2008, nr. 1 en 4; Asser/Sieburgh 6-IV 2019/18; en Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 4.2 en 6.1.6.
Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 5.2.5; Hartlief e.a. 2018, p. 35.
Zie par. IV.5.5.
Over de bewijstechnische aspecten zie onder meer Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 4.1.4 en Van Dam 2015, nr. 839.
De tweede onrechtmatigheidsgrond van artikel 6:162 lid 2 BW die ik hier bespreek is ‘inbreuk op een recht’,1 waarmee wordt bedoeld inbreuk op een subjectief recht. Ook deze onrechtmatigheidsgrond kan van betekenis zijn voor de milieuaansprakelijkheid van een leidinggevende. De norm om geen inbreuk te maken op andermans subjectieve rechten richt zich tot eenieder, dus ook tot personen met een leidinggevende functie binnen een onderneming.2
Er zijn verschillende subjectieve rechten die een rol zouden kunnen spelen bij de milieuaansprakelijkheid van een leidinggevende. In de eerste plaats kan hierbij worden gedacht aan het eigendomsrecht (artikel 5:1 BW).3
Zo is het op onrechtmatige wijze (dus zonder vergunning of toestemming van de eigenaar) veroorzaken van bodemverontreiniging in ieder geval onrechtmatig jegens de eigenaar van de grond.4 Een voorbeeld uit jurisprudentie betreft de rechtszaak van de Nederlandse Staat tegen gemeente Huizen. In deze rechtszaak wordt de gemeente Huizen aangesproken in verband met het lozen van ongezuiverd afvalwater op het IJsselmeer, dat destijds in eigendom was van de Staat.5 Deze rechtszaak wordt in de literatuur genoemd als een voorbeeld van een directe en opzettelijke inbreuk op een eigendomsrecht.6
Daarnaast zijn er verschillende grondrechten die van belang kunnen zijn. Van oudsher zijn grondrechten bedoeld om burgers te beschermen tegen overheidshandelen (verticale werking), maar ze kunnen onder omstandigheden ook doorwerken in de rechtsverhouding tussen burgers en bedrijven onderling (horizontale werking).7
Een ‘recht op een leefbaar milieu’, waarvoor in de literatuur wel is gepleit, wordt in de rechtspraak (nog?) niet als zodanig aanvaard.8 Er zijn echter wel andere erkende, in internationale verdragen vastgelegde grondrechten die bescherming bieden aan de rechthebbende bij een milieuaantasting.9 Bijvoorbeeld, als ernstige milieuverontreiniging van een bedrijf bij omwonenden gezondheidsschade veroorzaakt, dan kan er sprake zijn van een inbreuk op het recht op leven (artikel 2 EVRM) of het recht op privé en gezinsleven (artikel 8 EVRM) van de bewoners.10
Het lastige van de onrechtmatigheidsgrond ‘inbreuk op een recht’, is dat rechten weliswaar aan de rechthebbende een bepaalde aanspraak of bevoegdheid verlenen, maar niet – of in ieder geval niet altijd duidelijk – een gedragsnorm bevatten voor de onrechtmatigheidstoets van een bepaalde handeling. De vaststelling dat het subjectieve recht van de eiser geschonden is, zegt iets over het resultaat van de gedraging, maar niet per se iets over de betamelijkheid van de gedraging zelf.
In de juridische literatuur bestaat daarom al lange tijd discussie over het zelfstandige karakter van de onrechtmatigheidsgrond ‘inbreuk op een recht’. Sommige auteurs vinden een enkele inbreuk op een subjectief recht onvoldoende voor de onrechtmatigheid; zij menen dat er altijd een aanvullende toets op basis van een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm noodzakelijk is. Andere auteurs zien ‘inbreuk op een recht’ wél als een zelfstandige onrechtmatigheidsgrond, mits de inbreuk rechtstreeks of opzettelijk is.11 Deze discussie kan hier verder rusten, maar men lijkt het in ieder geval over twee zaken eens die ook relevant zijn in het kader van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden. Ten eerste: niet iedere gedraging die andermans eigendom beschadigt of letsel veroorzaakt is onrechtmatig.12 Ten tweede: naarmate het verband tussen de gedraging en de rechtsinbreuk indirecter is, en naarmate het subjectieve recht een algemenere strekking heeft, zal er minder snel sprake zijn van onrechtmatigheid op grond van inbreuk op een recht.13 Een nadere toetsing aan een andere onrechtmatigheidsgrond ligt dan voor de hand. De eiser kan dan (aanvullend) een beroep doen op strijd met een wettelijk voorschrift of strijd met de maatschappelijke betamelijkheid.
Gelet op het voorgaande, zal de onrechtmatigheidsgrond ‘inbreuk op een recht’ in de praktijk maar een bescheiden rol spelen bij het vaststellen van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden. De subjectieve rechten die in dit kader relevant zijn, hebben immers een behoorlijk algemeen karakter. Bovendien zal het doen en nalaten van de leidinggevende – zeker als de leidinggevende onderdeel uitmaakt van een grote en/of complexe organisatie – doorgaans in indirect verband staan tot de rechtsinbreuk. Het is niet uitgesloten dat een leidinggevende door een milieuaantasting onrechtmatig handelt vanwege inbreuk op een recht: als er sprake is van een opzettelijke, rechtstreekse inbreuk op een subjectief milieurelevant recht, bijvoorbeeld een eigendomsrecht, is op zich geen nadere toetsing nodig op basis van een andere onrechtmatigheidsgrond om te voldoen aan het onrechtmatigheidsvereiste van artikel 6:162 lid 2 BW. Echter, omdat de milieuimpact van bedrijven sterk gereguleerd is – en veel van die regels tot eenieder of zelfs specifiek aan natuurlijke personen met een leidinggevende functie zijn gericht – zal er in dit soort gevallen bijna altijd ook sprake zijn van strijd met een wettelijk voorschrift, of anders wel sprake zijn van strijd met de maatschappelijke betamelijkheid.
Hoewel aan de zelfstandige betekenis en de meerwaarde van deze onrechtmatigheidsgrond voor het onrechtmatigheidsoordeel kan worden getwijfeld, levert de vaststelling dat inbreuk is gemaakt op een subjectief recht de eiser in andere opzichten wel bepaalde voordelen op. Bij een rechtsinbreuk wordt bijvoorbeeld automatisch het relativiteitsvereiste vervuld.14 Daarnaast levert een (dreigende) rechtsinbreuk ook voldoende belang op in de zin van artikel 3:303 BW, waarmee wordt voldaan aan een belangrijk vereiste wanneer een rechterlijk bevel wordt gevorderd. Ten slotte kan een inbreuk op een recht ook de bewijspositie van de eiser ten goede komen.15