Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/4.6.4
4.6.4 Een ruime uitleg van art. 6:181
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS297962:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/248: ‘Het oude wetboek bevatte hieromtrent een bepaling in art. 1404. Als gevolg van de anticiperende rechtspraak van de Hoge Raad stemden de beide regelingen overeen, behalve wat betreft de aanwijzing van de aansprakelijke persoon.’ Zie ook par. 3.3.2.
Namelijk indien deze ander op een zodanig duurzame wijze en ten eigen nutte van het dier gebruik maakte en daarvoor/-over ook de zorg en zeggenschap had, dat de positie van de eigenaar werd genaderd. Zie HR 29 november 1985, NJ 1987/291, m.nt. CJHB (Van Amsterdam/Van den Hurk). Zie ook par. 3.3.2 en 7.3.2.
Dat in geval van een ‘uitzonderingskarakter’ een terughoudende benadering wordt gevolgd, blijkt uit uiteenlopende rechtspraak van de Hoge Raad op het terrein van het aansprakelijkheidsrecht, zoals HR27 november 2009, VR 2010/69 (Schulpen Schuim/Zorg en Zekerheid) over het verhaalsrecht ex art. 83c Zfw; HR 21 december 2012, NJ 2013/237, m.nt. Lindenbergh (Deloitte/Hassink) over proportionele aansprakelijkheid; HR 11 november 2011, NJ 2011/597, m.nt. Hartlief (TNT Post/ Weijenberg) en 598(De Rooyse Wissel/Hagens) over de behoorlijke verzekeringsplicht van de werkgever ex art. 7:611; HR28 november 2014, NJ 2015/194 (Anderzorg/Veenstra en London) over het subrogatieverbod ex art. 7:962 lid 3. Zie ook CRvB 4 juni 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AP2596 (X/UWV) over de toekenning van een WAO-uitkering bij arbeidsongeschiktheid zonder een medisch substraat.
Loretta-arrest, r.o. 3.3 (slot). Zie nader omtrent de invulling van gebruik in de zin van art. 6:181hoofdstuk 7.
Zie nader par. 3.3.2 en 7.3.2.
Zie voor een bespreking van de drie kernbegrippen van art. 6:181hoofdstuk 6 t/m 8. Zie ook par. 5.5.
Aangenomen wordt wel dat de aansprakelijkheid voor dieren van art. 6:181 jo. 179 overeenkomt met ‘voorganger’ art. 1404 OBW, behalve voor wat betreft de aanwijzing van de aansprakelijke persoon.1 Het gaat dan om de eigenaar of gebruiker in art. 1404 OBW ten opzichte van de bezitter of bedrijfsmatige gebruiker uit art. 6:181 jo. 179. Maar zoals gebleken, is er meer: ook de onderlinge hiërarchie tussen de aansprakelijke personen verschilt. Binnen art. 1404 OBW stond de aansprakelijkheid van de gebruiker nadrukkelijk in de schaduw van die van de ‘vooropstaande’ eigenaar. Onder het oude recht werd enkel in uitzonderingsgevallen de aansprakelijkheid voor dieren bij een ander dan de eigenaar, ‘de gebruiker’, gelegd.2 Zou de ‘gebruikersaansprakelijkheid’ van art. 6:181 in de geest van die uit art. 1404 OBW eveneens een uitzonderingskarakter hebben, dan zou een terughoudende toepassing van art. 6:181 in de rede liggen.3 Van belang is dan ook de constatering dat de verhouding tussen de bezitter en bedrijfsmatige gebruiker uit art. 6:181 jo. 179 (alsmede art. 6:173 en 174) spiegelbeeldig is aan die van de eigenaar en gebruiker uit art. 1404 OBW: de gebruikersaansprakelijkheid van art. 1404 OBW was bedoeld voor uitzonderingsgevallen, terwijl art. 6:181 in de relatie met de bezittersaansprakelijkheid uit art. 6:173, 174 en 179 juist ‘voorop’ staat. Vanwege dit systeemverschil kan de strenge invulling van de gebruikersaansprakelijkheid uit art. 1404 OBW niet ‘geprojecteerd’ worden op art. 6:181.4 In dit licht juich ik ook toe dat de Hoge Raad in het Loretta-arrest inmiddels heeft geoordeeld dat voor aansprakelijkheid van de ‘gebruiker’ ex art. 6:181 niet ‘de eis [mag] worden gesteld dat hij het dier duurzaam en ten eigen nutte gebruikt.’5 Dit betreft een afwijking van de invulling van ‘gebruik’ in de zin van art. 1404 OBW, waartoe de Hoge Raad wel eiste dat dit duurzaam en ten eigen nutte was.6 Waar onder vigeur van art. 1404 OBW terughoudendheid was geboden bij het aannemen van een aansprakelijkheid van de gebruiker, lijkt voor art. 6:181 dus juist een royale toepassing in de rede te liggen. De constatering dat art. 6:181 geen uitzonderingskarakter heeft maar in relatie tot de bezitter uit art. 6:173, 174 en 179 juist ‘voorop’ staat, zal in mijn optiek ‘uitstralen’ op de materiële toepassingsvoorwaarden van deze bepaling: haar kernbegrippen ‘bedrijf’, ‘gebruik’ en ‘in de uitoefening van’ (functioneel verband) komt geen enge maar een ruime uitleg toe.7